Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de inspecteur een negatief loonbedrag niet in aftrek had toegestaan. De rechtbank constateert dat de hoorplicht is geschonden, wat het beroep gegrond maakt. De rechtbank beoordeelt inhoudelijk dat de aanslag correct is vastgesteld omdat de studiekosten niet als negatief loon kwalificeren.
Eiser voerde aan dat de kosten voor inschrijving bij een opleiding verband houden met zijn dienstbetrekking, maar de rechtbank oordeelt dat deze betalingen hun grond vinden in de studie en niet in de arbeidsovereenkomst. De inspecteur heeft de aanslag daarom terecht gehandhaafd.
Verder wees de rechtbank het verzoek om een dwangsom af, omdat de beslistermijn door de inspecteur correct was verlengd en de uitspraak binnen die termijn is gedaan. Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de termijn van twee jaar nog niet was verstreken.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.