Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:694

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
24/3881
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 WaterschapswetArt. 113 WaterschapswetArt. 122f lid 1 WaterschapswetArt. 122i lid 1 WaterschapswetArt. 7:12 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte 2024

Eiser is eigenaar en gebruiker van een pand dat wordt gebruikt voor opslag van privé-eigendommen en is aangeslagen voor zuiveringsheffing 2024 op basis van één vervuilingseenheid. De heffingsambtenaar handhaafde de aanslag na bezwaar. De rechtbank beoordeelt of het belastbare feit is voldaan, of het evenredigheidsbeginsel is geschonden, en of het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn nageleefd.

De rechtbank oordeelt dat het pand kwalificeert als bedrijfsruimte volgens de Verordening zuiveringsheffing Wetterskip Fryslân 2024, ongeacht het al dan niet uitoefenen van een bedrijf. Het feit dat het pand is aangesloten op het riool en voorzien is van toilet en wasbak leidt tot het vermoeden dat stoffen zijn afgevoerd, wat eiser onvoldoende heeft weerlegd. Daarmee is het belastbare feit voldaan.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de forfaitaire heffing van één vervuilingseenheid wettelijk is voorgeschreven en geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die dit onredelijk maken. Wel is het motiveringsbeginsel geschonden omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet op alle bezwaargronden is ingegaan, maar dit gebrek wordt gepasseerd omdat de motivering alsnog in beroep is gegeven en eiser daarop heeft kunnen reageren.

De uitspraak op bezwaar en aanslag blijven in stand. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten wegens het instellen van beroep om een deugdelijke motivering te verkrijgen. Tevens wordt een reiskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag zuiveringsheffing 2024 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/3881
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 22 augustus 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser voor het jaar 2024 een aanslag in de zuiveringsheffing opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de heffingsambtenaar [naam] .

