Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:331

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
LEE 26/210
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 5:1 AwbArt. 5:21 AwbArt. 5:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stellen handhavingsverzoek verontreinigde grond

Verzoeker diende een handhavingsverzoek in tegen het gebruik van licht verontreinigde grond op een golfbaan en het gebruik van de toegangsweg naar zijn woning. Het college stelde dit verzoek buiten behandeling omdat verzoeker geen belanghebbende zou zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker wel belanghebbende is, gezien de feitelijke gevolgen van de werkzaamheden en de aanvoer van grond over de enige toegangsweg naar zijn woning.

Hoewel er sprake is van een spoedeisend belang, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit omdat het verzoek om een verbod op het gebruik van de weg of het opleggen van een alternatieve route niet binnen de reikwijdte van het bestreden besluit valt en de voorzieningenrechter niet bevoegd is om dergelijke maatregelen op te leggen.

Het college heeft het verzoek om handhaving niet inhoudelijk beoordeeld, waardoor het geschil beperkt is tot de vraag of het verzoek terecht buiten behandeling is gesteld. De voorzieningenrechter concludeert dat het college het verzoek in behandeling moet nemen, maar dat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het college moet het handhavingsverzoek in behandeling nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummer: LEE 26/210
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaats] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogeveen, het college,
(gemachtigden: mr. J. Hulleman en M.R. Kluiter).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening tegen het buiten behandeling stellen van het verzoek van verzoeker om handhaving, voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van verontreinigde grond en het gebruik van de toegangsweg naar de woning van verzoeker. Verzoeker is het niet eens met dat besluit. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig oordeel en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2. De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Procesverloop
2. Het college heeft het verzoek om handhaving van verzoeker op 17 november 2025 buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en J.H. Walda (Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD)).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Feiten
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
3.1. Verzoeker heeft op 14 juni 2025 een verzoek om handhaving ingediend bij het college. Het verzoek om handhaving heeft betrekking op de volgende aspecten:
- het gebruik van verontreinigde grond op de golfbaan Martensplek;
- het gebruik van de weg naar de woning van eiser door vrachtwagens.
3.2. Het college heeft bij brief van 30 september 2025 aan verzoeker meegedeeld voornemens te zijn om het verzoek om handhaving, voor zover het betrekking heeft op het gebruik van verontreinigde grond, buiten behandeling te stellen omdat er geen sprake is van een aanvraag door een belanghebbende.
Verder heeft het college verzoeker met deze brief in de gelegenheid gesteld om een zienswijze, gericht tegen het voornemen, in te dienen.
3.3. Verzoeker heeft een zienswijze bij het college ingediend.
3.4. Het college heeft bij het bestreden besluit van 17 november 2025 het verzoek om handhaving, voor zover dit betrekking heeft op het gebruik van verontreinigde grond, buiten behandeling gesteld omdat er geen sprake is van een aanvraag door een belanghebbende.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
4. Een verzoek om voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als onverwijlde spoed dat vereist. Hoewel de voorzieningenrechter twijfelt over het spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker, geeft de voorzieningenrechter hem in dit geval het voordeel van de twijfel. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat ter zitting door de gemachtigde van het college naar voren is gebracht dat het zeker nog vier weken kan duren voordat grond beschikbaar is voor de bodemtoepassing op de golfbaan. Dat is afhankelijk van de beschikbaarheid van grond die afkomstig is van andere werken in Noord-Nederland. De gemachtigde van het college kon desgevraagd ter zitting niet verklaren of voor het maken van een uitrit om de golfbaan ter hoogte van hole 4 te kunnen bereiken en het gebruik van rijplaten op de weg Kanaal Oostzijde in Tiendeveen nog vergunningen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Hoogeveen (APV) vereist zijn en zo ja, wanneer deze verleend worden. Onder die omstandigheden en gelet op het feit dat een besluit op de bezwaren van verzoeker op korte termijn niet valt te verwachten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker.
Welk recht is van toepassing?
5. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Omdat het verzoek om handhaving door verzoeker na die datum bij het college is ingediend, is de Ow met de onderliggende regelingen van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht. [1]
Het geschil
6. Tussen partijen is in geschil of het college het verzoek om handhaving van verzoeker terecht buiten behandeling heeft gesteld. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat het bestreden besluit uitsluitend ziet op het buiten behandeling stellen van het handhavingsverzoek van verzoeker, voor zover dit betrekking heeft op de toepassing van licht verontreinigde grond, terwijl de gevraagde voorlopige voorziening ziet op een verbod op het gebruik van de weg Kanaal Oostzijde of het verplichten van een alternatieve route om bij de golfbaan in Tiendeveen te komen. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Is verzoeker aan te merken als belanghebbende bij het verzoek om handhaving?
7. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Abw) omdat hij geen gevolgen van enige betekenis als gevolg van de toepassing van licht verontreinigde grond kan ervaren. Er is sprake van een nog voorgenomen grootschalige bodemtoepassing op circa 300 meter van verzoekers woning. Een bodemverontreiniging ter plaatse van de woning van verzoeker als gevolg van deze toepassingen is volgens het college uitgesloten.
