ECLI:NL:RBNNE:2026:2345

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
LEE 25/4120
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 WooArt. 7:1a AwbArt. 3:13 BWArt. 3:15 BWArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen buiten behandeling stelling Woo-verzoek wegens misbruik van recht

Eiser diende op 5 juli 2025 een Woo-verzoek in voor openbaarmaking van communicatie tussen het Openbaar Ministerie en het Centraal Justitieel Incassobureau. De minister stelde het verzoek op 2 oktober 2025 buiten behandeling wegens vermeend misbruik van recht. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in. De rechtbank behandelde het beroep op 2 april 2026, waarbij eiser niet aanwezig was.

De rechtbank oordeelt dat misbruik van recht een hoge drempel kent en dat het aantal Woo-verzoeken van eiser over een periode van ruim drie jaar relatief beperkt is. De minister kon onvoldoende aantonen dat eiser een ander doel had dan het verkrijgen van informatie. Ook het late besluit van de minister en het ontbreken van een onverwijld genomen besluit na constatering van misbruik wegen mee.

De rechtbank vernietigt het besluit van 2 oktober 2025 en beveelt de minister binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Verzoeken om schadevergoeding en reiskostenvergoeding worden afgewezen. De minister moet het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit om het Woo-verzoek buiten behandeling te stellen wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4120

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], eiser

en
de Minister van Veiligheid en Justitie, namens deze het College van procureurs-generaal, de minister
(gemachtigde: mr. M.T. Ilbay).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister waarin het verzoek van eiser om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) buiten behandeling is gesteld. De minister heeft het verzoek buiten behandeling gesteld omdat sprake is van misbruik van recht. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat die beslissing niet juist is, omdat misbruik van recht niet is komen vast te staan. Het beroep van eiser is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 juli 2025 een Woo-verzoek gedaan. Het verzoek ziet op alle communicatie tussen het Openbaar Ministerie en het Centraal Justitieel Incassobureau inzake de verbeuring van (rechterlijke) dwangsommen aan een burger, inclusief onder andere (interne) e-mails, correspondentie, notities, notulen, overleggen en WhatsApp-berichten. De bevraagde periode betreft 1 januari 2025 tot en met 5 juli 2025.
2.1.
De minister heeft het verzoek met het besluit van 2 oktober 2025 buiten behandeling gesteld wegens misbruik van recht.
2.2.
Eiser heeft op 2 oktober 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister en daarbij verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft met het verzoek ingestemd en het bezwaarschrift op 21 oktober 2025 doorgezonden naar de rechtbank om als beroep te worden behandeld.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de gronden aangevuld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser was met bericht van verhindering niet aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De standpunten van partijen
3. Eiser stelt dat van misbruik van recht geen sprake is. Hij heeft maar één doel en dat is openbaarmaking van de gevraagde informatie. Alles wat de minister hem verwijt is volstrekt onjuist. Eiser verwijst in dit verband naar een aantal uitspraken [1] waarin door de rechtbank over vergelijkbare besluiten is geoordeeld. De minister haalt klachten aan die eiser bij hem heeft ingediend, maar laat na te vermelden dat er al drie jaar geen beslissing op deze klachten is genomen en dat de minister dat ook blijft verzuimen. Ook ten aanzien van alle gegronde beroepen niet tijdig beslissen laat de minister het na om te vermelden dat het de minister is die telkens geen verweerschrift indient en dat de rechtbank zelfs naar een dwangsom van € 250,- per dag is gegaan omdat € 100,- per dag kennelijk onvoldoende prikkel voor de minister was. Verder stelt eiser dat de minister het misbruik van recht niet onverwijld heeft aangenomen [2] nu hij op andere verzoeken een vrijwel identiek besluit heeft genomen en dat in onderhavige zaak ook had moeten en kunnen doen. Tot slot verzoekt eiser om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding van de door hem gemaakte reiskosten.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat sprake is van misbruik van recht zoals bedoeld in artikel 4.6 van de Woo. Eiser heeft in de periode van 1 januari 2022 tot en met
5 juli 2025 dertien Woo-verzoeken ingediend. Tegen negen Woo-besluiten werd bezwaar gemaakt en tweemaal werd door eiser beroep ingesteld tegen een besluit op bezwaar inzake de Woo. Daarnaast werden door eiser in de aangehaalde periode bij de minister negen inzageverzoeken op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en drie inzageverzoeken op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingediend. Tegen vier Wjsg-besluiten werd bezwaar gemaakt en éénmaal (hoger) beroep ingesteld. Er was sprake van zes beroepen niet tijdig beslissen inzake de Wjsg, waarbij driemaal verzet werd ingesteld en driemaal een verzoek voorlopige voorziening werd ingediend. Bij de AVG was sprake van één beroep niet tijdig beslissen, één verzet en één verzoek voorlopige voorziening.
Verder voert de minister aan dat eiser in de aangehaalde periode ook 32 Woo-verzoeken bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en diverse gemeenten heeft ingediend. De verzoeken bevatten vaak vage formuleringen en hebben een onduidelijke/onredelijke reikwijdte. Eiser dient daarnaast regelmatig klachten in, doet aangifte tegen ambtenaren en wraakt de rechtbank. Tot slot eist eiser vaak het recht op dwangsom op, ook bij premature ingebrekestellingen, en doet hij verzoeken om immateriële schadevergoeding. Gelet hierop concludeert de minister dat de frequentie en het aantal verzoeken niet is gebaseerd op een legitiem doel, maar wordt gebruikt om de organisatie onterecht te belasten en haar werkzaamheden te verstoren. Eiser heeft een ander motief dan het verkrijgen van informatie. Daarbij overweegt de minister dat hoewel niet binnen twee weken is besloten, dat wel is gedaan zo snel mogelijk nadat is gebleken dat eiser met het verzoek een kennelijk ander doel heeft gehad dan het verkrijgen van publieke informatie.

