Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1127

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
LEE 24/3859, LEE 25/460 en LEE 25/539 tot en met LEE 25/542
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 40 lid 2 Wet WOZArt. 131 WaterschapswetArt. 4:17 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepen tegen WOZ-waarde en diverse heffingsaanslagen gemeente Groningen

Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarop gebaseerde aanslagen voor het belastingjaar 2024, waaronder rioolheffing, afvalstoffenheffing, watersysteemheffing en zuiveringsheffing. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde vastgesteld op €394.000 en de aanslagen conform deze waarde opgelegd. Eiser stelt dat de waarde te hoog is en dat de opbrengstlimieten van de heffingen zijn overschreden.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld, mede op basis van een waardematrix met vergelijkbare referentieobjecten. Daarnaast is vastgesteld dat de heffingsambtenaar niet in strijd heeft gehandeld met artikel 40, lid 2, Wet WOZ, omdat de gevraagde gegevens niet ten grondslag lagen aan de waardebepaling. De rechtbank concludeert ook dat de opbrengstlimieten van de diverse heffingen niet zijn overschreden, omdat eiser onvoldoende concreet heeft gesteld waarom de ramingen onjuist zouden zijn.

Verder wijst de rechtbank het verzoek van eiser af om een hogere dwangsom toe te kennen wegens vermeende overschrijding van de beslistermijn en oordeelt dat de reeds toegekende dwangsom correct is vastgesteld. Ook is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase, zodat geen immateriële schadevergoeding wordt toegekend.

De beroepen worden ongegrond verklaard, de aanslagen blijven in stand en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De beroepen tegen de WOZ-waarde en diverse heffingsaanslagen worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/3859, LEE 25/460 en LEE 25/539 tot en met 25/542
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 april 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),
en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 augustus 2024 en van 20 december 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2024 op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 394.000 (de WOZ-waarde). De heffingsambtenaar heeft op dezelfde beschikking aan eiser voor het jaar 2024 aanslagen opgelegd in de onroerendezaakbelasting, de rioolheffing eigenaar, de afvalstoffenheffing, de watersysteemheffing ingezetenen, de watersysteemheffing gebouwd en de zuiveringsheffing.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2024 het bezwaar van eiser voor wat betreft de aanslag zuiveringsheffing 2024 en de aanslag watersysteemheffing ingezetenen 2024 ongegrond verklaard en de aanslagen in stand gelaten.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2024 aan eiser inzake de bezwaren tegen de aanslagen zuiveringsheffing en watersysteemheffing ingezetenen een dwangsom toegekend van € 427.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser tegen de WOZ-waarde op 20 december 2024 ongegrond verklaard en daarbij de WOZ-waarde gehandhaafd. De heffingsambtenaar heeft in dezelfde uitspraak op bezwaar van 20 december 2024 de bezwaren tegen de aanslagen rioolheffing eigenaar, afvalstoffenheffing en watersysteemheffing (gebouwd) ongegrond verklaard en daarbij deze aanslagen gehandhaafd.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
1.6.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.7.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens de heffingsambtenaar mr. [naam] .

