ECLI:NL:RBZWB:2026:5539

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
BRE 26/2698
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 8.0a BklArt. 22.29 OmgevingsplanArt. 22.26 OmgevingsplanArt. 15.2.2 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen omgevingsvergunning voor nokverlenging en dakkapel

De zaak betreft een beroep en verzoek om voorlopige voorziening tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een nokverlenging en dakkapel op een woning. Verzoekster, eigenaar van een naastgelegen woning, betwist de vergunning en voert onder meer aan dat het bouwplan onjuist is gekwalificeerd en niet voldoet aan de technische eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunning is verleend voor de ruimtelijke bouwactiviteit op grond van de Omgevingswet en het toepasselijke omgevingsplan. Het college heeft de vergunning verleend op basis van een limitatief-imperatief stelsel, waarbij alleen wordt getoetst aan het omgevingsplan en redelijke eisen van welstand, en niet aan het Bbl, omdat geen omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is aangevraagd.

Verzoekster's bezwaren richten zich op de technische bouwactiviteit, waarvoor geen vergunning is verleend en die niet onderwerp is van het bestreden besluit. De voorzieningenrechter oordeelt dat het beroep daarom ongegrond is en dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen. De omgevingsvergunning blijft in stand en verzoekster krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/2698 en 26/2699
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door het college aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een nokverlenging - dakkapel op de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] . Verzoekster is het niet eens met de verlening van die vergunning. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Onder meer aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de verlening van de omgevingsvergunning.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Vergunninghouder woont aan de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: het perceel).
2.1.
Op 11 januari 2026 heeft vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van een nokverlenging - dakkapel op de woning op het perceel. De projectomschrijving in de aanvraag luidt: “
Het verlengen van de nok aan de achter zijde zoals aangegeven op tekening. + het plaatsen van een dakkapel aan de voor zijde volgens tekening”.
2.2.
Met het besluit van 14 januari 2026 (primair besluit) heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De vergunning is verleend voor de activiteit: bouwen (omgevingsplan), dus voor de ruimtelijke bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet (Ow).
Het college baseert de verlening van de omgevingsvergunning op de overwegingen dat het bouwplan voldoet aan de regels van het omgevingsplan en aan redelijke eisen van welstand.
2.3.
Verzoekster is eigenaar van de naastgelegen woning aan de [adres 2] in [woonplaats] . Zij woont elders in [woonplaats] . Zij heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
2.4.
Met het besluit van 14 april 2026 (bestreden besluit) heeft het college [1] de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard en de verlening van de omgevingsvergunning gehandhaafd. Daartoe heeft het college overwogen dat op de aanvraag het limitatief-imperatief stelsel van toepassing is. Dat houdt in dat het college de gevraagde vergunning moet verlenen als geen van de wettelijke weigeringsgronden zich voordoet. Hiervoor is getoetst aan de relevante bepalingen uit het omgevingsplan en de criteria over redelijke eisen van welstand/omgevingskwaliteit. Het college stelt dat het bouwplan in overeenstemming is met het omgevingsplan en dat geen weigeringsgronden van toepassing zijn. Daarom is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat het college geen beleidsvrijheid heeft om een belangenafweging te maken en verplicht was de vergunning te verlenen.
2.5.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en haar broer [persoon 1] , en namens het college [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] . Vergunninghouder en zijn echtgenote [persoon 2] waren ook bij de zitting aanwezig.
2.7.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekster daartegen. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3]
3.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoekster vreest dat er onherstelbare schade en een onveilige situatie zal ontstaan als er al gestart wordt met de bouwwerkzaamheden, omdat er volgens haar geen deugdelijke constructieberekening is gedaan.
Beroepsgronden
4. Verzoekster heeft aangevoerd dat sprake is van een onjuiste kwalificatie van het bouwwerk, omdat feitelijk sprake is van een dakopbouw. Daarom zou het bouwplan getoetst moeten worden aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Volgens verzoekster is het bouwplan in strijd met de daarin opgenomen constructieve eisen, omdat de oorspronkelijke constructie uit 1957 niet geschikt is voor een verblijfsruimte. Op de tekening staat ‘onbenoemde ruimte’, terwijl sprake is van een verblijfsruimte. Ook is de brandveiligheid volgens verzoekster onvoldoende onderzocht. Zij meent dat de aanvraag van vergunninghouder onvolledig is en dat daardoor geen goede beoordeling van die aanvraag heeft kunnen plaatsvinden. Dat het college achteraf heeft getoetst of het bouwplan voldoet aan de technische voorschriften van het Bbl, kan het gebrek niet herstellen, omdat daarbij is uitgegaan van feitelijk onjuiste constructieve gegevens, zo stelt verzoekster.
Toetsingskader
5. Het bestreden besluit is tot stand gekomen op basis van de Ow. Op 1 januari 2024 zijn de Ow en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. De aanvraag is ingediend op 11 januari 2026. Dit betekent dat de Ow van toepassing is.
5.1.
Uit artikel 8.0a, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in samenhang met artikel 22.29, eerste lid van het Omgevingsplan gemeente Halderberge (hierna: Omgevingsplan) volgt dat de omgevingsvergunning voor het verrichten van een bouwactiviteit alleen wordt verleend als:
de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen;
het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
5.2.
Het perceel ligt in het gebied waarop het voormalige bestemmingsplan ‘Kom [woonplaats] ’ (hierna: bestemmingsplan) van toepassing is. Het bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Het perceel heeft volgens het bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. In artikel 15.2.2 van het bestemmingsplan staan de eisen waaraan hoofdgebouwen moeten voldoen.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor een omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Ow in samenhang met artikel 22.26 van het Omgevingsplan. Zoals is besproken onder overweging 5.1 van deze uitspraak, staat het beoordelingskader in artikel 22.29 van het Omgevingsplan. Deze bepaling kent een limitatief-imperatief stelsel. Dit betekent dat het college alleen beoordeelt of sprake is van één van de in dat artikel opgesomde weigeringsgronden. Het standpunt van het college is dus juist dat niet getoetst hoeft te worden aan het Bbl, wat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit wel het geval is.
6.1.
Op zitting heeft verzoekster bevestigd dat haar gronden zich niet richten tegen het standpunt van het college dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan en niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verzoekster maakt zich zorgen over aspecten die met de technische bouwactiviteit te maken hebben. Zij is bang voor onveilige situaties en schade aan haar woning door fouten in de constructieberekeningen. Een aanvraag voor de technische bouwactiviteit is echter door vergunninghouder niet aangevraagd, en door het college dus ook niet verleend of geweigerd. [4] Over de technische bouwactiviteit is dus geen besluit genomen dat door de voorzieningenrechter getoetst kan worden. Het uitgangspunt van onlosmakelijke samenhang tussen de ruimtelijke en de technische bouwactiviteit heeft de wetgever met de invoering van de Ow bewust verlaten. De voorzieningenrechter kan in deze zaak dus alleen oordelen over de verleende omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit. Nu tussen partijen niet in geschil is dat bij die activiteit zich geen van de weigeringsgronden voordoet, was het college gehouden om de gevraagde omgevingsvergunning voor de ruimtelijke bouwactiviteit aan vergunninghouder te verlenen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten, voor zover al gemaakt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 23 juni 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Op basis van advies van de Vaste Commissie van Advies voor de Bezwaarschriften van de gemeente Halderberge.
2.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Artikel 8:81 van Pro de Awb.
4.Ter informatie wijst de voorzieningenrechter erop dat het college in het bestreden besluit heeft opgemerkt dat de technische bouwactiviteit niet vergunningplichtig is op grond van artikel 2.27, tweede lid, onder a van het Bbl.