ECLI:NL:RBNNE:2026:1391

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
LEE 25/4142 en LEE 25/4141
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:41a AwbArt. 8:87 AwbArt. 49 WegenwetArt. 4 Wegenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing last onder bestuursdwang snoeien groen langs perceel

Het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland legde aan de eigenaar van een perceel een last onder bestuursdwang op om het groen en de overhangende bomen langs zijn perceel te snoeien, met als doel een minimale doorgang van 4,5 meter breed en een doorrijhoogte van 4 meter te realiseren. De eigenaar betwistte de bevoegdheid van het college tot handhaving en stelde dat de weg langs zijn perceel niet als openbare weg in de zin van de Wegenwet kan worden aangemerkt.

Na een ambtshalve ingesteld onderzoek en een zitting op 9 februari 2026 oordeelde de voorzieningenrechter dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de weg een functie vervult voor een grote, onbepaalde publieksgroep en daarmee niet kwalificeert als een weg in de zin van de Wegenwet. Hierdoor ontbrak de bevoegdheid van het college tot handhaving op grond van de Algemene plaatselijke verordening (Apv).

De voorzieningenrechter hechtte aan jurisprudentie waarin is bepaald dat een weg slechts als openbaar kan worden aangemerkt indien deze een verkeersfunctie heeft voor een grote, onbepaalde groep. De weg in kwestie is een doodlopende weg die voornamelijk dienstbaar is aan de bewoners van de aanliggende percelen. Het college had onvoldoende feiten verzameld om het tegendeel te bewijzen.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de besluiten op bezwaar van oktober 2025 vernietigd en het primaire besluit van juni 2025 herroepen. Tevens werd de eerder getroffen voorlopige voorziening ambtshalve opgeheven. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan de eigenaar.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de last onder bestuursdwang wordt vernietigd wegens gebrek aan bevoegdheid van het college.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/4142 en LEE 25/4141
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 in verband met een ambtshalve ingesteld onderzoek naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging [1] van de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 getroffen voorziening, tevens uitspraak op het beroep in de zaak tussen:

[naam 1 uit plaats]

(gemachtigde: mr. D.J. Meijer)
en

het college van burgemeester en wethouders van Het Hogeland

(gemachtigden: J. Hoogwerf en W. Wieringa ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de last onder bestuursdwang die door het college is opgelegd aan [naam 1] . De last houdt in dat [naam 1] het groen langs zijn perceel en de overhangende bomen moet snoeien of laten snoeien. Volgens het college zal het groen teruggesnoeid moeten worden zodat er een minimale doorgang ontstaat van 4,5 meter breed en dient de doorrijhoogte minimaal 4 meter te zijn. Aan [naam 1] is medegedeeld dat, als hij niet aan de last voldoet, de gemeente het overhangend groen zal gaan snoeien en dat de kosten daarvan voor rekening van [naam 1] zullen worden gebracht. [naam 1] is het daar niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en hij heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter het besluit op bezwaar van 16 oktober 2025, zoals herzien bij het besluit op bezwaar van 30 oktober 2025.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. [naam 1] krijgt dus gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt. De voorzieningenrechter zal de voorlopige voorziening die bij uitspraak van 10 november 2025 is getroffen opheffen en ambtshalve een nieuwe voorlopige voorziening treffen in deze uitspraak.

Procesverloop

2. Bij besluit van 5 juni 2025 heeft het college [naam 1] onder oplegging van een last onder bestuursdwang gelast om voor 20 juni 2025 het groen langs zijn perceel en de overhangende bomen te snoeien of te laten snoeien. Volgens het college zal het groen tot aan de grenspaaltjes teruggesnoeid moeten worden. De doorrijhoogte dient daarbij minimaal 4 meter te zijn. Er zal gecontroleerd worden of [naam 1] heeft voldaan aan de last. Indien dat niet het geval is, zal de gemeente het overhangend groen gaan snoeien. De kosten hiervan zullen voor rekening van [naam 1] zijn, aldus het college.
2.1.
Bij besluit op bezwaar van 16 oktober 2025 heeft het college het door [naam 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 30 oktober 2025 is eerstgenoemd besluit herzien voor wat betreft de lengte van de begunstigingstermijn.
2.2.
[naam 1] heeft beroep ingesteld. Het beroep is ingeschreven onder zaaknummer LEE 25/4142. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is ingeschreven onder zaaknummer LEE 25/4141.
2.3.
Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening getroffen dat de begunstigingstermijn neergelegd in het besluit op bezwaar van 30 oktober 2025 wordt verlengd totdat is beoordeeld of de bij die uitspraak te treffen voorlopige voorziening moet worden opgeheven of moet worden gewijzigd. [2]
2.4.
De voorzieningenrechter heeft ambtshalve een onderzoek ingesteld naar het bestaan van aanleiding voor opheffing of wijziging van de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 getroffen voorziening. Daartoe heeft de voorzieningenrechter op 9 februari 2026 een zitting gehouden. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college.
2.5.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van [naam 1] daartegen. [3]

