Eiseres, eigenaar en gebruiker van een psychiatrische kliniek, betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarden en de daarop gebaseerde aanslagen OZB gebruiker voor de jaren 2018, 2019 en 2020. Verweerder heeft de waarden vastgesteld op circa €19,7 tot €20,7 miljoen, terwijl eiseres lagere waarden bepleit. Beide partijen hebben taxatierapporten overgelegd, maar de rechtbank oordeelt dat geen van beiden de waarden voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
De rechtbank constateert dat verweerder niet heeft toegelicht welke gegevens en aannames ten grondslag liggen aan de gehanteerde levensduur en restwaardes in zijn taxatiekaarten, en dat nadere stukken niet tijdig zijn overgelegd. Eiseres heeft haar lagere waarden ook onvoldoende onderbouwd, met onvolledige restwaarde- en levensduurgegevens. Daarom stelt de rechtbank de waarden schattenderwijs vast op €19.000.000 voor 2018 en 2019 en €17.000.000 voor 2020, met bijbehorende heffingsmaatstaven OZB gebruiker.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de redelijke termijn voor de uitspraak is overschreden vanwege de coronapandemie en kent een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten van eiseres. De eerdere uitspraken op bezwaar worden vernietigd en vervangen door deze uitspraak.