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak betreft een vrijstaande woning uit 1972 met inpandige garage. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 152 m² en staat op een perceel grond van 622 m².
2.1.
De aanslag rioolheffing is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 van de gemeente Groningen.
2.2.
De aanslag afvalstoffenheffing is gebaseerd op de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2024 van de gemeente Groningen.
2.3.
Ter zake van de geraamde opbrengsten en kosten van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing heeft de heffingsambtenaar verwezen naar paragraaf 8 van de gemeentebegroting 2024 van de gemeente Groningen.
2.4.
Ter zake van de geraamde opbrengsten en kosten van de watersysteemheffing heeft de heffingsambtenaar eiser de volgende stukken doen toekomen:
  • Budget PK 2024
  • Toelichting vragen
  • NZV 2014 Notitie inzake interne kostentoerekening naar taken
  • NZV 2014 Besluit interne_kostentoerekening ab besluit 7 mei 2014
  • NZV 2014 Bijlage bij notitie interne kostentoerekening
  • NZV 2014 Publicatie vergadering ab 7 mei 2014
  • NZV 2014 Voorstel ab interne kostentoerekening
  • NZV 2022 Actualisatie interne kostentoerekening, AB voorstel
  • NZV 2022 Beantwoording aanvullende vragen actualisatie interne kostentoerekening
  • NZV 2024 Jaarplan 2024 waterschap Noorderzijlvest begroting 2024
  • NZV 2024 Tarievennota Noorderzijlvest 2024
  • NZV vanaf 2021 Bijlage bij notitie interne kostentoerekening d.d. 01-01-2021
2.5.
Eiser heeft de heffingsambtenaar schriftelijk met dagtekening 12 juli 2024 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. De ingebrekestelling is door de heffingsambtenaar ontvangen op 15 juli 2024.
2.6.
De heffingsambtenaar heeft op 15 augustus 2024 uitspraak gedaan met betrekking tot het bezwaar tegen de watersysteemheffing ingezetenen en de zuiveringsheffing woonruimte.
2.7.
Bij de uitspraak op bezwaar van 15 augustus 2024 heeft de heffingsambtenaar bij beschikking een dwangsom aan eiser toegekend van € 427 vanwege het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de aanslagen watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing. Hierbij heeft de heffingsambtenaar de dwangsom berekend over een termijn van 17 dagen gerekend vanaf veertien dagen na ontvangst van de ingebrekestelling.
2.8.
De heffingsambtenaar heeft op 20 december 2024 uitspraak op bezwaar gedaan met betrekking tot het bezwaar tegen de WOZ-beschikking en watersysteemheffing gebouwd, onroerendezaakbelasting eigenaar woning, afvalstoffenheffing en rioolheffing eigenaar woning.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld, of de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) heeft geschonden en of de aanslagen rioolheffing eigenaar, afvalstoffenheffing, watersysteemheffing ingezetenen, watersysteemheffing gebouwd en zuiveringsheffing moeten worden vernietigd in verband met de overschrijding van de van toepassing zijnde opbrengstlimieten. Daarnaast beoordeelt de rechtbank de vraag of eiser recht heeft op een hogere dwangsom wegens het te laat doen van een uitspraak op bezwaar voor wat betreft het bezwaar tegen de watersysteemheffing gebouwd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld en dat de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet heeft geschonden. Verder is de rechtbank van oordeel dat ter zake van de rioolheffing eigenaar, de afvalstoffenheffing, de watersysteemheffing ingezetenen, de watersysteemheffing gebouwd en de zuiveringsheffing de van toepassing zijnde opbrengstlimieten niet zijn overschreden
.Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat eiser geen recht heeft op een hogere dwangsom. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak te hoog vastgesteld?
5. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan een onroerende zaak moet worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de onroerende zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”. [1] De heffingsambtenaar moet, in het licht van wat eiser heeft aangevoerd, aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld.
6. Eiser stelt dat de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld en dat deze moet worden vastgesteld op € 350.000. De heffingsambtenaar stelt dat de waarde van de onroerende zaak niet te hoog is vastgesteld op € 394.000. De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van dit standpunt in beroep een waardematrix overgelegd waarin hij een viertal referentieobjecten heeft opgenomen en waaruit een waarde van de onroerende zaak volgt van € 410.000.
7. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de waardematrix aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat de in de matrix gehanteerde referentieobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud, doelmatigheid en voorzieningen betreft, goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak van eiser. Verder heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank in de waardematrix voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de referentieobjecten. Eiser heeft op geen enkele wijze concreet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat er verschillen zijn tussen de onroerende zaak en de referentieobjecten, die tot een lagere waardering van de onroerende zaak moeten leiden, en dat de heffingsambtenaar met die verschillen onvoldoende rekening heeft gehouden. Verder volgt uit de waardematrix voldoende duidelijk op welke wijze de heffingsambtenaar de bijgebouwen, waaronder de inpandige garage, van de onroerende zaak en de referentieobjecten heeft gewaardeerd en op welke wijze hij de grond heeft gewaardeerd. De stelling van eiser dat inzichtelijkheid in de waardering van de bijgebouwen en de grondstaffel ontbreekt, snijdt daarom geen hout.
Heeft de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40 van Pro de Wet WOZ geschonden?
8. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden, omdat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase geen inzicht heeft gegeven door geen grondstaffel en geen bouwtekeningen van de referentieobjecten te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat alle gegevens waar eiser om verzocht heeft en die rechtstreeks zijn gebruikt voor de waardevaststelling, zijn verstrekt aan eiser.