Het bestreden besluit

3. Het college heeft het volgende aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd, voor zover hier van belang.
“Bezwaargronden
U heeft de volgende bezwaargronden aangedragen in uw bezwaarschrift en tijdens het ambtelijk horen:
Bezwaargrond 1: Openbaarheid van de weg; het college heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een openbare weg. Primair is geen sprake van een weg in de zin van de Wegenwet en subsidiair is geen sprake van een openbare weg in de zin van artikel 4 van Pro de Wegenwet.
[…]
Motivering op het besluit
Bezwaargrond 1
U geeft aan dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat [adres 1] , kadastraal bekend onder sectie [sectie] , [adres 1] , een openbare weg is. Een weg, die op de legger voorkomt, wordt aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit de legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van de legger of na de wijziging, waarbij de weg op de legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn. Dat staat in artikel 49 van Pro de Wegenverkeerswet. […]”

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De relevante wet- en regelgeving staat in de bijlage.
5. [adres 1] vormt de verbinding tussen [adres 2] en [adres 3] aan de oostzijde en [adres 4] aan de westzijde. [naam 1] woont op het adres [adres 5] , in die plaats. Zijn woning staat op het perceel kadastraal aangeduid als Gemeente Warffum, sectie [sectie] , perceelnummer [nummer 1] . Perceelnummer [nummer 2] ligt ten noorden daarvan en parallel daaraan. Over laatstgenoemd perceel loopt [adres 1] . Beide percelen zijn het eigendom van [naam 1] . [adres 1] ligt op het grondgebied van de gemeente Het Hogeland.
6. Desgevraagd heeft [naam 1] ter zitting verklaard dat de gronden van het verzoekschrift tevens dienen te worden beschouwd als de gronden van het beroep en dat hij geen behoefte heeft om de gronden aan te vullen als de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak zou kunnen doen in de hoofdzaak.
Heeft het college aannemelijk gemaakt dat het tot handhavend optreden jegens [naam 1] bevoegd is?
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het tot handhavend optreden jegens [naam 1] bevoegd is. Hierna licht de voorzieningenrechter toe hoe hij tot dit oordeel komt.
7.1.
[naam 1] stelt dat [adres 1] niet kan worden aangemerkt als weg in de zin van de Wegenwet. Volgens hem is de weg nooit voor eenieder toegankelijk geweest, omdat de weg niet gedienstig is aan, of gebruikt wordt door, een grote, onbepaalde publieksgroep. Het gaat om een doodlopende weg die enkel dienstig is aan de bewoners van de aanliggende woningen. Hij heeft in dit verband verwezen naar jurisprudentie kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2008:BC6035, ECLI:NL:RVS:2015:2241, ECLI:NL:RVS:2016:386 en ECLI:NL:RVS:2025:4744. Hij verbindt daaraan de conclusie dat [adres 1] niet kan worden aangemerkt als (openbare) weg in de zin van de Wegenwet of de Algemene plaatselijke verordening Het Hogeland (Apv).
7.2.
Deze grond slaagt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
7.3.
Artikel 1:1, aanhef en onder o., van de Apv sluit voor de uitleg van het begrip "weg" aan bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). In de Wvw 1994 wordt onder “wegen” verstaan: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten.
7.4.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar jurisprudentie tot uitdrukking gebracht dat er geen artikel in de Wegenwet is waarin staat wat een weg is en wat niet. Dat werd niet nodig en niet gewenst geacht, omdat voornamelijk de praktijk zelf moet aangeven wat een weg is. De Wegenwet heeft betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbare verkeer en die dus naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. Ook speelt bij het beantwoorden van die vraag geen rol of er een ander recht, zoals een erfdienstbaarheid of recht van overpad, op de weg rust. [4]
7.5.
Aldus bestaat er ten minste een gedeeltelijke overlap tussen het begrip “wegen” in de Wvw 1994 en hetgeen daaronder wordt verstaan in de jurisprudentie over toepassing van de Wegenwet. Artikel 2:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Apv strekt daarom tot handhaving van de openbaarheid van wegen in de zin van beide wetten, namelijk voor zover het gaat om voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden die tevens kunnen worden gekwalificeerd als verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbare verkeer en die naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Artikel 2:15 van Pro de Apv, heeft betrekking op het verkeer op dergelijke wegen.
7.6.
Niet voldoende is dat, volgens het college, sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 2:10 van Pro de Apv en/ of het bepaalde in artikel 2:15 van Pro de Apv. Dat betekent dat het college slechts bevoegd is tot handhavend optreden jegens [naam 1] , als rechthebbende op het litigieuze gedeelte van [adres 1] , op voorwaarde dat [adres 1] een weg is in de zin van de Wegenwet.
7.7.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college niet de nodige kennis heeft vergaard waaruit kan blijken dat en waarom [adres 1] een zodanige algemene verkeersfunctie heeft dat [adres 1] kan worden gekwalificeerd als een weg in de zin van de Wegenwet. Daarvoor is immers van belang of [adres 1] naar zijn aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient. Ter zitting is daarover naar voren gebracht dat het gaat om een doodlopende weg voor autoverkeer. Voor wandel- en fietsverkeer is het niet-doodlopend, maar dat sluit niet uit dat [adres 1] zich niet wezenlijk onderscheidt van een uitweg die voornamelijk een functie heeft voor de buurtbewoners. Voorheen heeft de vuilniswagen van Omrin gebruik van [adres 1] gemaakt. Dat is inmiddels niet meer nodig omdat het ophaalpunt van de containers is verplaatst.
7.8.
Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat en waarom [adres 1] naar zijn aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient en daarmee een weg is in de zin van de Wegenwet. In artikel 2.10 van de Apv en artikel 2.15 van de Apv, bezien in samenhang met hetgeen in de jurisprudentie wordt verstaan onder een weg in de zin van de Wegenwet, kan in dit geval geen grondslag worden gevonden voor de bevoegdheid tot handhavend optreden. [naam 1] is als eigenaar gerechtigd over het litigieuze deel van [adres 1] te beschikken, dat kan door het college niet worden gereguleerd op grond van artikel 2.10 van de Apv en artikel 2.15 van de Apv. Het college was daarom niet bevoegd tot handhaving.
8. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan hetgeen [naam 1] overigens heeft aangevoerd.

