ECLI:NL:RBNNE:2026:2352

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/1603
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.1.1 WlzArt. 3.3.2 WlzArt. 3.3.3 WlzArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

De rechtbank vernietigt besluit over aftrek uren huishoudelijke hulp vanwege Wlz-indicatie zoon

Eiseres maakte bezwaar tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden waarin 2 uur per week werd afgetrokken van haar indicatie voor huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van haar zoon. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom deze aftrek gerechtvaardigd was en gaf het college de gelegenheid dit te herstellen.

Het college diende een aanvullende motivering in, waarin het verwees naar artikelen uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en stelde dat de Wlz-indicatie ook huishoudelijke hulp omvat die niet door de zoon zelf kan worden uitgevoerd. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat de motivering onvoldoende specifiek was en geen rekening hield met haar situatie en de inzet van het persoonsgebonden budget (pgb) door haar zoon.

De rechtbank oordeelde dat de aanvullende motivering nog steeds onvoldoende was om de aftrek van 2 uur te rechtvaardigen. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het deze aftrek betrof en beval het college binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Voor het overige werd het besluit bevestigd. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het beroep is deels gegrond; het besluit wordt vernietigd voor de aftrek van 2 uur huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van de zoon.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1603

einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. K. Wevers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden, het college
(gemachtigde: mr. C. Slingerland).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de verlaging van de urenomvang van de huishoudelijke hulp en wasverzorging op grond van de Wmo 2015. Eiseres is het daar niet mee eens en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom 2 uur is afgetrokken van de totale omvang van de huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres. Eiseres krijgt op dat punt gelijk en het beroep is daarom gegrond. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college met toepassing van het HHM Normenkader 2019 en het CIZ-protocol wel een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie heeft geboden wat betreft de resultaten schoon en leefbaar huis en wasverzorging. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Inleiding en procesverloop

1. Voor een weergave van wat onder inleiding en procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 29 januari 2026, [1] verzonden op 3 februari 2026, is opgenomen verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak. De rechtbank voegt daaraan toe dat het college op de zitting heeft aangegeven dat de indicatie huishoudelijke hulp, inclusief wasverzorging, administratief is verlengd tot 5 april 2026 voor 3 uur en 35 minuten per week.
1.1.
In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit van
31 maart 2025 te herstellen.
1.2.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 11 februari 2026 een aanvullende motivering op het bestreden besluit ingediend. Eiseres heeft hierop bij e-mail van 10 maart 2026 een schriftelijke reactie gegeven.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 3 juni 2026 gesloten en meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De voorgeschiedenis in deze zaak, de inhoud van het primaire besluit en het besluit op bezwaar, het wettelijk kader en het beoordelingskader, de gronden van beroep en het verweer zijn weergegeven in de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat het college in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp op grond van artikel 3.1.1 van de Wlz [2] mogelijk is. Uit de tekst van deze bepaling kan niet worden afgeleid, anders dan waar het college van uitgaat, dat de aftrek van 2 uur op de omvang van de huishoudelijke hulp vanwege de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres toegestaan is. Het is van belang om te weten of artikel 3.1.1 van de Wlz de juiste wettelijke grondslag is voor de aftrek van 2 uur. Het is aan het college om nader te motiveren of de aftrek van 2 uur wel kan worden gebaseerd op artikel 3.1.1 van de Wlz. Dat heeft het college niet – ook niet met de op de zitting gegeven uitleg – voldoende gedaan. Dit levert een gebrek in de besluitvorming op.
