Een bedrijf dat Rijnvarenden detachert op schepen die varen op binnenwateren van Nederland en België, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving op haar werknemers toe te passen. De Svb stelde echter dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is omdat onvoldoende bewijs werd geleverd dat de werknemers minder dan 25% van hun werktijd in Nederland werkzaam waren.
De rechtbank oordeelde dat de brief van het bedrijf niet als een formele aanvraag kon worden gezien en dat de Svb niet de vereiste zorgvuldigheid in de besluitvorming had betracht. De Svb had onvoldoende onderzoek gedaan naar de feitelijke zetel van het bedrijf en de werkelijke werktijden van de werknemers, en had onterecht vermoedens gehanteerd als bewijs.
Verder concludeerde de rechtbank dat de Europese Verordening 883/2004 en de toepasselijke Rijnvarendenovereenkomst niet correct waren toegepast, mede omdat Cyprus geen partij is bij de Rijnvarendenovereenkomst. Er was ook geen sprake van misbruik van recht door het bedrijf. Het beroep werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met de opdracht aan de Svb om opnieuw te beslissen met inachtneming van de uitspraak.