ECLI:NL:RBNNE:2026:2612

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/1758
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 4:2 AwbArt. 4:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering wegens onvoldoende gegevensverstrekking

Verzoeker diende op 22 januari 2026 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering, die door het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden op 4 maart 2026 werd afgewezen wegens onvoldoende verstrekte informatie. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening, die op 13 april 2026 werd afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

Na meerdere verzoeken om aanvullende gegevens, waaronder bankafschriften, overzichten van gokaccounts en verklaringen over stortingen, leverde verzoeker niet de volledige gevraagde informatie aan. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen volledig inzicht gaf in zijn financiële situatie, met name met betrekking tot zijn gokaccounts en stortingen van derden, en dat hij geen deugdelijke verklaringen had verstrekt.

De voorzieningenrechter stelde vast dat het college op goede gronden de aanvraag had afgewezen omdat verzoeker niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht. Hoewel er sprake was van een spoedeisend belang vanwege huurachterstand, was er onvoldoende aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening bij de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende gegevensverstrekking.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1758
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam uit woonplaats] , verzoeker,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college
(gemachtigde: S. de Jong).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft op 22 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering. Op 6 februari 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en overzichten van vermogen, schulden en inkomens. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend. Op 3 maart 2026 heeft er een intakegesprek plaatsgevonden.
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 4 maart 2026 afgewezen. Hiertoe heeft het college overwogen dat verzoeker onvoldoende informatie heeft verstrekt om zijn recht op bijstand vast te kunnen stellen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.2.
Op 30 maart 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om de voorlopige voorziening te treffen. Deze voorlopige voorziening is bij de rechtbank geregistreerd onder het nummer LEE 26/1077. Bij uitspraak van 13 april 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang nu het college over de maand april 2026 een voorschot heeft toegekend.
2.3.
Op 8 april 2026 heeft het college verzoeker gevraagd om aanvullende gegevens zodat de aanvraag kan worden beoordeeld. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om bankafschriften en transactie-overzichten van zijn gokaccounts over de periode van 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Daarnaast heeft het college verzocht om overzichten van zijn vermogen, schulden, inkomens en cryptocoins. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.
2.4.
Op 20 april 2026 heeft het college verzoeker (nogmaals) gevraagd om aanvullende gegevens. Hierbij heeft het college onder andere gevraagd om speel- en transactie- overzichten van al zijn gokaccounts / wallets over de periode 22 oktober 2025 tot en met 8 april 2026. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verzoeker nadere stukken ingediend.
2.5.
Op 5 juni 2026 heeft verzoeker een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Bij e-mailbericht van eveneens 5 juni 2026 heeft het college aan verzoeker verzocht om de volgende -nog ontbrekende- gegevens te overleggen:
  • afschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Privalgo LTD;
  • afschriften van de transacties die hebben plaatsgevonden op de rekening van Inpay A/S;
  • een uitdraai van zijn wallet bij Instant Casino;
  • een overzicht van zijn wallet bij Coin Casino;
  • een verifieerbare verklaring van de stortingen op uw ING-rekening op 4, 5, 6,10 en 26 februari 2026 en op 4, 6 en 7 maart 2026. Denk daarbij aan een ondertekende verklaring van de gever met daarop vermeld het bedrag, datum en doel waarvoor het gegeven is. En of er een verplichting is tot terugbetaling.
Hierbij heeft het college verzoeker verzocht deze gegevens uiterlijk 12 juni 2026 te overleggen.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
3.1.
Gelet op de aard van de bijstandsuitkering als vangnet en de stukken die verzoeker heeft overgelegd ten aanzien van de achterstand van de betaling van zijn huur ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk behandelen.
Kan het verzoek worden toegewezen?
4. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.