Conclusie en gevolgen

Opheffing van de voorlopige voorziening die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025
9. Het ambtshalve onderzoek heeft als uitkomst dat inderdaad aanleiding bestaat om de voorlopige voorziening op te heffen die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025.
9.1.
De voorzieningenrechter heft de voorlopige voorziening die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 ambtshalve op.
Beslissing op het beroep
10. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb, artikel 2.10 van de Apv en artikel 2.15 van de Apv. De voorzieningenrechter zal daarom de besluiten op bezwaar van 16 oktober 2025 en 30 oktober 2025 vernietigen.
10.1.
Gelet op het bepaalde in artikel 8:41a van de Awb zal de voorzieningenrechter tevens het primaire besluit van 5 juni 2025 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de te vernietigen besluiten op bezwaar van 16 oktober 2025 en 30 oktober 2025.
11. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht voor het beroep aan [naam 1] vergoeden.
12. Om die reden is er ook aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van de door mr. D.J. Meijer beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De forfaitaire proceskosten zijn € 1.868,– (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting. De waarde per punt is € 934,–, met een wegingsfactor 1). Voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening is al een punt toegekend in de uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025. Daarvoor zal niet nogmaals een punt worden toegekend.
12.1. Na verzending van het afschrift van de uitspraak heeft mr. D.J. Meijer gewezen op het verzoek om een proceskostenvergoeding voor bezwaar toe te kennen, zoals gedaan in het verzoekschrift. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek ingewilligd. Dat betekent dat overweging 12 zo moet worden begrepen dat het college wordt veroordeeld in de proceskosten van de door mr. D.J. Meijer beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaar- en beroepsfase tot een bedrag van € 2.534,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting. De waarde per punt is € 666,- in bezwaar en € 934,- in beroep, met een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
  • heft de voorlopige voorziening die is getroffen bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2025 ambtshalve op;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit op bezwaar van 16 oktober 2025 (Z.HHL.093137);
  • vernietigt het besluit op bezwaar van 30 oktober 2025 (Z.HHL.093137);
  • herroept het primaire besluit van 5 juni 2025 (Z2024-00003060);
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten op bezwaar;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,– aan [naam 1] moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de opheffing van de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 8:41a
De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief.
Wegenwet
Artikel 4
1. Een weg is openbaar:
I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;
II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;
III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.
2. Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.
3. Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.
Artikel 49
Een weg, welke op den legger voorkomt, wordt aangemerkt als te zijn openbaar onder geen andere dan de uit den legger blijkende beperkingen in het gebruik, tenzij bewezen mocht worden dat na de vaststelling van den legger of na de wijziging, waarbij de weg op den legger is gebracht, de weg heeft opgehouden openbaar te zijn.
Wegenverkeerswet 1994
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders blijkt, verstaan onder:
a. […]
b. wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;
c-zb. […]
2-4. […]
Algemene plaatselijke verordening Het Hogeland
Artikel 1:1
In deze verordening wordt verstaan onder:
a-n. […]
o. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan.
Artikel 2:10
1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
b. […]
2-6. […]
Artikel 2:15
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Voetnoten

1.. Artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.. Artikel 8:87, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
4.. Vgl. rov. 3.1. van ECLI:NL:RVS:2025:4744.