Feiten

2.
2.1.
Eiser is eigenaar en gebruiker van het pand aan [adres] (het pand). Eiser gebruikt het pand voor de opslag of stalling van privé-eigendommen. In het pand zijn een toilet en wasbak aanwezig.
2.2.
Aan eiser is voor het jaar 2024 een aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte opgelegd van € 68,96, uitgaande van één vervuilingseenheid.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de aanslag zuiveringsheffing terecht heeft opgelegd. Hierbij gaat het erom of is voldaan aan het belastbare feit en of het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag terecht aan eiser opgelegd. Wel is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is voldaan aan het belastbare feit?
5.1.
Eiser stelt dat het pand een particuliere opslagruimte betreft en dat geen sprake is van een bedrijf zoals omschreven in de Verordening zuiveringsheffing Wetterskip Fryslân 2024 (de Verordening). Verder stelt eiser dat de aanslag ten onrechte is opgelegd omdat in 2024 geen water is verbruikt in het pand.
5.2.
De heffingsambtenaar voert aan dat de aanslag in overeenstemming met de Verordening is opgelegd. Volgens de heffingsambtenaar is voor de vraag of een pand als bedrijfsruimte kwalificeert niet relevant of een bedrijf wordt uitgeoefend in het pand. Verder gaat het niet om het waterverbruik in het pand, maar om de mogelijkheid van het afvoeren van stoffen, aldus de heffingsambtenaar.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de aanslag zuiveringsheffing is gebaseerd op de Verordening. Daarin staat in artikel 1, onderdeel f, dat onder bedrijfsruimte wordt verstaan een naar zijn of haar aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde een woonruimte, een zuiveringtechnisch werk of een riolering. In artikel 3, lid 2, van de Verordening staat dat degene die het gebruik heeft van een woonruimte of een bedrijfsruimte aan de heffing wordt onderworpen.
5.4.
Vast staat dat het pand geen woonruimte betreft als bedoeld in de Verordening. Naar het oordeel van de rechtbank is het pand, gelet op de definitie in de Verordening (zie 5.3.), te kwalificeren als bedrijfsruimte. Hiervoor is niet relevant of eiser wel of niet daadwerkelijk een bedrijf uitoefent in het pand. Ook uit de toelichting bij artikel 1, onderdeel f, van de Verordening volgt dat alles wat geen woonruimte is, als bedrijfsruimte moet worden aangemerkt.
5.5.
Artikel 3, eerste lid van de Verordening bepaalt dat belasting wordt geheven over het direct of indirect afvoeren op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij een waterschap. Met afvoeren wordt volgens artikel 1, eerste lid, onderdeel d van de Verordening het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringtechnisch werk in beheer bij het waterschap bedoeld. Hieruit volgt dat alleen aan het belastbare feit is voldaan, als eiser gedurende 2024 stoffen heeft afgevoerd vanuit het pand op het riool. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat is voldaan aan het belastbare feit.
5.6.
De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat het pand een rioolaansluiting heeft en beschikt over een toilet en wasbak. De rechtbank overweegt dat hieruit in redelijkheid het vermoeden kan worden ontleend dat vanuit het pand is afgevoerd. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt vervolgens met zich mee dat eiser feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken waaruit volgt dat gedurende 2024 niet is afgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met alleen zijn verklaring, in het licht van de betwisting door de heffingsambtenaar, niet aannemelijk gemaakt dat in 2024 helemaal geen stoffen zijn afgevoerd. Eiser heeft bijvoorbeeld geen stukken overgelegd waaruit de rechtbank kan afleiden dat het waterverbruik (en daarmee de afvoer van water) nihil is geweest.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat aan het belastbare feit is voldaan.
Is de heffing in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
6.
6.1.
Eiser stelt dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden, omdat de zuiveringsheffing standaard wordt geheven op basis van ten minste één vervuilingseenheid en niet op basis van het daadwerkelijke verbruik. Volgens de heffingsambtenaar is er geen sprake van onevenredigheid. Hij wijst erop dat de wetgever de bepaling over de forfaitaire heffing van 1,0 vervuilingseenheid heeft vastgesteld.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de Waterschapswet heeft het algemeen bestuur van een waterschap de mogelijkheid om zuiveringsheffing te heffen. [1] Als heffingsmaatstaf voor de zuiveringsheffing geldt de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. [2] In artikel 122i, lid 1, van de Waterschapswet is dwingend bepaald op welke manier de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten moet worden gesteld. De lagere regelgever (in dit geval het algemeen bestuur van het Wetterskip Fryslân) heeft geen ruimte om hiervan af te wijken. Artikel 16, lid 1, van de Verordening (waarin is geregeld hoe de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten moet worden gesteld) is inhoudelijk ook in overeenstemming met artikel 122i, lid 1, van de Waterschapswet. Bij de beoordeling van eisers beroep op het evenredigheidsbeginsel zal de rechtbank daarom in wezen toetsen of artikel 122i, lid 1, van de Waterschapswet strijd oplevert met het evenredigheidsbeginsel.
6.3.
Volgens rechtspraak van de hoogste bestuursrechters [3] mag de rechter een (bepaling uit een) wet in formele zin [4] niet toetsen aan algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel (het toetsingsverbod uit artikel 120 van Pro de Grondwet). Alleen wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet volledig zijn meegenomen in de afweging van de wetgever, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval wanneer die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel, dat die toepassing achterwege moet blijven. [5]
6.4.
De Waterschapswet is een wet in formele zin. De rechtbank mag daarom artikel 122i van de Waterschapswet in beginsel niet toetsen aan het evenredigheidbeginsel (zie 6.3.). Dit is alleen anders als sprake is van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden (zie 6.3.). De rechtbank overweegt in dit kader als volgt. Artikel 122i van de Waterschapswet is ontleend aan de voormalige regeling van artikel 21 van Pro de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) [6] die op haar beurt was gebaseerd op artikel 18 van Pro de Wvo. [7] Uit de geschiedenis van de Wvo volgt dat het forfait voor kleine bedrijfsruimten is ingevoerd uit overwegingen van doelmatigheid. [8] Hoge perceptiekosten (zoals kosten voor verzending van aangiftebiljetten, het vervaardigen van aanslagen en de invordering hiervan) zouden ontstaan, als ook bedrijven met een lage vervuilingswaarde zouden worden aangeslagen naar de vervuilingswaarde, zoals deze met behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten wordt vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat het niet anders kan zijn dan dat de formele wetgever heeft voorzien dat het forfait voor kleine bedrijfsruimten ook zou gelden voor bedrijven die slechts een heel kleine hoeveelheid lozen en dat de gebruikers van die bedrijfsruimten dan relatief veel zuiveringsheffing betalen. Hieruit volgt dat geen sprake is van niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden (zie 6.3.). Er bestaat daarom geen aanleiding om het forfait voor kleine bedrijfsruimten in een geval zoals dat van eiser onverbindend te verklaren en als gevolg daarvan buiten toepassing te laten.
6.5.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
Heeft de heffingsambtenaar het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden?
7.
7.1.
Eiser stelt dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar niet heeft gereageerd op al zijn argumenten uit het bezwaarschrift. Volgens eiser handelt de heffingsambtenaar hiermee in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
7.2.
De heffingsambtenaar heeft op de zitting erkend dat in de uitspraak op bezwaar niet op eisers bezwaargrond over het evenredigheidsbeginsel is ingegaan. De heffingsambtenaar wijst erop dat hij gedurende de bezwaarfase uitgebreid met eiser heeft gebeld en toen zijn standpunt hierover kenbaar heeft gemaakt.
7.3.
De rechtbank overweegt dat een uitspraak op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering die uiterlijk bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. [9] De heffingsambtenaar is in de uitspraak op bezwaar niet ingegaan op alle door eiser aangevoerde bezwaargronden en heeft dit op zich ook wel erkend (zie 7.2.). De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar wel op eisers bezwaargrond over het evenredigheidsbeginsel had moeten reageren. Dat de heffingsambtenaar voor het doen van uitspraak al telefonisch contact heeft gehad en daarin heeft toegelicht dat volgens hem het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet slaagt, maakt dit niet anders. In zijn algemeenheid geldt dat een belanghebbende in alle rust moet kunnen nalezen waarom een bestuursorgaan het met hem oneens is en moet kunnen afwegen of het instellen van een rechtsmiddel zinvol is. Omdat in de uitspraak op bezwaar niet is ingegaan op alle bezwaargronden, is het motiveringsbeginsel geschonden.
7.4.
Dat het motiveringsbeginsel is geschonden, betekent niet dat de uitspraak op bezwaar of de aanslag zuiveringsheffing wordt vernietigd. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift en op de zitting (alsnog) aangegeven waarom volgens hem het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. Het gebrek in de motivering is dus in beroep hersteld en omdat eiser daarop heeft kunnen reageren, is hij niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank passeert daarom het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Wel ziet de rechtbank in de schending van het motiveringsbeginsel aanleiding om de heffingsambtenaar het griffierecht en de door eiser gemaakte proceskosten te laten vergoeden, omdat eiser beroep heeft moeten instellen om een deugdelijke motivering te krijgen.
7.5.
Eisers stelling dat het zorgvuldigheidsbeginsel [10] is geschonden, slaagt niet. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat de heffingsambtenaar kennis heeft genomen van de standpunten van eiser. Ook is voorafgaand aan het vaststellen van de uitspraak op bezwaar telefonisch contact geweest met eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak op bezwaar niet onzorgvuldig tot stand gekomen.