2.2.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen met óf een aanvullende motivering, óf met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
Herstelpoging
3. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Hierin overweegt het college, met verwijzing naar de wettelijke grondslagen [3] en de Rlz [4] , dat de Wlz is bedoeld voor volledige ondersteuning van een Wlz-gerechtigde, ook als die thuis woont. Daarom zit hier ook huishoudelijke hulp bij, omdat de Wlz-gerechtigde dat niet zelf kan doen. Verder staat in artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz uitdrukkelijk dat bij een pgb, in aanvulling op artikel 3.1.1, niet alleen het schoonmaken van de woning, maar ook andere huishoudelijke hulp dan het schoonhouden van de woonruimte van de verzekerde onder het pgb valt. Daarbij wijst het college erop dat de commissie [5] in haar advies van 24 maart 2025 heeft overwogen dat het bij het Wlz pgb geldbedrag zeker niet alleen gaat om het schoonhouden van de kamer van de zoon, maar dat het geldbedrag ook bedoeld is voor zijn aandeel in het huishouden. Het college blijft bij zijn standpunt dat de aftrek van 2 uur per week van de omvang van de aan eiseres toegekende huishoudelijke hulp juist is.
4. Eiseres voert in reactie op de aanvullende motivering aan dat de reactie van het college en de bijlage over de Wlz niet specifiek is opgesteld voor de situatie waarin eiseres zich bevindt. Het gaat om de vraag of eiseres, die zelf geen Wlz-indicatie heeft, gekort mag worden op haar indicatie op grond van de Wmo 2015, [6] omdat haar inwonende zoon een Wlz-indicatie heeft dan wel of de huishoudelijke hulp vanuit de Wlz ook ziet op andere personen. Dat kan eiseres uit de door het college aangeleverde documentatie niet opmaken. Daarnaast is de tijd voor de maaltijden alleen al 3,5 uur per week (7 dagen x 30 minuten), waardoor er geen tijd meer overblijft voor de schoonmaakwerkzaamheden vanuit de Wlz-indicatie. Vanuit de Wlz bestaat de keuze en mogelijkheid om het pgb [7] naar eigen inzicht in te zetten. Als de zoon vanuit het Wlz-budget er voor kiest om de maaltijden te laten verzorgen, kan er geen aftrek plaatsvinden van de schoonmaaktijd, omdat de uren aan huishoudelijke hulp vanuit de Wlz dan al ruim overschreden zijn. Hier lijkt het college ook geen rekening mee te houden.
Heeft het college het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek hersteld?
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het college het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek heeft hersteld met de aanvullende motivering van 11 februari 2026.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van het college over de aftrek van
2 uur van de totale omvang van de indicatie huishoudelijke hulp, inclusief wasverzorging, vanwege de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres, nog steeds onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. Uit de verwijzing van het college naar de artikelen 3.1.1, 3.3.2, eerste lid, onder b, en artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz, kan niet worden opgemaakt dat eiseres 2 uur per week mag worden gekort op de omvang van de indicatie huishoudelijk hulp in verband met de Wlz-indicatie van haar zoon. Hoewel in artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz staat dat bij een pgb niet alleen het schoonmaken van de woning, maar ook andere huishoudelijke hulp dan het schoonmaken van de woonruimte van de verzekerde onder het pgb valt, kan hieruit niet worden afgeleid dat de aftrek van 2 uur per week mogelijk is. Daarbij komt dat de Wlz-indicatie aan de zoon van eiseres is toegekend. Hoewel de rechtbank begrijpt dat in de Wlz-indicatie van de zoon ook uren zitten die kunnen worden ingezet voor het schoonmaken van de woning, heeft het college onvoldoende inzichtelijk weten te maken waarom een aftrek van 2 uur per week mogelijk is. Zoals de gemachtigde van eiser terecht heeft gesteld, bestaat op grond van de Wlz de keuze en mogelijkheid om het pgb naar eigen inzicht in te zetten. De door het college gegeven uitleg over de aftrek van 2 uur en het Wlz-bedrag van € 4.702,-, maakt het ook niet anders. Die (algemene) uitleg van het college houdt namelijk geen rekening met de specifieke situatie van eiseres en haar zoon. Dat geldt evenzeer voor de verwijzing van het college naar het antwoord van de adviseur van het Juiste Loket over huishoudelijke zorg. Dit geldt te meer, omdat deze adviseur in haar e-mail schrijft dat als de huishoudelijke hulp nodig is in verband met de beperking van het kind (vaker het bed verschonen, bijvoorbeeld) de inkoop van huishoudelijke hulp zal worden goedgekeurd. De rechtbank volgt wat de gemachtigde van eiseres in zijn hiervoor onder 4 weergegeven reactie heeft gesteld.