9. De rechtbank overweegt als volgt. De op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ op de heffingsambtenaar rustende informatieverplichting houdt in dat de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een waardebeschikking is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van een onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet verstrekken. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. Deze gegevens zijn van belang om de juistheid van de waardebeschikking te kunnen controleren om daarmee een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze te kunnen benutten en vervolgens te kunnen beoordelen of het zinvol is beroep in te stellen. Indien een voldoende specifiek verzoek tot het verstrekken van de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde gegevens in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt. [2]
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ gehouden was om eiser gegevens over de grondstaffel en de bouwtekeningen van de referentieobjecten te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd betwist dat de gevraagde gegevens ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Er is namelijk geen gebruik gemaakt van een grondstaffel in de waardematrix, maar op basis van een waardegebied is er een waarde aan de grond toegekend. Binnen de gebruikte waardegebieden is er geen gebruik gemaakt van een staffel. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar op de zitting toegelicht dat er bij de waardevaststelling geen bouwtekeningen worden gebruikt, maar de gegevens uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen. De beroepsgrond van eiser dat de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden kan daarom niet slagen.
Is ten aanzien van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing de opbrengstlimiet overschreden?
11. Eiser heeft ten aanzien van de aanslagen rioolheffing en afvalstoffenheffing gesteld dat voor deze heffingen sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze is overschreden. Eiser heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar de omvang en de samenstelling van de posten ‘overhead’ en ‘personeelslasten’ niet inzichtelijk heeft gemaakt.
12. De heffingsambtenaar stelt dat met de in de bezwaarfase verstrekte gegevens en stukken, en de toelichting in de uitspraak op bezwaar, voldoende inzicht is verschaft in de ramingen. Volgens de heffingsambtenaar heeft eiser niet voldaan aan zijn bewijslast, omdat hij niet gemotiveerd heeft aangegeven welke gespecificeerde posten volgens hem niet kloppen of onjuist zijn.
13. Bij zowel de rioolheffing als de afvalstoffenheffing is sprake van een opbrengstlimiet en deze mag niet worden overschreden.
14. De Hoge Raad heeft in een aantal arresten uiteengezet welke bewijsregels van toepassing zijn bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden. [3] Die regels kunnen als volgt worden samengevat. Uitgangspunt is dat de bewijslast wat betreft de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op eiser rust. Als eiser een overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar om inzicht te verschaffen in de raming van de baten en de lasten die in de begroting zijn opgenomen. Hierbij hoeft niet over alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verlangd dat hij van alle in de verordening onderscheiden categorieën afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat op eiser de bewijslast rust van de feiten die een overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen, moet eiser vervolgens voldoende gemotiveerd stellen waarom naar zijn oordeel over een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een last ter zake. De heffingsambtenaar moet dan voor die posten verdere inlichtingen verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat de heffingsambtenaar naar vermogen duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van eiser betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door eiser opgeworpen twijfel ongegrond is. Met naar vermogen wordt bedoeld de mate waarin de heffingsambtenaar daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is. Als eiser vervolgens stelt dat de in deze inlichtingen begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn, komt bewijslevering aan de orde en draagt eiser de bewijslast. Na de bewijslevering moet de rechtbank de rechtsvraag beantwoorden welke posten kunnen worden beschouwd als een last ter zake en in het licht daarvan beoordelen of de opbrengstlimiet is overschreden. Bij deze beoordeling moet de rechtbank uitgaan van de feiten die zij bewezen vindt.
15. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat voor de posten ‘overhead’ en ‘personeelslasten’ sprake is van een zogeheten last ter zake. Uit de Gemeentebegroting 2024 van de gemeente Groningen volgt dat de baten van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing de lasten van de respectievelijke heffing niet overtreffen. Daarbij heeft de heffingsambtenaar met de in de bezwaarfase verstrekte stukken en de daarbij gegeven toelichtingen voldoende inzicht verschaft over de ramingen van de baten en de lasten van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser vervolgens niet voldoende concreet en gemotiveerd gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer posten in de ramingen redelijke twijfel bestaat over de hoogte van de last ter zake. Eiser heeft slechts in algemene termen en summier vraagtekens geplaatst bij de omvang en samenstelling van enkele begrotingsposten. Daarmee heeft eiser niet aan zijn stelplicht voldaan.
Is ten aanzien van de watersysteemheffing ingezeten, gebouwd en zuiveringsheffing de opbrengstlimiet overschreden?
16. Eiser heeft ook ten aanzien van de aanslagen watersysteemheffing ingezeten, watersysteemheffing gebouwd en zuiveringsheffing gesteld dat voor deze heffingen sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze is overschreden. Eiser heeft ook hier aangevoerd dat de heffingsambtenaar de omvang en de samenstelling van de posten ‘overhead’ en ‘personeelslasten’ niet inzichtelijk heeft gemaakt.