Beoordeling door de rechtbank

Het toetsingskader
5. In artikel 4.6 van de Woo is de zogenoemde antimisbruikbepaling opgenomen. Deze bepaling luidt als volgt:
‘Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.’
Is het beroep niet-ontvankelijk?
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat met het instellen van (rechtstreeks) beroep tegen het bestreden besluit door eiser ook sprake is van misbruik van recht. De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] kan op grond van artikel 3:13, gelezen in samenhang met artikel 3:15 van Pro het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover die bevoegdheid wordt misbruikt. In zo’n geval kan het beroep niet-ontvankelijk verklaard worden, maar daarvoor zijn zwaarwichtige gronden vereist. Die zijn onder meer aanwezig als rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn gebruikt zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het gebruik van die bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit uitgangspunt geldt ook voor verzoeken op grond van de Woo. [4]
6.2.
De rechtbank overweegt dat wanneer het (rechtstreeks) beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, eiser geen oordeel van de rechter kan verkrijgen over het besluit van de minister om eisers Woo-verzoek buiten behandeling te stellen. [5] Daarmee zou in feite de toegang tot de rechter worden ontzegd. Door de minister zijn onvoldoende zwaarwichtige gronden aangevoerd op grond waarvan dit kan worden gerechtvaardigd. De rechtbank acht dit een doorslaggevende omstandigheid die ertoe leidt dat het beroep ontvankelijk is.
Mocht de minister het verzoek buiten behandeling stellen?
7. De rechtbank stelt vast dat op het bestuursorgaan dat toepassing wil geven aan de antimisbruikbepaling de verplichting rust om aannemelijk te maken dat daadwerkelijk sprake is van misbruik. De rechtbank wijst er daarbij op dat voor het aannemen van misbruik van recht een hoge drempel geldt.
7.1.
Uit vaste rechtspraak blijkt dat een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht oplevert. Elk beroep op die faciliteiten brengt kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal keren dat een bepaald recht of een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht heeft plaatsgevonden. [6]
7.2.
Het is niet uitgesloten dat het aanhangig zijn van andere zaken relevant kán zijn voor het kunnen toepassen van de antimisbruikbepaling, bijvoorbeeld als daaruit een patroon zou blijken van het doen van Woo-verzoeken om vervolgens (rauwelijkse) ingebrekestellingen te verzenden en beroepen in te dienen die zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [7]
7.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister aangeeft dat eiser in een periode van drie-en-een-half jaar in totaal dertien Woo-verzoeken heeft ingediend. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de druk die deze verzoeken op het bestuursapparaat leggen komt zij, gelet op de ruime periode waarin deze verzoeken zijn gedaan, tot het oordeel dat sprake is van een relatief klein aantal (op jaarbasis gemiddeld nog geen vier Woo-verzoeken). Dat brengt mee dat, bij de beoordeling of in de onderhavige gevallen sprake is van misbruik van recht, meer gewicht dient te worden toegekend aan de overige omstandigheden en aan de totale context waarin de verzoeken zijn gedaan.
7.4.
Hetgeen de minister in dit verband heeft aangevoerd, acht de rechtbank onvoldoende overtuigend. Dat eiser ingebrekestellingen en beroepen niet tijdig beslissen indient zou mogelijk onder voorwaarden kunnen bijdragen aan de conclusie dat misbruik van recht plaatsvindt, maar daarbij moet nadrukkelijk in aanmerking worden genomen dat beide instrumenten juist zijn bedoeld om (onder andere) burgers de mogelijkheid te bieden op te komen tegen een bestuursorgaan dat niet (tijdig) beslist op een ingediend verzoek. Wanneer het bestuursorgaan binnen de wettelijke termijn een besluit neemt, hoeven de bedoelde instrumenten door burgers niet te worden ingezet. Nu in geval van eiser de beslistermijn in enkele gevallen fors werd overschreden, de door de rechtbank gestelde nadere beslistermijn niet werd gehaald, dwangsommen werden verbeurd en opvolgende beroepen niet tijdig beslissen moesten worden ingediend, moet terughoudendheid worden betracht met het oordeel dat eiser, door gebruik te maken van de wettelijke instrumenten, misbruik van recht maakt. Datzelfde geldt voor de door de minister aangehaalde klachten die eiser indiende. Ter zitting is bevestigd dat deze al geruime tijd niet worden afgedaan. Dat maakt dat de tegenwerping faalt. Dat geldt ook voor de tegenwerping dat eiser in de aangehaalde