5.2.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat het college nog steeds niet inzichtelijk heeft weten te maken waarom 2 uur per week kan worden afgetrokken van de omvang van de aan eiseres toegekende indicatie huishoudelijke hulp. De beroepsgrond slaagt in zoverre.
Beoordeling van de overige beroepsgronden6. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het college meer tijd per week dan de drie uur en 35 minuten per week aan eiseres had moeten toekennen voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden, inclusief wasverzorging. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiseres, die hierna zullen worden besproken.
Het onderzoek van het college7. Wmo-consulenten van het college hebben na een op 1 februari 2024 ontvangen melding onderzoek gedaan naar de ondersteuningsbehoefte van eiseres. Voor dit onderzoek is er op 9 februari 2024 bij eiseres een huisbezoek afgelegd. Daarbij is onderzocht wat de hulpvraag is van eiseres, welke beperkingen zij ervaart en welke en hoeveel hulp zij nodig heeft. De onderzoeksbevindingen staan in het herziene verslag van 1 maart 2024. Daarna heeft de verzekeringsarts van Argonaut onderzoek gedaan en in dat kader op 27 mei 2024 een huisbezoek bij eiseres afgelegd. De verzekeringsarts heeft in haar medisch advies van 12 augustus 2024 geconcludeerd dat eiseres ernstig beperkt is bij lichamelijk zwaar belastende huishoudelijke taken en huishoudelijke taken waarin in belastende houdingen gewerkt moet worden. Zij stelt verder vast dat eiseres wel belastbaar is om gedoseerd lichamelijk licht belastende werkzaamheden over de dag en week uit te voeren. De Wmo-consulenten hebben vervolgens in het onderzoeksverslag Wmo van 12 september 2024, nadat zij op die dag een huisbezoek bij eiseres hebben afgelegd, vastgesteld dat 1 uur en
25 minuten per week [8] kan worden ingezet voor een schoon en leefbaar huis en 2 uur per week voor de wasverzorging. [9] De totale indicatie voor zowel een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging is door het college dus vastgesteld op 3 uur en 25 minuten per week.
7.1.
Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de Wmo-consulenten in het kader van hun onderzoek het stappenplan – dat volgt uit vaste rechtspraak van de Raad [10] – hebben gevolgd. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Het college heeft zorgvuldig onderzocht wat eiseres nodig had aan huishoudelijke hulp en wasverzorging in de afbouwperiode van 6 januari 2025 tot en met 5 oktober 2025. Eiseres had tot uiterlijk
27 april 2025 een indicatie voor 5 uur per week en vanaf 28 april 2025 tot 5 oktober 2025 een indicatie voor 3 uur en 35 minuten per week. Dat is de periode die de rechtbank in deze zaak moet beoordelen.
HHM-Normenkader [11]
8. De rechtbank stelt voorop dat de Raad al meerdere keren heeft geoordeeld dat het HHM Normenkader 2019, voor zover dat ziet op het resultaat schoon en leefbaar huis, zowel ten aanzien van de in het normenkader opgenomen basismodule als ten aanzien van de verschillende invloedsfactoren voor meer of minder inzet, mag worden gebruikt als uitgangspunt bij het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp. [12] Eiseres kan niet worden gevolgd in haar stelling dat niet mag worden uitgegaan van het HHM Normenkader 2019 als er geen professionele hulp is. Professionele hulp is niet een voorwaarde om toepassing te kunnen geven aan het HHM Normenkader 2019.
8.1.
Het college heeft de (omvang van de) maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp, inclusief wasverzorging, vastgesteld op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2017 (de Verordening), waarin is opgenomen dat de normtijden thuishulp van het HHM Normenkader 2019 van toepassing zijn. [13] Dit is uitgewerkt in de Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2019 (Nadere Regels). Het college heeft de urenomvang van de indicatie voor een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging van 3 uur en 35 minuten per week over de periode van 28 april 2025 tot en met 5 oktober 2025 aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd.
