202302394/1/R1.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Heemskerk,
2. [appellant sub 2], wonend in Heemskerk,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 maart 2023 in zaken nrs. 22/324, 22/349, 22/369 en 22/370 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en [appellant sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk.
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een erfafscheiding aan de [locatie] in Heemskerk.
Bij besluiten van 7 september 2021 en 22 november 2021 heeft het college verzoeken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding afgewezen.
Bij besluit van 22 december 2021 heeft het college het door [appellant sub 2] tegen de verleende omgevingsvergunning gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 22 december 2021 en 13 januari 2022 heeft het college de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen de afwijzingen van de handhavingsverzoeken gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 maart 2023 heeft de rechtbank de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 14 juli 2025, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. B. Benard, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Fluit en R. Middelkoop, zijn verschenen. Verder is op zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
2. [partij] heeft een erfafscheiding geplaatst op een plek waar voorheen een pad liep waarvan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] jarenlang gebruik hebben gemaakt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn het niet eens met de afsluiting van dit pad, omdat het pad volgens hen een openbare weg in de zin van de Wegenwet is. Volgens hen is de afsluiting zonder toestemming van de gemeenteraad in strijd met de Algemene plaatselijke verordening (APV).
Weg in de zin van de Wegenwet
3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het pad geen openbare weg in de zin van de Wegenwet is en daarom artikel 2:10 van de APV niet is overtreden met de afsluiting van het pad. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] werd dit pad door veel bewoners en familie en vrienden van bewoners gebruikt en kan niet worden gezegd dat het pad geen grote, onbepaalde publieksgroep dient of geen functie vervult voor het afwikkelen van het openbare verkeer. [appellant sub 2] heeft ter onderbouwing hiervan 150 ondertekende verklaringen overgelegd van mensen die het nu afgesloten pad gebruikten.
3.1. Er is geen artikel in de Wegenwet waarin staat wat een weg is en wat niet. Dat werd niet nodig en niet gewenst geacht, omdat voornamelijk de praktijk zelf moet aangeven wat een weg is (Kamerstukken II 1929/1930, nr. 99a, blz. 1). De Wegenwet heeft betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbare verkeer en die dus naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. Ook speelt bij het beantwoorden van die vraag geen rol of er een ander recht, zoals een erfdienstbaarheid of recht van overpad, op de weg rust. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2241, onder 10.1, en haar uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1652, onder 6. 3.2. De rechtbank is op grond van deze rechtspraak terecht tot het oordeel gekomen dat het pad geen weg in de zin van de Wegenwet is. Hoewel het mogelijk was om via het pad door te steken naar een andere weg en [appellant sub 2] met de overgelegde verklaringen ook aannemelijk heeft gemaakt dat buurtbewoners en hun bezoek van dat pad gebruik maakten, maakt dit niet dat het pad een zodanige algemene verkeersfunctie heeft dat het als (openbare) weg in de zin van de Wegenwet moet worden aangemerkt. Het pad heeft namelijk een te weinig algemene verkeersfunctie om het als verkeerbaan aan te merken die naar zijn aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient. Zoals het college terecht heeft toegelicht, onderscheidt het pad zich niet wezenlijk van een uitweg en vormt het een doorsteek naar een garagepleintje voor een beperkt aantal nabij gelegen woningen. Daarmee vervult het pad weliswaar een functie voor de buurtbewoners, maar heeft het geen verkeersfunctie voor een grote, onbepaalde publieksgroep. Het betoog slaagt niet.
Andere gronden van [appellant sub 2]
4. De gronden die [appellant sub 2] voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft zij ook in beroep aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de onder 2.2, 3.5 en 4.3 opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.1. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat zij evenals de rechtbank van oordeel is dat het college het bezwaar als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen en het dus kon afzien van het horen van [appellant sub 2]. Weliswaar heeft [appellant sub 2] aanvullende gronden van bezwaar ingediend, maar ook op basis van die aanvullende gronden mocht het college zich op het standpunt stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
Geen overschrijding redelijke termijn
5. Het verzoek van [appellant sub 2] om schadevergoeding, omdat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond, wordt afgewezen. De redelijke termijn bij een procedure als deze bedraagt namelijk vier jaar. In dit geval is deze aangevangen op 4 oktober 2021 met de ontvangst door het college van het bezwaarschrift van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 30 augustus 2021. Vanaf die datum tot aan vandaag, de dag waarop de Afdeling uitspraak doet, is niet meer dan vier jaar verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden en er geen aanleiding bestaat hiervoor schadevergoeding toe te kennen.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ahmady-Pikart
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025
638