4.1.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstand behoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandsverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. [1] In beginsel worden afschriften over de laatste drie maanden opgevraagd. Indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, kan het bijstandverlenend orgaan in het kader van dat onderzoek zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften en andere financiële gegevens van een betrokkene over een verder in het verleden liggende periode. [2]
4.2.
Indien een belanghebbende bij een aanvraag onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, moet aan de belanghebbende schriftelijk een termijn worden gegeven om de gevraagde gegevens aan te vullen. Dit wordt de hersteltermijn genoemd. De hersteltermijn moet zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en documenten. De lengte van de termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan te leveren. [3]
5. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college op goede gronden tot een afwijzing van de aanvraag is gekomen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.1.
Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften en overige gegevens komt een aaneenschakeling van bij- en afschrijvingen naar voren. Het college heeft verzoeker meerdere keren gevraagd om verifieerbare verklaringen te overleggen met betrekking tot de stortingen op zijn bankrekening en om (transactie)overzichten van zijn gokaccounts en betaalproviders. Naar aanleiding van deze verschillende verzoeken van het college heeft verzoeker weliswaar gegevens verstrekt, maar heeft verzoeker naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen volledig inzicht in zijn gokaccounts gegeven en heeft verzoeker ook geen deugdelijke verklaring voor de vele stortingen dan wel bijschrijvingen gegeven.
5.2.
Voor zover verzoeker heeft aangegeven dat hij voor wat betreft de gokaccounts niet over meer informatie beschikt omdat deze accounts zijn beëindigd en hij hier geen toegang meer toe heeft, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [4] is het bij onlinegokken, anders dan bij een bezoek aan een gokinstelling, in beginsel wèl mogelijk om een verifieerbare administratie of boekhouding te verstrekken waarin is opgenomen welke bedragen bij welk gokspel zijn ingezet, welk bedrag per speelbeurt is gewonnen en of de ontvangen bedragen eventueel weer opnieuw zijn ingezet en, zo ja, in hoeverre bij welk gokspel. Bij online gokken worden namelijk al deze gebeurtenissen geregistreerd in de gokaccounts van de betrokkene. Bij online gokken kan de betrokkene dus gegevens verstrekken aan de hand waarvan het mogelijk is om de gokopbrengsten, en daarmee ook het recht op bijstand, vast te stellen. Dat de gokaccounts inmiddels zouden zijn beëindigd en verzoeker hierdoor geen toegang meer heeft tot genoemde gegevens komt voor zijn rekening en risico, nu verzoeker de gokaccounts -althans naar zijn zeggen- zelf heeft beëindigd zonder eerst de mutatiegegevens veilig te stellen.
Daarnaast heeft verzoeker ter zitting weliswaar aangegeven dat hij heeft geprobeerd om (alsnog) aan de desbetreffende overzichten te komen door via de mail contact op te nemen met verschillende helpdesks, maar van dit door verzoeker ter zitting ingenomen standpunt heeft de voorzieningenrechter geen enkele onderbouwing gezien. Datzelfde geldt overigens voor de gestelde beëindigingen dan wel het afsluiten van gokaccounts an sich door verzoeker.
5.3.
Met betrekking tot de bijschrijvingen door derden op zijn bankrekeningen overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker hiervoor geen deugdelijke verklaring heeft gegeven. Verzoeker heeft gesteld dat dit stortingen zijn van vrienden die zijn gokaccounts gebruikten en dat hij inmiddels met deze mensen geen contact meer heeft. Ook voor dit door verzoeker ingenomen standpunt overweegt de voorzieningenrechter dat verzoeker dit niet heeft onderbouwd met controleerbare en verifieerbare gegevens.
6. Gelet op het bovenstaande heeft het college, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvraag kunnen afwijzen. Verzoeker heeft als aanvrager van bijstand de plicht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en medewerking te verlenen aan het onderzoek van het college. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verzoeker hierin niet in geslaagd. Het college heeft daarom onvoldoende informatie om vast te stellen of verzoeker op het moment van de aanvraag in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde. Deze informatie heeft verzoeker ook in het kader van de onderhavige procedure niet aangeleverd. Dit kan alsnog in de bezwaarprocedure of in het kader van een nieuwe aanvraag, maar op dit moment zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt en dat er dus geen voorlopige voorziening zal worden getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1896.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1955.
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591.
4.Zie onder de meer de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 6 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:760.