ECLI:NL:RBNNE:2026:2942

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
26/1691
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. Knuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:21 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bouw woning en bijgebouw

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen heeft verleend aan vergunninghoudster voor de bouw van een woning op een perceel naast dat van verzoeker. Verzoeker vordert schorsing van de vergunning via een voorlopige voorziening omdat het bouwplan volgens hem niet voldoet aan de afstandsgrens van 2,5 meter tot de perceelsgrens.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan is gewijzigd tijdens de bezwaarprocedure en dat de feitelijke bouwtekening afwijkt van de eerder ingediende tekening. Er is een nieuwe bouwtekening van februari 2026 die het project iets opschuift, waardoor een deel van de woning mogelijk op het perceel van verzoeker zou komen. Het college zal een nieuw besluit nemen op basis van deze tekening.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat het bijgebouw architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat het project naar voorlopig oordeel voldoet aan de afstandsregels uit het omgevingsplan. Gezien het spoedeisend belang van verzoeker weegt de rechter de belangen af, maar ziet onvoldoende grond om de vergunning te schorsen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Dit oordeel is voorlopig en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen omdat het project naar voorlopig oordeel voldoet aan het omgevingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1691

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Harkema, verzoeker

(gemachtigde: [naam]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen, het college
(gemachtigde: mr. A.I.J. Pronk).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Veenstra-Kiers vof Timmerwerken,uit Harkema (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. A.J. Spoelstra).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om een voorlopige voorziening in verband met een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. Verzoeker is het niet eens met de verleende vergunning. Hij heeft daartegen beroep ingesteld en voert daartoe een aantal gronden aan. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening door schorsing van de vergunning. De voorzieningenrechter weegt de belangen af van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en die pleiten tegen het treffen daarvan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker woont op [straat] [nummer] in Harkema. Vergunninghoudster is eigenaar van het daarnaast gelegen perceel aan de [straat] [nummer] in Harkema (het perceel). Vergunninghoudster heeft het plan opgevat om op het perceel een woning te bouwen. Daarvoor heeft vergunninghoudster een aanvraag omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit ingediend bij het college (het project).
2.1.
Met het besluit van 6 juni 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor een ‘Bouwactiviteit (omgevingsplan)’.
2.2.
De toenmalige gemachtigde van verzoeker heeft daar een bezwaarschrift tegen ingediend.
2.3.
Omdat bleek dat het vergunde project feitelijk buiten het bouwvlak zou moeten worden geplaatst, heeft vergunninghoudster tijdens de bezwaarfase het college verzocht de omgevingsvergunning te wijzigen. Op de ingediende bouwtekening van 29 september 2025 staat de woning meer in de richting van de achterzijde van het perceel getekend, waardoor het project alsnog binnen het bouwvlak zou kunnen worden gerealiseerd.
2.4.
Met het besluit van 7 oktober 2025 heeft het college de omgevingsvergunning gewijzigd. De gemachtigde van verzoeker heeft het bezwaarschrift vervolgens ingetrokken.
2.5.
Verzoeker heeft vervolgens op 10 november 2025 pro-forma bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de gronden van bezwaar ingediend op 8 december 2025.
2.6.
Met het bestreden besluit van 6 mei 2026 op het bezwaar van verzoeker is het college bij de verleende omgevingsvergunning gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep
ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.7.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Daarbij is een bouwtekening van 17 februari 2026 gevoegd.
2.8.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college, de firmanten van vergunninghoudster (R. Kiers en O. Veenstra), de bouwkundig tekenaar (X.D.D.D. Kwik) en de gemachtigde van vergunninghoudster.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed. Het belang van verzoeker is erin gelegen dat wordt voorkomen dat een onomkeerbare situatie ontstaat doordat op zijn grond wordt gebouwd. Op zitting heeft vergunninghoudster toegelicht op korte termijn te willen aanvangen met de bouw van het project. Gelet op deze belangen neemt de voorzieningenrechter de onverwijlde spoed aan.
3.1.
Als sprake is van spoedeisend belang vergt de beoordeling van een verzoek om een voorlopige voorziening in de regel een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit in beroep. [1]
Het bestreden besluit