periode een vergelijkbaar aantal Wjsg- en AVG-procedures is gestart. Deze verzoeken kennen een andere juridische grondslag dan de Woo. Daarmee heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat het overzicht van ingediende verzoeken en gestarte procedures ter onderbouwing kan dienen voor de stelling dat eiser op het moment van het indienen van het onderhavige Woo-verzoek een gedragspatroon liet zien dat aanleiding geeft voor toepassing van de antimisbruikbepaling. Want ook de omstandigheid dat door eiser elders (zoals bij de DJI en enkele gemeenten) Woo-verzoeken zijn ingediend, draagt onvoldoende bij aan de conclusie dat eiser misbruikt van recht maakt. De minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat er een relatie bestaat tussen de elders ingediende verzoeken en het onderhavige Woo-verzoek en in hoeverre een dergelijke relatie zou kunnen leiden tot de conclusie dat met dit verzoek misbruik van recht plaatsvindt.
7.5.
Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, onvoldoende steun biedt voor de conclusie dat eiser in dit concrete geval een overmatig beroep heeft gedaan op door de overheid geboden faciliteiten.
7.6.
Tot slot overweegt de rechtbank dat vaststaat dat de minister niet binnen twee weken na ontvangst van het onderhavige verzoek het besluit heeft genomen om het op grond van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling te stellen. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit onverwijld is genomen nadat is gebleken dat sprake is van een oneigenlijk verzoek. De blote stelling van de minister in het verweerschrift dat het besluit werd genomen zo spoedig mogelijk nadat was gebleken dat eiser met zijn verzoek een kennelijk ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie is daartoe onvoldoende. Uit de behandeling van vergelijkbare zaken op (een) recente zitting(en) van deze rechtbank, waarnaar zowel door eiser in de gronden en door de minister ter zitting is verwezen, is de rechtbank ambtshalve bekend geworden dat de minister vanaf september 2024 in diverse besluiten het standpunt inneemt dat bij de verzoeken van eiser sprake is van misbruik van recht. Tegen die achtergrond is door de minister niet aannemelijk gemaakt dat pas op
2 oktober 2025 onverwijld een besluit is genomen nadat een onderzoek was afgesloten waaruit zou blijken dat met het verzoek van eiser van 5 juli 2025 opnieuw sprake was van een oneigenlijk verzoek.
Verzoek schadevergoeding en vergoeding reiskosten
8. De berechting van een zaak door de rechtbank geschiedt in beginsel niet binnen een redelijke termijn wanneer zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet (waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren).
8.1.
Het verzoek van eiser dateert van 5 juli 2025. Reeds hierom is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat eiser niet in aanmerking komt voor een immateriële schadevergoeding.
8.2.
Voor het verzoek om vergoeding van de gemaakte reiskosten geldt dat eiser met bericht van verhindering vooraf niet bij de zitting van 2 april 2026 aanwezig was. Aldus heeft eiser geen reiskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het samenstel van de hiervoor uiteengezette omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van misbruik van recht als bedoeld in artikel 4.6 van de Woo.
9.1.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, strekkende tot het buiten behandeling stellen van het Woo-verzoek van eiser.
9.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het verzoek moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht vergoeden dat door eiser is betaald. Het verzoek schadevergoeding zal worden afgewezen; het verzoek om vergoeding van de reiskosten ook.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 oktober 2025;
- draagt de minister op om binnen een termijn van zes weken een nieuw besluit op het
Woo-verzoek van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af, evenals het verzoek om vergoeding van de
reiskosten;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBGEL:2025:4633, ECLI:NL:RBNNE:2024:5252, ECLI:NL:RBNNE:2024:5254, ECLI:NL:RBNNE:2024:4602 en de zaken LEE24/4203, LEE 24/4256, LEE 24/4428, LEE 24/4197, LEE 25/356, LEE 25/967, LEE 25/2345, LEE 25/850, LEE 25/882, LEE 25/793 en LEE 25/1533.
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:N:RVS:2018:4256.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2163.
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2061, r.o. 6.7, laatste twee zinsneden.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403.
7.Rechtbank Noord-Nederland, 22 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4602.