Eiseres huurde de begane grond en eerste vier verdiepingen van een bedrijfsgebouw dat kantoorruimtes bevat zonder eigen toiletten en pantry. Verweerder stelde de WOZ-waarde vast en legde OZB-aanslagen op voor 2014 en 2015. Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-beschikkingen, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het gehuurde gedeelte niet als afzonderlijk geheel kan worden aangemerkt omdat het geen eigen sanitaire voorzieningen heeft en de toiletten en pantry gedeeld worden met andere verdiepingen. Hierdoor is de objectafbakening onjuist en dienen de WOZ-beschikkingen en OZB-aanslagen te worden vernietigd.
De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar, de WOZ-beschikkingen en de aanslagen, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het arrest benadrukt dat het bedrijfsgebouw als één onroerende zaak moet worden beschouwd.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de WOZ-beschikkingen en OZB-aanslagen 2014 en 2015 wegens onjuiste objectafbakening en veroordeelt verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 16/2126 en LEE 16/2127
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 april 2018 in de zaak tussen
[eiseres] ., te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. L.Y. Gramsbergen),
en
GBLT (uitvoeringsorganisatie gemeenten Zwolle, Nijkerk, Leusden en Dronten), verweerder
(gemachtigde: [naam] ).
Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2014 heeft verweerder op grond van artikel 22 vanPro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de begane grond en de eerste vier verdiepingen van het bedrijfsgebouw aan [adres] , per waardepeildatum 1 januari 2013, voor het kalenderjaar 2014, vastgesteld op € 5.788.000. Tevens is daarbij de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) gebruiker opgelegd.
Bij besluit van 31 oktober 2015 heeft verweerder op grond van artikel 22 vanPro de Wet WOZ de waarde van de begane grond en de eerste vier verdiepingen van het bedrijfsgebouw aan [adres] , per waardepeildatum 1 januari 2014, voor het kalenderjaar 2015, vastgesteld op € 5.425.000. Tevens is daarbij de aanslag OZB gebruiker opgelegd.
Bij uitspraken op bezwaar van 14 maart 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de WOZ-beschikkingen 2014 en 2015 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. De gemachtigde van eiseres heeft zich laten vertgenwoordigen door [naam] en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .
Overwegingen
Feiten
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
1.1
[naam] , is
eigenaar van het bedrijfsgebouw aan [adres] (het bedrijfsgebouw).
Het bedrijfsgebouw bestaat uit een begane grond en zes verdiepingen, met liften in de
halgedeelten. Op de begane grond en de verdiepingen bevinden zich kantoorruimtes. Deze
kantoorruimtes kunnen alleen met een toegangspas worden betreden. Daarnaast is op de
begane grond en op elke verdieping in het halgedeelte een toiletgroep en een pantry
aanwezig. In de kantoorruimten zelf zijn geen sanitaire- en keukenvoorzieningen aanwezig.
1.2
Van 16 april 2012 tot en met 15 april 2017 huurde eiseres de begane grond en de eerste vier verdiepingen van het bedrijfsgebouw.
Geschil en beoordeling
2.1
Primair is in geschil is of verweerder het bedrijfsgebouw op de juiste wijze heeft
afgebakend. Daarbij gaat het in het bijzonder om de vraag of het gedeelte dat eiseres huurde
(zie 1.2) blijkens zijn indeling bestemd is om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt en
om die reden op basis van artikel 16, aanhef en letter c, van de Wet WOZ als afzonderlijke
onroerende zaak (gedeelte) moeten worden aangemerkt.
2.2.
Voor het geval het door eiseres gehuurde gedeelte van het bedrijfsgebouw terecht als
afzonderlijk geheel is aangemerkt, verschillen partijen subsidiair van mening over de waarde
daarvan op de waardepeildata.
ontvankelijkheid bezwaar (2014)
3. De WOZ-beschikking 2014 is gedagtekend 28 februari 2014. Verweerder heeft het
daartegen gerichte bezwaar ontvangen op 6 november 2015. Dit roept vragen op over
de ontvankelijkheid van dat bezwaar. Ter zitting is gebleken dat de WOZ-beschikking
2014 naar het adres is gestuurd waar eiseres tot 2002 was gevestigd en dat deze niet door
eiseres was ontvangen. Daarom heeft verweerder deze WOZ-beschikking, ditmaal met
dagtekening 31 oktober 2015, nogmaals én naar het juiste adres van eiseres verzonden. Naar
het oordeel van de rechtbank is de WOZ-beschikking 2014 pas op dat moment op de
voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Dat leidt ertoe dat de termijn voor het indienen van
het bezwaarschrift op 1 november 2015 is aangevangen, zodat eiseres daartegen tijdig
bezwaar heeft gemaakt.
objectafbakening
4. Eiseres stelt dat verweerder het gedeelte van het bedrijfsgebouw dat eiseres huurt, ten
onrechte als zelfstandig gedeelte heeft aangemerkt. De kantoorruimten van het door haar
gehuurde zijn weliswaar afsluitbaar, maar bevatten geen 'eigen' toiletten en pantry. De
toiletten en de pantry bevinden zich buiten het afsluitbare gedeelte en kunnen ook
worden gebruikt door de gebruikers van de vijfde en zesde verdieping.
Daarmee is geen sprake van een gedeelte dat is bestemd om als afzonderlijk geheel te
worden gebruikt, aldus eiseres.
5. Verweerder voert aan dat hij het gedeelte van het bedrijfsgebouw dat eiseres huurt,
terecht als (zelfstandige) onroerende zaak heeft afgebakend. Verweerder concludeert
daartoe op grond van de omstandigheden van het geval, in hun onderlinge samenhang
bezien. In dat verband speelt volgens verweerder een rol dat eiseres, als hoofdhuurder van
het bedrijfsgebouw, op grond van de huurovereenkomst mede kan bepalen aan wie de
vijfde en zesde verdieping worden verhuurd. Daarbij stonden de vijfde en zesde verdieping
volgens verweerder leeg op de peildata, zodat eiseres de toiletten en pantry feitelijk alleen
kon gebruiken. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder verwezen naar de
uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 augustus 2016 (ECLI:NL:
dienen in verband daarmee de WOZ-beschikkingen en de daarop gebaseerde aanslagen OZB te
worden vernietigd. De onderhavige onjuiste afbakening kan niet in bezwaar of beroep worden
aangepast. Voor het onjuist afgebakende object kan de ambtenaar van de gemeente evenwel een
nieuwe waardebeschikking geven. Het bedrijfsgebouw is in zijn totaliteit één onroerende zaak
in de zin van artikel 16 vanPro de Wet WOZ. De rechtbank zal de beroepen inzake de WOZ-
beschikkingen 2014 en 2015 dan ook gegrond verklaren en de betreffende uitspraken op bezwaar,
de WOZ-beschikkingen 2014 en 2015 en de aanslagen OZB gebruikers 2014 en 2015 vernietigen.
9. Aan het subsidiaire geschilpunt komt de rechtbank niet toe.
10. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat
verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in de
beroepsfase. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten
bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting
beide met een waarde van € 501 per punt en een wegingsfactor 1). Tussen de twee zaken is
samenhang aanwezig als bedoeld in artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vernietigt de WOZ-beschikkingen 2014 en 2015 en de aanslagen OZB gebruikers 2014 en 2015;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 668 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, voorzitter, en mr. M. van den Bosch en mr. J.F.H. van den Belt, leden, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.