17. De heffingsambtenaar stelt dat met de in de bezwaarfase verstrekte gegevens en stukken, en de toelichting in de uitspraak op bezwaar, voldoende inzicht is verschaft in de ramingen. Volgens de heffingsambtenaar heeft eiser niet voldaan aan zijn bewijslast, omdat hij niet gemotiveerd heeft aangegeven welke gespecificeerde posten volgens hem niet kloppen of onjuist zijn.
18. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat bij ook ten aanzien van de watersysteemheffing ingezeten, de watersysteemheffing gebouwd en de zuiveringsheffing sprake is van een opbrengstlimiet en dat deze niet mag worden overschreden. Bij de beoordeling van de vraag of de opbrengstlimiet van deze heffingen is overschreden, gelden de bewijsregels die de rechtbank hiervoor in r.o. 14 uiteen heeft gezet.
19. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat voor de posten ‘overhead’ en ‘personeelslasten’ sprake is van een zogeheten last ter zake. Uit het jaarplan volgt dat de baten van de watersysteemheffing ingezeten, de watersysteemheffing gebouwd en de zuiveringsheffing de lasten van de respectievelijke heffing niet overtreffen. Daarbij heeft de heffingsambtenaar met de in de bezwaarfase verstrekte stukken voldoende inzicht heeft verschaft over de ramingen van de baten en de lasten van de watersysteemheffing ingezeten, de watersysteemheffing gebouwd en de zuiveringsheffing. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser vervolgens niet voldoende concreet en gemotiveerd gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer posten in de ramingen redelijke twijfel bestaat over de hoogte van de last ter zake. Eiser heeft slechts in algemene termen en summier vraagtekens geplaatst bij de omvang en samenstelling van enkele begrotingsposten. Daarmee heeft eiser niet aan zijn stelplicht voldaan.
Heeft eiser recht op een hogere dwangsom?
20. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar de uitbetaalde dwangsom dient te verhogen tot € 1.442, omdat hij de termijn voor het doen van uitspraak met betrekking tot het bezwaar tegen de watersysteemheffing gebouwd heeft overschreden. Volgens eiser moet artikel 131 Waterschapswet Pro buiten toepassing blijven, omdat het bezwaarschrift zich uitsluitend richt tegen de overschrijding van de opbrengstlimiet. Subsidiair is eiser van mening dat de dwangsom van € 427 te laag is vastgesteld. Volgens eiser moet de dwangsom worden berekend over een termijn van 19 dagen, gerekend vanaf zaterdag 13 juli 2024. Eiser voert hiertoe aan dat regulier verzonden post altijd één of twee dagen later wordt bezorgd en hij de ingebrekestelling gedagtekend en verzonden heeft op vrijdag 12 juli 2024. Op de zitting heeft eiser verder toegelicht dat er geen reguliere post wordt bezorgd op maandagen en dat het daarom niet anders kan zijn dan dat de heffingsambtenaar de ingebrekestelling op zaterdag 13 juli 2024 heeft ontvangen.
21. De heffingsambtenaar stelt dat de vastgestelde dwangsom correct is berekend, omdat de ingebrekestelling is ontvangen op maandag 15 juli 2025. Daarnaast is er geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de watersysteemheffing gebouwd, omdat artikel 131 van Pro de Waterschapswet van toepassing is.
22. Met betrekking tot eisers primaire standpunt verwijst de rechtbank naar het arrest van de Hoge Raad [4] , waarin is geoordeeld dat artikel 131 van Pro de Waterschapswet in overeenstemming met zijn strekking zo moet worden uitgelegd dat in een geval waarin zowel bezwaar is gemaakt tegen een WOZ-beschikking als tegen een aanslag watersysteemheffing gebouwd, op het laatstbedoelde bezwaar eerst uitspraak mag worden gedaan nadat de WOZ-beschikking onherroepelijk is komen vast te staan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarom terecht de termijn van het doen van uitspraak tegen de watersysteemheffing gebouwd verlengd tot het moment van uitspraak doen op het bezwaar tegen de WOZ-beschikking. Daaruit volgt dat de heffingsambtenaar tijdig heeft beslist op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing gebouwd. Eiser heeft daarom geen recht op een hogere dwangsom.
23. De rechtbank is verder van oordeel dat de al vastgestelde dwangsom van € 427 correct is vastgesteld over een periode van 17 dagen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. De eerste dag waarover de dwangsom is verschuldigd, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. [5] Indien een ontvangst(moment) wordt betwist, dient volgens vaste jurisprudentie eiser de verzending aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met enkel blote stellingen niet aannemelijk gemaakt dat de heffingsambtenaar de ingebrekestelling eerder per post heeft ontvangen dan maandag 15 juli 2024.
Heeft eiser recht op een immateriële schadevergoeding?
24. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn hiervoor begint op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift heeft ontvangen. Het bezwaarschrift is ontvangen op 10 april 2024 en de rechtbank heeft vóór 9 april 2026 uitspraak gedaan. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar niet is overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op vergoeding van immateriële schade.

Conclusie en gevolgen

25. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd blijft op € 394.000 en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing gebouwd in stand blijven. De aanslagen rioolheffing eigenaar, afvalstoffenheffing, watersysteemheffing ingezetenen en zuiveringsheffing blijven ook in stand. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 7 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
2.Hoge Raad 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 en Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106
3.Zie o.a. de arresten van de Hoge Raad van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777 en van 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938.
4.Hoge Raad 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0411
5.Artikel 4:17, lid 3, van Algemene wet bestuursrecht.