4. Het ingestelde beroep richt zicht tegen het bestreden besluit waarin de gewijzigde omgevingsvergunning van 7 oktober 2025 in stand is gebleven. Op zitting is vast komen te staan dat het project zoals dat feitelijk kan worden gerealiseerd afwijkt van de bouwtekening van 29 september 2025 en daarmee de situatie waar in het bestreden besluit vanuit is gegaan. Verzoeker heeft het Kadaster om een grensreconstructie gevraagd. Daar kwam uit dat een deel van het project op het perceel van verzoeker zou worden gerealiseerd. Naar aanleiding daarvan is op 17 februari 2026 een nieuwe bouwtekening gemaakt. Besproken is dat het project daarom circa 25 centimeter in de richting van [straat] [nummer] zal worden verschoven. In het bestreden besluit is echter niet van deze situatie uitgegaan.
4.1.
Gelet op dit gebrek in de besluitvorming is op zitting besproken dat het college hangende het beroep bij deze rechtbank een nieuw besluit zal nemen waarbij de bouwtekening van 17 februari 2026 als uitgangspunt zal worden genomen. Om die reden geeft de voorzieningenrechter geen toepassing aan zijn bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen op het ingestelde beroep. [2]
Is het project in strijd met het omgevingsplan?
5. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de woning aan de kant van nummer 34 niet voldoet aan de vereiste 2,5 meter tot de perceelsgrens. Om te voldoen aan de afstandsgrens aan de kant van nummer 34 moet de woning opschuiven richting het perceel van verzoeker, waarbij de woning op het perceel van verzoeker zou worden gebouwd.
5.1.
De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van verzoeker als volgt. [3] Ter plaatse geldt de ‘Beheersverordening dorpen Achtkarspelen’ als tijdelijk deel van het Omgevingsplan (omgevingsplan). [4] Aan het perceel is de bestemming ‘Woondoeleinden (Wonen)’ toegekend. Op grond van artikel 23.2, onder a, onder 5, van het omgevingsplan bedraagt de afstand van een hoofdgebouw tot de perceelgrens 2,5 meter. Het project voldoet niet aan die afstandseis.
5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat het project aan beide kanten aan de afstandsgrens uit artikel 23.2, onder a, onder 5, van het omgevingsplan voldoet.
5.3.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het project niet in strijd met de afstandseis in het omgevingsplan. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom.
5.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de uitbouw aan de achterzijde van de woning niet behoort tot het hoofdgebouw maar moet worden gezien als bijgebouw. In artikel 1, onder 17, van het omgevingsplan is bijgebouw gedefinieerd als
“een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.”Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bijgebouw wat betreft de uiterlijke verschijningsvorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en daarmee zodoende ook architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Dat het bijgebouw mede zal worden gebruik voor een bad- en slaapkamer doet daar niet aan af. [5]
5.5.
Op basis van de overgelegde tekening bij de aanvraag voor het wijzigingsbesluit van 7 oktober 2025 stelt de voorzieningenrechter vast dat het college kon concluderen dat het hoofdgebouw aan alle zijden voldoet aan de afstandseis tot de perceelsgrenzen. Gebleken is dat daarin evenwel niet van de juiste perceelsgrenzen uitgegaan (zie punt 4). Echter, uit de overgelegde tekening van 17 februari 2026 blijkt dat het beoogde bouwplan ook kan voldoen aan de afstandseis als rekening wordt gehouden met de juiste perceelsgrenzen.
5.6
Gelet op het bovenstaande ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond voor de conclusie dat het project in strijd is met het omgevingsplan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college daarom op grond van artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op hetgeen hiervoor door de voorzieningenrechter is overwogen bestaat er geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:21
1. Het bezwaar of beroep kan schriftelijk worden ingetrokken.
(…)
Artikel 8:69
(…)
2. De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
(…)
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.0a. (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit algemeen)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, wordt, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
(…)
Beheersverordening dorpen Achtkarspelen (Omgevingsplan)
Artikel 1 Begrippen Pro
In deze regels wordt verstaan onder:
17. bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
43. hoofdgebouw:
een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt;
Artikel 23 Woondoeleinden Pro (Wonen)
23.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
(…)
4. een hoofdgebouw dient uitsluitend binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
5. de afstand van niet-aaneen gebouwde zijden van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 2,5 m dan wel ten minste de bestaande afstand indien deze minder is;

Voetnoten

1.Vergelijk de voorlopige voorziening uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:875, r.o. 5.
2.Dit kan op grond van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.De voorzieningenrechter kan grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden ambtshalve aanvullen.
4.Artikel 4.6, eerste lid, onder l, Invoeringswet Omgevingswet.
5.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3724, r.o. 3.1.
6.Vgl. de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5539, r.o. 5.1.