Conclusie en gevolgen

8.
8.1.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag zuiveringsheffing en de uitspraak op bezwaar in stand blijven. Omdat eiser beroep heeft moeten instellen om alsnog een deugdelijke motivering te krijgen op zijn bezwaar (zie 7.3. en 7.4.), bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar aan eiser het door hem betaalde griffierecht en zijn proceskosten moet vergoeden.
8.2.
Eiser heeft verzocht om vergoeding van € 17,64 aan reiskosten op basis van een tweede klas retour met het openbaar vervoer. De rechtbank zal deze vergoeding toewijzen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 17,64 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.A. Veenstra, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 110 van Pro de Waterschapswet in samenhang gelezen met artikel 113 van Pro de Waterschapswet.
2.Op grond van artikel 122f, lid 1 van de Waterschapswet.
3.Zie Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, College van Beroep voor het bedrijfsleven 29 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:134, Centrale Raad van Beroep 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622 en vergelijk Hoge Raad 18 mei 2018 (civiele kamer), ECLI:NL:HR:2018:729.
4.Een wet die is vastgesteld door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk. Zie artikel 81 van Pro de Grondwet.
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.14.
6.Kamerstukken II 2005/2006, 30 601, nr. 3, p. 58.
7.Kamerstukken II 1998/1999, 26 367, nr. 3, p. 11.
8.Kamerstukken II 1987/1988, 20 435, nr. 3, p. 6 en 7.
9.Artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10.Artikel 3:2 van Pro de Awb.