Versnipperde normtijden9. Eiseres voert aan dat het college het HHM Normenkader 2019 als losse minutennormen heeft toegepast en niet als basismodule. Dit is in strijd met vaste rechtspraak van de Raad. [14] De werkwijze van het college is volgens eiseres niet rechtmatig en het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. [15] Op de zitting heeft (de gemachtigde van) eiseres toegelicht dat het HHM Normenkader 2019 niet een op een is toegepast door het college en dat er in het onderzoeksverslag Wmo verschillende tijden per onderdeel zijn toegekend.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is niet gebleken dat het college het HHM Normenkader 2019 anders heeft gebruikt dan als basismodule uit het normenkader. De Wmo-consulente van het college heeft op de zitting toegelicht dat het HHM Normenkader 2019 volledig is toegepast, dat de normtijden zijn overgenomen en dat er een stukje extra aan eiseres is toegekend. Daarbij heeft zij opgemerkt dat is gekeken naar de onderdelen en de extra componenten waarvoor normaal gesproken geen tijd zou worden toegekend, zoals de hobbykamer en de waskamer. De rechtbank volgt de Wmo-consulente hierin. Hoewel in het onderzoeksverslag Wmo van 12 september 2024 is opgenomen hoe de indicatie voor een schoon en leefbaar huis per onderdeel is opgebouwd, is daarin het totaal aantal uren en minuten door het college in overeenstemming met het HHM Normenkader 2019 berekend. Anders dan eiseres aanvoert, is het bestreden besluit op het onderdeel van de normtijden niet in strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.
Schoon en leefbaar huis – maatwerk10. Eiseres voert aan dat het college te weinig tijd heeft toegekend voor het resultaatgebied ‘een schoon en leefbaar huis’. Door het gebruik van het HHM Normenkader 2019 heeft het college de realiteit uit het oog verloren en geen maatwerk geleverd. Het college had in verband met de beperkingen van eiseres extra tijd moeten toekennen voor het opruimen van de woning.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het HHM Normenkader 2019 voorziet in een basismodule in uren/minuten per jaar voor het resultaat schoon en leefbaar huis. In dat normenkader staan verschillende invloedsfactoren benoemd, die maken dat inzet van meer of minder ondersteuningstijd nodig is. [16] De rechtbank is van oordeel dat het college op grond van de bevindingen uit zijn onderzoek terecht heeft geconcludeerd dat eiseres met de toegekende tijd voor huishoudelijke hulp in de te beoordelen periode [17] voldoende is gecompenseerd. Het college heeft daarbij in voldoende mate rekening gehouden met de specifieke situatie van eiseres, zoals haar chronische aandoeningen en de gezinssituatie. Dit blijkt ook uit het onderzoeksverslag Wmo en het daarin genoemde medisch advies van Argonaut van 12 augustus 2024. De stelling van eiseres dat het college geen maatwerk heeft geleverd, kan niet worden gevolgd. Eiseres heeft haar stelling dat de toegekende tijd voor het opruimen en schoonmaken van de woning onvoldoende is om haar te compenseren niet met objectieve (medische) gegevens onderbouwd.
Extra inzet in verband met COPD en allergie11. Eiseres voert verder aan dat extra inzet in verband met COPD/allergie toegekend had moeten worden. De 30 minuten per week die daarvoor door het college zijn toegekend, zijn veel te weinig. Volgens eiseres is een tweede zorgmoment nodig, ook vanwege het knoeien. Zij wijst er in dit verband op dat in het HHM Normenkader 2019 voor het knoeien
60 minuten per week staat.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit bijlage 1 van het HHM Normenkader 2019 volgt dat enige extra inzet of veel extra inzet (30 of 60 minuten) moeten worden geïndiceerd als sprake is van beperkingen of belemmeringen van de cliënt, die maken dat extra goed of extra vaak moet worden schoongemaakt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toegekende 30 minuten per week niet genoeg zijn om de woning schoon te houden. Eiseres stelt wel dat een tweede zorgmoment nodig is, maar zij heeft daarvoor geen enkele medische onderbouwing gegeven. Dat eiseres op de zitting heeft gesteld dat zij last heeft van bronchitis en dat haar echtgenoot en zoon last hebben van huisstofmijt, betekent niet dat het college meer tijd had moeten toekennen voor extra inzet. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college bij de toegekende tijd voor het schoonmaken van de woning rekening heeft gehouden met de COPD/allergie van eiseres. Op grond daarvan heeft het college kunnen volstaan met 30 minuten per week voor extra inzet tijd in verband met COPD/allergie.
