Een bedrijf dat Rijnvarenden detachert op schepen op de Rijn verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving op haar werknemers toe te passen. De werknemers wonen in Nederland en verrichten werkzaamheden in meerdere lidstaten. De Svb stelde op basis van vermoedens dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was en wees de aanvraag af.
De rechtbank oordeelde dat de brief van het bedrijf geen formele aanvraag was en dat de Svb onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke vestigingsplaats van het bedrijf in Cyprus. De Svb had niet de vereiste zorgvuldigheid betracht en de Europese Verordeningen 883/2004 en 987/2009 niet correct toegepast, met name de procedure rond voorlopige vaststelling en overleg met andere lidstaten.
De rechtbank stelde dat het bedrijf niet had voldaan aan haar informatieplicht en dat de bewijslast bij het bedrijf lag. Er was geen sprake van misbruik van recht. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf de Svb opdracht binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de juiste procedure en overleg met betrokken lidstaten.