Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder
de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.
Procesverloop
Overwegingen
“Bijlage 7
Bijlage 6 en 7
Rechtbank Noord-Nederland
Eiseres, erfgenaam van een overleden aandeelhouder van een BV, vordert toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOR) op de aandelen in de BV. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen en een aanslag erfbelasting opgelegd, welke eiseres betwist. De kern van het geschil is of de BV op overlijdensdatum een onderneming dreef en of de BOR van toepassing is.
De rechtbank stelt vast dat de BV een kamerverhuurbedrijf exploiteerde met circa 15 panden en 60 huurders. Hoewel eiseres en haar vader werkzaamheden verrichtten, is niet aannemelijk gemaakt dat deze activiteiten naar aard en omvang meer omvatten dan normaal vermogensbeheer. Hierdoor is geen sprake van ondernemingsvermogen in de zin van de BOR.
Daarnaast is het geschil over de hoogte van de vennootschapsbelastinglatentie. De rechtbank volgt de inspecteur in het standpunt dat moet worden uitgegaan van de contante waarde van de latentie (ongeveer 14,66%) in plaats van de nominale waarde (25%). Het beroep op interne compensatie slaagt, waardoor de aanslag in stand blijft.
Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep kent de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van € 1.000, te verdelen tussen eiseres en haar moeder. Ook worden proceskosten en griffierecht deels aan verweerder en deels aan de Minister opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de aanslag erfbelasting blijft in stand.