Regievoering
12. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, hoefde het college geen tijd toe te kennen voor regievoering. Uit Bijlage 1 van het HHM Normenkader 2019 volgt dat van hulpen mag worden verwacht, dat zij zelfstandig hun werkzaamheden kunnen plannen en uitvoeren. Dat eiseres op de zitting heeft gesteld dat zij de hulp moet instrueren omdat de hulp niet weet wat zij moet doen, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiseres op de zitting dat de hulp zelfstandig moet kunnen werken, betekent niet dat het college tijd had moeten toekennen voor regievoering. Bovendien heeft de Wmo-consulente op de zitting gezegd dat uit het medisch advies van Argonaut blijkt dat de echtgenoot van eiseres regie kan voeren en dat aan haar een opruimcoach is voorgesteld. Eiseres heeft hierover op de zitting aangegeven dat zij (nog) niet toe was aan een opruimcoach en dat zij ook niet wist hoe dat moest worden geregeld. Het college heeft daarom geen minuten hoeven toe te kennen voor het voeren van regie. Indien eiseres alsnog gebruik zou willen maken van een opruimcoach, kan zij zich daarvoor wenden tot het college.
Wasverzorging
13. Eiseres voert aan dat zij structureel meer dan vijf wasbeurten per week nodig heeft, inclusief voor de was haar zoon. De door het college daarvoor toegekende tijd van 2 uur per week is in de praktijk ontoereikend. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het wasgoed naar een wasserette is gebracht en dat zij geen bewijs heeft dat er meer wasbeurten nodig zijn dan dat het college haar heeft toegekend.
13.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang. Het college heeft de geïndiceerde tijd voor het doen van de was gebaseerd op het CIZ-protocol [18] en het advies van de verzekeringsarts van Argonaut van 12 augustus 2024. Op grond daarvan heeft het college eiseres 2 uur per week toegekend voor het doen van de was. [19] Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat – in afwijking van het advies van Argonaut – meer tijd per week nodig is voor het doen van de was. Dat eiseres op de zitting heeft gesteld dat zes wasbeurten per week nodig zijn en dat iedere week het beddengoed moet worden gedaan, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. In dit verband is van belang dat eiseres op de zitting heeft gezegd dat zij geen bewijs heeft dat meer tijd per week nodig is voor het doen van de was. Het college heeft daarom geen extra tijd hoeven toe te kennen voor de wasverzorging. Wat eiseres in aanvulling over de wasverzorging heeft aangevoerd, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel.
Evenredigheidsbeginsel
14. Eiseres voert aan dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden. Het college heeft geen belangenafweging gemaakt als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De psychische en fysieke gevolgen van procedures en afwijzingen voor eiseres zijn door het college genegeerd. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat het college bij zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met de (gezins)situatie.
14.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Bij het nemen van het besluit moet dus een belangenafweging plaatsvinden en de uitkomst daarvan moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft in het verweerschrift gesteld dat hij begrip heeft voor de situatie, dat de belangen van eiseres zorgvuldig zijn afgewogen en dat er geen onevenredig nadelige gevolgen zijn voor eiseres en haar echtgenoot. De rechtbank volgt het college hierin. De stelling van eiseres dat het college in de besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de gezinssituatie, volgt de rechtbank – gelet op wat hiervoor onder 10.1 is overwogen – niet.
15. De door eiseres in beroep ingebrachte medische adviezen van de verzekeringsarts van Argonaut van 6 oktober 2025, laat de rechtbank buiten beschouwing. Dit geldt ook voor de door eiseres in haar aanvulling genoemde nieuwe omstandigheden omdat deze geen onderdeel uitmaken van het geding. Hierbij is van belang dat het college op de zitting heeft aangegeven dat het onderzoek naar de situatie van eiseres (en haar echtgenoot) nog plaats dient te vinden. In dit verband heeft zij gesteld dat eerst een huisbezoek bij eiseres dient te worden afgelegd om de medische adviezen van Argonaut te bespreken, waarbij het van belang is om te weten wat er precies in de thuissituatie van eiseres speelt.
16. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting gesteld dat op de website overheid.nl nog steeds de beleidsregels staan die in 2015 zijn ingegaan. Het gaat daarbij om de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning De Wolden 2019, met een verwijzing naar het HHM Normenkader 2019. Als die Nadere regels nooit zijn ingetrokken, dan heeft het college een onjuist wettelijk kader gebruikt.
16.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang. De gemachtigde van het college heeft op de zitting gesteld dat in het verweerschrift van
31 januari 2025 aan de commissie de juiste regelgeving is opgenomen. Het gaat om de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2017, geldend vanaf 1 januari 2024, en de Nadere Regels maatschappelijke ondersteuning 2019. De commissie heeft in haar advies van 24 maart 2025 ook naar die regelgeving verwezen. Verder is van belang dat de commissie heeft overwogen dat bij het bepalen van de omvang van de toegekende uren huishoudelijke hulp gebruik is gemaakt van het HHM Normenkader 2019. De stelling van eiseres dat op de website nog de oude beleidsregels staan, maakt het – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet anders. Uitgegaan dient te worden van de regelgeving waarnaar het college heeft verwezen in het verweerschrift. Het had eiseres voldoende duidelijk kunnen zijn op welke regelgeving het college zich bij de besluitvorming heeft gebaseerd. De beroepsgrond van eiseres dat het college de verkeerde nadere regels heeft gehanteerd, slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. Uit 5 tot en met 5.2 volgt dat het beroep deels gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college daarbij 2 uur in mindering heeft gebracht op de omvang van de indicatie huishoudelijke hulp. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met het motiveringsbeginsel van artikel 3:2 en Pro artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen reden om zelf een beslissing te nemen. Zij bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college krijgt hiervoor een termijn van zes weken.
18. Uit 7 tot en met 16.1 volgt dat het beroep verder niet slaagt. De rechtbank zal het bestreden besluit voor het overige dus bevestigen.
19. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten in beroep. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt) en een schriftelijke reactie gegeven op de aanvullende motivering van het college (0,5 punt). Aan proceskosten in beroep is het college dan ook een bedrag verschuldigd van € 2.335,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 31 maart 2025 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij 2 uur in mindering is gebracht op de omvang van de indicatie huishoudelijke hulp;
- draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.335,-.
- bepaalt dat het college aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Broere, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Wet langdurige zorg (Wlz)
3.Het college verwijst naar artikel 3.1.1 van de Wlz in verbinding met artikel 3.3.2, eerste lid, onder b, en artikel 3.3.3, eerste lid, van de Wlz.
4.Regeling langdurige zorg.
5.Bezwaarschriftencommissie De Wolden.
6.Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
7.Persoonsgebonden budget.
8.Op de indicatie huishoudelijke hulp voor 3 uur en 25 minuten per week heeft het college 2 uur per week in mindering gebracht in verband met de Wlz-indicatie van de zoon van eiseres.
9.De wasverzorging is als volgt opgebouwd: 1 uur en 30 minuten voor de wasverzorging van een echtpaar en 30 minuten extra in verband met extra vanwege de gezondheidsproblemen van eiseres.
10.Zie bijvoorbeeld uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.
11.Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van Bureau HHM, met aanvullende instructie 2022.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:46, en de daarin genoemde uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2470.
13.Dit staat in artikel 8b, onder ‘Normtijden thuishulp’, van de Verordening.
14.Zie onder meer de uitspraak van 10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835.
15.Dit staat in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
16.HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019, pagina 19-22.
17.De indicatie huishoudelijke hulp is door het college administratief verlengd tot 5 april 2026.
18.Het Protocol Indicatiestelling voor Huishoudelijke Verzorging van het Centrum Indicatiestelling Zorg.
19.Die 2 uur is opgebouwd uit 1 uur en 30 minuten voor de wasverzorging van een echtpaar en