Eiseres ontvangt sinds 2013 bijstand en woont met haar kinderen op een adres in Groningen. Het college vermoedde dat zij vanaf 1 januari 2018 een gezamenlijke huishouding voerde met X, haar partner, en trok daarom de bijstand in en vorderde deze terug over de periode 2018 tot en met april 2024.
Na een anonieme melding en onderzoek met observaties, bankafschriften en getuigenverklaringen stelde het college vast dat X vanaf 1 mei 2024 zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende bewijs heeft geleverd dat dit vanaf 1 januari 2018 het geval was, waardoor de intrekking en terugvordering over die periode niet standhouden.
De rechtbank bevestigt echter dat vanaf 1 mei 2024 X zijn hoofdverblijf op het adres had en dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door dit niet te melden. Daarom blijft de intrekking van de bijstand per die datum in stand.
De rechtbank vernietigt het besluit voor de periode 2018 tot april 2024 en beveelt het college een nieuw besluit te nemen. Tevens krijgt eiseres een proceskostenvergoeding en het griffierecht terug.