7.1. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uit artikel 1:3, tweede lid, van de Awb volgt dat de weigering van een bestuursorgaan om handhavend op te treden slechts een besluit is als verzoeker als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb kan worden aangemerkt.
7.2.1. Een verzoek om handhaving is slechts een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, indien dit verzoek door een belanghebbende is gedaan. De afwijzing van zo’n verzoek ingediend door een belanghebbende, is vervolgens een besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. [2]
7.2.2. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] volgt dat als uitgangspunt geldt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium “gevolgen van enige betekenis” dat is vermeld in de uitspraak van 16 maart 2016 van de Afdeling [4] , dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. In de uitspraak van 23 augustus 2017 heeft de Afdeling [5] ten aanzien van die belanghebbendheid uitgebreid gemotiveerd dat niet een ieder die een effect van ruimtelijke activiteit verneemt in beginsel ook als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Daartoe is geen grond indien er geen hinder van enige betekenis wordt ondervonden.
7.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan worden geconcludeerd dat verzoeker, gelet op de aard van de door de derde-partij verrichte werkzaamheden aan de golfbaan (grootschalige bodemtoepassing) en de afstand van zijn woning tot de golfbaan op het betreffende perceel, in dit geval als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Verzoeker heeft aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis, met name bestaande uit de meerjarige aanvoer van verontreinigde grond door tractoren en vrachtwagens over de enige toegangsweg naar zijn woning. De aannemer is bovendien voornemens delen van die toegangsweg te bedekken met rijplaten. De voorgenomen werkzaamheden kunnen daarom rechtstreeks gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van het perceel en de woning van verzoeker. Hieruit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker belanghebbende is en dat het college met het bestreden besluit het verzoek om handhaving van verzoeker ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Dit betekent dat de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel komt dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand kan blijven en dat het verzoek om handhaving door het college in behandeling moet worden genomen.
8. Het voorlopige rechtmatigheidsoordeel leidt er echter niet toe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening toewijst. Daartoe wordt het volgende overwogen.
8.1. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag van verzoeker niet inhoudelijk beoordeeld. Uit rechtspraak volgt dat, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, de omvang van het geschil beperkt is wanneer in een besluit geen inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. [6] Dit geldt ook voor het buiten behandeling stellen van een aanvraag, zoals hier aan de orde. De uitkomsten in bezwaar kunnen zijn dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld of dat het college de aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. Deze beperkte omvang van het geschil maakt dat de voorzieningenrechter geen inhoudelijk oordeel kan geven over de vraag of en op welke wijze handhavend dient te worden opgetreden door het college.
8.2. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening om een verbod om gebruik te maken van de weg Kanaal Oostzijde in Tiendeveen of het opleggen van een verplichting om gebruik te maken van de door verzoeker gestelde alternatieve route om bij de golfbaan te komen naar zijn aard niet voorlopig is. Daar komt bij dat het niet aan de voorzieningenrechter is om de opdrachtgever van de grondwerkzaamheden te verbieden om voor de aanvoer van grond gebruik te maken van een openbare weg of dwingend voor te schrijven gebruik te maken van een alternatieve route. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening in een te ver verwijderd verband staat tot het bestreden besluit. Gelet op de voorgaande overwegingen bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. Gelet op de voorgaande overwegingen wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb, bestaat geen aanleiding.
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R. van der Velde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
(…).
Artikel 1:3
Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
(….)
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
(…).
Artikel 5:21
Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
(…).
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 8:1
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
Omgevingswet
Artikel 5.1 Omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet
(…).
2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
(…),
b. een milieubelastende activiteit,
(…),
voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 3.48o Aanwijzing activiteiten
1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het op of in de bodem toepassen van grond of baggerspecie.
(…),
4. In deze paragraaf wordt verstaan onder:
(…),
b.
grond:grond als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel 3.48q Algemene regels
Bij het verrichten van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.48o, wordt voldaan aan de regels over het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in paragraaf 4.124.
Artikel 4.1265 Toepassingsbereik
1. Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam toepassen van grond of baggerspecie.
(…).
Artikel 4.1266 Melding
1. Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 4.1265, te verrichten zonder dit ten minste een week voor het begin ervan te melden.
(…).

Voetnoten

1.Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Vgl. de uitspraak van 21 februari 2018 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2018:590.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 december 2020 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2020:3012.
4.Zie de uitspraak van 16 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:737.
5.Zie de uitspraak van 23 augustus 2017 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2017:2271.
6.Vgl. de uitspraak van 2 maart 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:544.