Aan betrokkene is een boete opgelegd voor het veroorzaken van onnodig geluid met een motorfiets waarvan de dB-killer uit de uitlaat was verwijderd. Betrokkene betwistte de overtreding en voerde aan dat het voertuig volgens het RDW 106 dB produceerde en de demper niet was verwijderd.
De kantonrechter hechtte doorslaggevende waarde aan de verklaring van de verbalisanten die een 'enorm hard geluid' hoorden en constateerden dat de dB-killer ontbrak, wat onnodig geluid veroorzaakt. Het RDW-geluidniveau was niet relevant voor de beoordeling.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van berechting werd de boete met 25% gematigd tot € 219,00. Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 56,69, gebaseerd op een vermenigvuldigingsfactor van 0,25 uit artikel 13a, tweede lid, van de Wahv.
De kantonrechter verklaarde zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetaling van de proceskostenvergoeding. Tegen deze beslissing kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.