Eiser diende vijf Woo-verzoeken in bij het college van burgemeester en wethouders van Ameland, die het college buiten behandeling stelde met toepassing van de antimisbruikbepaling van de Woo. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van misbruik van recht. Tevens stelde de rechtbank vast dat het college niet adequaat had gereageerd op de bezwaargrond over mandatering.
De rechtbank wees het beroep op betalingsonmacht af omdat eiser het griffierecht uiteindelijk tijdig had voldaan. Het standpunt van het college over niet-ontvankelijkheid op grond van BW Boek 3 werd buiten beschouwing gelaten vanwege strijd met de goede procesorde. De rechtbank oordeelde dat het college in strijd met de Awb had gehandeld door niet in te gaan op de bezwaargrond mandatering en dat de antimisbruikbepaling onterecht was toegepast.
Verzoeken om immateriële schadevergoeding en dwangsommen werden afgewezen. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het college op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed.