ECLI:NL:RBNHO:2026:7899

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/15/350337
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:305a BWArt. 1018c RvArt. 1018e lid 2 RvArt. 1018f lid 3 RvArt. 6 lid 1 Mededingingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid Stichting Consumenten Competition Claims in collectieve actie tegen LG wegens prijsafspraken televisies

Stichting Consumenten Competition Claims (CCC) vordert in een collectieve actie tegen LG Electronics Benelux Sales B.V. (LG) vanwege vermeende onrechtmatige beïnvloeding van verkoopprijzen van televisies tussen 2015 en 2018. LG wordt verweten mededingingsrecht te hebben geschonden door prijsafspraken met detailhandelaren, wat door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) is beboet. De bestuursrechtelijke procedure over dit sanctiebesluit loopt in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).

De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van CCC onder zowel het oude collectieve actierecht (WCAM) als het nieuwe (WAMCA). CCC voldoet aan de vereisten van rechtspersoonlijkheid, gelijksoortigheid van belangen, representativiteit, financiering en overleg met LG. De rechtbank oordeelt dat de belangen van de consumenten voldoende gelijksoortig zijn en dat bundeling van vorderingen efficiënt en effectief is. De omvang van de achterban, steun van de Consumentenbond en ervaring van CCC ondersteunen ontvankelijkheid.

De rechtbank houdt de beslissing over het toepasselijke collectieve actierecht aan in afwachting van een arrest van de Hoge Raad in de Mercedes-zaak, en wijst de voeging toe met een soortgelijke zaak tegen Samsung vanwege verknochtheid. De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol, met verdere procedurele stappen na uitspraken van de Hoge Raad en het CBb. De inhoudelijke beoordeling van de vorderingen wordt aangehouden tot de bestuursrechtelijke procedure is afgerond.

Uitkomst: De rechtbank verklaart Stichting Consumenten Competition Claims ontvankelijk in haar collectieve actie tegen LG en wijst voeging toe met de zaak tegen Samsung, met aanhouding van verdere beslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/350337 / HA ZA 24-157
Vonnis van 1 juli 2026, tevens vonnis in incident
in de zaak van
STICHTING CONSUMENTEN COMPETITION CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
hierna te noemen: CCC,
advocaat: mr. J. de Jong, mr. C.C.A. van Rest, mr. S.M. Campmans te Amsterdam
tegen
LG ELECTRONICS BENELUX SALES B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident,
hierna te noemen: LG,
advocaat: mr. S. Beeston, mr. N.M. Korstenbroek, mr. E.A.J. Schoenmakers te Amsterdam
Zaak in het kort
Deze zaak betreft een collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW). CCC wenst op te komen voor de belangen van – kort gezegd – Nederlandse kopers van een televisie in de periode van 1 januari 2015 tot en met 7 december 2018. Volgens CCC heeft LG jarenlang op onrechtmatige wijze de verkoopprijzen van televisies beïnvloed door communicatie met detailhandelaren die erop was gericht om verkoopprijzen naar boven aan te passen aan haar adviesprijzen. CCC meent dat Nederlandse consumenten daardoor te veel hebben betaald voor een televisie. Deze gedragingen zijn ook door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) gekwalificeerd als een schending van het (Europese) mededingingsrecht, waarvoor zij LG een boete opgelegd heeft van bijna 8 miljoen euro. LG is het niet eens met dit besluit en de bestuursrechtelijke procedure bevindt zich nu in hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).
In deze fase gaat het over de ontvankelijkheid van CCC. De rechtbank is van oordeel dat CCC aan alle ontvankelijkheidseisen voldoet. De aanwijzing van CCC als exclusieve belangenbehartiger en de vaststelling van de nauw omschreven groepen vindt in een later stadium plaats, als partijen zich hebben uitgelaten over het toepasselijke collectieve actierecht naar aanleiding van een verwacht arrest van de Hoge Raad in de Mercedes-zaak. Vervolgens zal ook de verdere inhoudelijke beoordeling van de procedure worden aangehouden totdat in de bestuursrechtelijke procedure is beslist over de rechtmatigheid van het sanctiebesluit van de ACM.
In dit vonnis wordt verder beslist dat de zaak wordt gevoegd met de zaak van CCC tegen Samsung.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- het vonnis in incident van 16 april 2025, ECLI:NL:RBNHO:2024:4867, met de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
- de conclusie van antwoord van LG ten aanzien van de ontvankelijkheid, met 2 producties;
- de akte overlegging producties met producties 12 t/m 18 van CCC;
- de mondelinge behandeling van 20 mei 2026 over de ontvankelijkheid, waarbij door beide partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn bijgehouden.
1.2.
Bij rolbeslissing van 18 december 2024 is bepaald de zaken in de LG-procedure parallel te laten lopen met de zaken in de Samsung-procedure. In de zaak met nummer C/15/347678 (CCC v. Samsung) heeft eveneens op 20 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. In de zaken waarin STEP als eisende partij optreedt tegen Samsung en LG (C/15/351200 respectievelijk C/15/358688) heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. Die zaken zijn naar de rol van 1 juli 2026 verwezen voor vonnis.
1.3.
Bij vonnis in incident van 16 april 2025 is het verzoek om de procedure te voegen (door de rechtbank begrepen als incidentele vordering) met de Samsung-zaak (C/15/347678 CCC v. Samsung) aangehouden. Daarop wordt in dit vonnis beslist.
1.4.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van CCC

2.1.
CCC is opgericht op 10 maart 2022. Volgens de akte van oprichting heeft CCC ten doel het behartigen van de belangen van consumenten, met betrekking tot (onder meer) iedere vorm van benadeling als gevolg van oneerlijke marktpraktijken, zoals schendingen van het mededingingsrecht of het consumentenrecht.
2.2.
Het bestuur van CCC bestaat uit [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. De Raad van Toezicht bestaat uit [betrokkene 4], [betrokkene 5] en [betrokkene 6].
2.3.
Op 23 april 2025 is CCC door het Ministerie van Justitie en Veiligheid aangewezen als bevoegde instantie voor het instellen van grensoverschrijdende representatieve vorderingen voor consumenten binnen de Europese Unie.
2.4.
LG maakt onderdeel uit van een groot internationaal elektronicaconcern. Het concern produceert, distribueert en verkoopt een breed scala aan elektronische apparaten, waaronder televisies.
2.5.
De ACM heeft bij besluit van 11 juli 2023 aan LG een boete opgelegd van € 7.943.500,00 voor het afstemmen van consumentenprijzen van LG-televisies met verschillende detailhandelaren (hierna ook: het Sanctiebesluit). De ACM concludeert dat LG met de in het Sanctiebesluit beschreven gedragingen in de periode van 1 januari 2015 tot en met 7 december 2018 heeft deelgenomen aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met zeven detailhandelaren die ertoe strekten de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Deze gedragingen vormen een overtreding van de verbodsnormen van artikel 6 lid 1 Mededingingswet Pro (Mw) en artikel 101, eerste lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
2.6.
Na een bezwaar- en beroepsprocedure waarbij het Sanctiebesluit in stand is gebleven loopt er nu een hoger beroepsprocedure bij het CBb.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
CCC vordert, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
I. CCC aanwijst als exclusieve belangenbehartiger;
II. bepaalt dat CCC in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende nauw omschreven groepen in de zin van artikel 1018e lid 2 Rv:
(a) alle personen die tussen 1 januari 2015 en 7 december 2018 in Nederland een LG televisie hebben aangeschaft bij een detailhandelaar;
(b) alle personen die tussen 1 januari 2015 en 7 december 2018 in Nederland een overige televisie hebben aangeschaft bij een detailhandelaar;
III. (a) bepaalt dat iedere persoon van de nauw omschreven groepen die in Nederland woonachtig is, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de uitspraak tot aanwijzing van CCC tot exclusieve belangenbehartiger de mogelijkheid heeft bij schriftelijk bericht aan de griffie van de rechtbank te laten weten zich van de behartiging van zijn belangen in deze collectieve actie te onttrekken (“opt out”); en
(b) bepaalt dat iedere persoon van de nauw omschreven groepen die niet in Nederland woonachtig is, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de uitspraak tot aanwijzing van CCC tot exclusieve belangenbehartiger de mogelijkheid heeft bij schriftelijk bericht aan de griffie van de rechtbank te laten weten in te stemmen met de behartiging van zijn belangen;
IV. voor recht verklaart dat:
(a) LG jegens de nauw omschreven groepen in strijd heeft gehandeld met de artikelen 6 lid 1 Mw en 101 lid 1 VWEU; en
(b) LG als gevolg daarvan aansprakelijk is jegens iedere persoon behorende tot de nauw omschreven groepen en uit dien hoofde de door die persoon geleden schade dient te vergoeden;
V. LG veroordeelt tot betaling van de ten gevolge van haar onrechtmatig handelen geleden schade, zo nodig nader op te maken bij staat;
VI.
primairLG veroordeelt tot betaling van de volledige proceskosten en andere kosten van dit geding, waaronder de volledige kosten van en vergoeding aan de procesfinancier en de buitengerechtelijke kosten, waaronder de te maken kosten voor de schadeafwikkeling;
subsidiairbepaalt dat CCC de aan de procesfinancier te betalen vergoeding in mindering mag brengen op de uit te keren schadevergoedingen.
3.1.
LG voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van CCC, met veroordeling van CCC in de kosten van deze procedure.
3.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
LG heeft allereerst betoogd dat de rechtbank dient terug te komen op de bevoegdheidsbeslissing, indien STEP niet-ontvankelijk wordt verklaard, want daarmee
vervalt de grondslag waarop de rechtbank bevoegdheid heeft aangenomen.
Dat betoog faalt. Bij vonnis in incident van 16 april 2025 is het onbevoegdheidsverweer van LG verworpen en heeft de rechtbank zich op grond van artikel 107 Rv Pro bevoegd geacht. De toestand ten tijde van de bevoegdheidsbeoordeling is relevant, zodat de (latere) beslissing over de niet-ontvankelijkheid van STEP in de procedure tegen LG (C/15/358688) niet meebrengt dat de bevoegdheid van de rechtbank in deze procedure komt te vervallen. Bovendien is het standpunt van LG onjuist dat daarmee elke band tussen deze zaak en deze locatie van de rechtbank is komen te vervallen, gelet op het voegingsincident van CCC waarvan de beslissing bij datzelfde vonnis in incident van 16 april 2025 is aangehouden en waarop bij dit vonnis (toewijzend) wordt beslist.
Toepasselijk collectief actierecht
4.2.
De vorderingen van CCC hebben betrekking op de periode van 2015 tot en met 2018. De eerste vraag die voorligt is welk collectief actierecht van toepassing is op de vorderingen van CCC.
4.3.
Het overgangsrecht van de WAMCA houdt in dat oud recht (de Wet Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM)) van toepassing blijft voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. [1] Dit brengt mee dat in beginsel een ‘knip’ van het toepasselijke collectieve actieregime moet worden toegepast, waarbij op de vordering zowel het oude recht (voor zover betrekking op gebeurtenissen voor 15 november 2016) als het nieuwe recht (voor gebeurtenissen na die datum) van toepassing is. Als sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden. Dit laatste volgt uit de toelichting op het amendement van Van Gent waarmee het overgangsrecht is gewijzigd, waarbij deze uitzondering is omschreven als een theoretisch geval. [2]
4.4.
A-G Snijders heeft zich in een recente conclusie bij de Mercedes-zaak uitgelaten over de invulling van dit overgangsrecht. [3] Volgens de A-G duiden de wettekst en de toelichting op het amendement op de toepassing van een knip. Van de gegeven uitzondering op de knip – als sprake is van een reeks van gebeurtenissen – is zijns inziens alleen sprake bij een voortdurende gebeurtenis of repeterende reeks van gebeurtenissen waarbij de toebrenging van de schade die als gevolg daarvan is ontstaan of waarbij de gebeurtenissen die de oorzaak van de schade zijn geweest, niet goed gedateerd kunnen worden vóór dan wel op of na 15 november 2016. [4]
4.5.
Partijen leggen de termen ‘voortdurende gebeurtenis’ en ‘reeks van gebeurtenissen’ verschillend uit.
4.5.1.
CCC betoogt dat op haar gehele vordering de WAMCA van toepassing is. De onrechtmatige gedraging van LG die ten grondslag ligt aan haar vordering kwalificeert volgens haar als een voortdurende gebeurtenis. CCC verwijst (hoofdzakelijk) naar de kwalificatie van de inbreuk door de ACM als één enkele voortdurende inbreuk. Deze kwalificatie door de ACM ziet CCC bevestigd in de uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin is geoordeeld over de rechtmatigheid van het Sanctiebesluit. [5] De conclusie van A-G Snijders leidt volgens CCC niet tot een ander oordeel, omdat het in die zaak niet gaat om een mededingingsrechtelijke inbreuk en de A-G overigens heeft geschreven dat er belangrijke voordelen zitten aan het niet toepassen van een knip, aldus CCC. Subsidiair, mocht toch een knip worden toegepast, stelt CCC eveneens ontvankelijk te zijn onder de WCAM, omdat het oude regime minder strenge eisen stelt aan de ontvankelijkheid dan de WAMCA.
4.5.2.
LG betoogt dat een knip moet worden toegepast en televisies die gekocht zijn vóór 15 november 2016 buiten het temporele toepassingsbereik van de WAMCA vallen. LG voert daartoe aan dat de grondslag van de vorderingen van CCC de schending van het mededingingsrecht is, welke bestaat uit de gestelde deelname aan overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met detailhandelaren die ertoe strekten de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. Voor de beoordeling van het toepasselijk regime moet volgens LG daarom gekeken worden naar de communicatie die hiertoe heeft geleid. Dit zijn dateerbare gebeurtenissen, zodat de uitzondering op de knip niet gerechtvaardigd is, concludeert LG onder verwijzing naar de conclusie van A-G Snijders.
4.6.
Uit de conclusie van A-G Snijders en de daarin genoemde lagere rechtspraak blijkt dat onduidelijk is hoe het overgangsrecht moet worden uitgelegd en toegepast. De rechtbank ziet daarin aanleiding de beslissing over het toepasselijke collectieve actierecht aan te houden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de Mercedes-zaak. Het toepasselijke collectieve actierecht is (met name) relevant voor de inhoudelijke beoordeling, zodat het aanhouden van deze beslissing geen vertraging oplevert van de procedure. Het aanhouden van deze beslissing staat ook niet in de weg aan de toetsing van de overige vereisten van de ontvankelijkheid zowel onder de WAMCA als de WCAM (zie 4.8).
De ‘schadeveroorzakende gebeurtenis’
4.7.
Voor toepassing van het overgangsrecht is, evenals bij de beoordeling van de ontvankelijkheid, van belang wat de gestelde ‘(schadeveroorzakende) gebeurtenis’ is. De rechtbank sluit – in lijn met de conclusie van A-G Snijders – voor het begrip ‘gebeurtenis’ aan bij het feit of de feiten die de aanleiding en grondslag zijn van de aan de orde zijnde vordering (de collectieve actie), oftewel de gebeurtenis waarop de (gestelde) aansprakelijkheid voor de schade berust. [6] De collectieve actie berust op de stelling van CCC dat LG onrechtmatig heeft gehandeld door verkoopprijzen van LG-televisies met detailhandelaren af te stemmen, zoals (onder meer) vastgesteld in het Sanctiebesluit. LG heeft volgens CCC met dit handelen het (Europese) mededingingsrecht geschonden, namelijk artikel 101 VWEU Pro en artikel 6 Mw Pro. Dit handelen, waarmee verkoopprijzen van detailhandelaren van televisies onrechtmatig zouden zijn beïnvloed, heeft dan ook als gebeurtenis te gelden voor deze procedure. Hierbij merkt de rechtbank op dat de gestelde onrechtmatige gedraging hier nog niet ten gronde inhoudelijk wordt beoordeeld, maar dat in deze voorfase wordt aangesloten bij de grondslag van CCC voor deze collectieve actie.
Ontvankelijkheid
WCAM en WAMCA
4.8.
Zowel onder de WCAM als de WAMCA moet worden beoordeeld of een belangenorganisatie ontvankelijk is in haar vorderingen. De ontvankelijkheidseisen voor belangenorganisaties voor het instellen van een collectieve vordering zijn met de inwerkingtreding van de WAMCA ten opzichte van het vóór 2020 geldende recht aangescherpt op het punt van een goede governance, financiering en representativiteit. De inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering vindt onder de WAMCA op grond van artikel 1018c lid 5 Rv slechts plaats indien en nadat de rechter (onder meer) heeft beslist dat de eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW. Artikel 3:305a BW bepaalt dat de gelijksoortige belangen van degenen waarvoor de belangenorganisatie opkomt voldoende dienen te zijn gewaarborgd (lid 1, uitgewerkt in lid 2), de rechtsvordering een voldoende nauwe band heeft met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 sub b) en de belangenorganisatie in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (lid 3 sub c). Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv moet de eiser verder voldoende aannemelijk maken dat het voeren van een collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering en moet worden getoetst of de collectieve vordering niet summierlijk ondeugdelijk is.
4.9.
Zowel onder de WCAM als de WAMCA moet (dus) worden getoetst aan het statutenvereiste, het gelijksoortigheidsvereiste, het overlegvereiste, het waarborgvereiste (waarbij de eisen zijn aangescherpt onder het nieuwe recht) en moet worden beoordeeld of met een collectieve actie een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. De rechtbank stelt vast dat onder de WCAM niet méér of strengere eisen worden gesteld voor wat betreft de ontvankelijkheid dan onder de WAMCA. Daarom worden hierna de ontvankelijkheidseisen gemakshalve onder het huidige recht (WAMCA) beoordeeld. Alleen waar dat nodig is, zal worden gedifferentieerd tussen de voorheen geldende en de huidige eisen.
Toetsing ex nunc
4.10.
In lijn met de conclusie van A-G De Bock en de daarin opgenomen feitenrechtspraak [7] toetst de rechtbank de ontvankelijkheid
ex nunc, naar de situatie ten tijde van de mondelinge behandeling.
Artikel 3:305a lid 1 BW
4.11.
In artikel 3:305a lid 1 BW zijn als vereisten aan een eisende partij in een collectieve vordering opgenomen de rechtspersoonlijkheid van de eisende partij, de gelijksoortigheid van de behartigde belangen en een voldoende waarborg van die belangen.
4.12.
Aan de vereisten dat sprake is van een stichting die ingevolge haar statuten de belangen behartigt waartoe deze ingestelde rechtsvordering strekt is voldaan, gelet op het onder 2.1 weergegeven statutaire doel.
Gelijksoortige belangen (artikel 3:305a lid 1 BW)
4.13.
Een volgend vereiste uit dit wetsartikel voor het instellen van deze vordering is dat wordt opgekomen voor gelijksoortige belangen. Het vereiste van gelijksoortigheid houdt in dat de belangen ter bescherming waarvan de rechtsvordering strekt zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. Voldoende gelijksoortigheid van belangen hoeft niet mee te brengen dat de posities, achtergronden en belangen van degenen ten behoeve van wie een collectieve actie wordt ingesteld identiek of overwegend gelijk zijn. In een collectieve actie past een zekere abstracte toetsing.
4.14.
CCC stelt dat aan dit vereiste voldaan is. De grondslag van de vorderingen van CCC is het onrechtmatig handelen van LG, bestaande uit de schending van artikel 101 VWEU Pro en dus een verstoring van de hele markt. Alle consumenten zijn zonder aanziens des persoons voldoende gelijksoortig geraakt, omdat het in alle gevallen gaat om een situatie waarin de consumenten worden geconfronteerd met (i) een inbreuk op hun rechten die voortvloeien uit (onder meer) artikel 101 VWEU Pro en artikel 6 Mw Pro en (ii) een vordering die er telkens op ziet de geleden schade gecompenseerd te krijgen. De overeenkomsten en/of onderling afgestemde feitelijke gedragingen met de detailhandelaren zijn allemaal gericht op een gemeenschappelijk doel: het handhaven van de retailverkoopprijzen van LG-televisies op het door LG verlangde niveau.
4.15.
LG voert aan dat niet is voldaan aan het gelijksoortigheidsvereiste, omdat de belangen van de betrokkenen niet gebundeld kunnen worden en de gevorderde schade afhankelijk is van individuele omstandigheden.
Volgens LG moet gelijksoortigheid worden benaderd vanuit de beoordeling van de communicatie van LG met de detaillisten. Dan is de vraag of de communicatie over specifieke LG-modellen met één van de zeven webwinkels en retailers die televisietoestellen van LG verkochten (de zogenaamde SDA-partners [8] ) effect had op de prijs van dat model bij die specifieke retailer. Vervolgens is de vraag of er een effect was bij andere retailers of op andere LG-modellen. Ook is de vraag of deze communicatie effect had op offline verkopen. CCC heeft bij de categorisering van de nauw omschreven groepen ten onrechte geen onderscheid gemaakt in het merk televisie, het model, de verkoper en online of offline verkoop. Deze categorisering is volgens LG voor de beoordeling van de onrechtmatigheid en de schade noodzakelijk. Van ‘hetzelfde inbreukmakende product’ is geen sprake en de verwijzing door CCC naar de Volkswagen-zaak [9] ter onderbouwing van de gelijksoortigheid treft daarom geen doel, aldus LG. LG voert aan dat, net als in de X Corps-zaak [10] , voor deze vordering dermate veel categorieën zijn dat dit niet meer werkbaar is als een collectieve vordering.
4.16.
De rechtbank is van oordeel dat aan het gelijksoortigheidsvereiste is voldaan. De belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt lenen zich voldoende voor bundeling. De door CCC gestelde schade voor de twee verschillende groepen (kopers van een LG-televisie en kopers van een televisie van een ander merk) vloeit voort uit een gelijke normschending, namelijk de gestelde handelwijze van LG. Die heeft volgens CCC niet slechts gevolgen voor de kopers van televisies waarover is vastgesteld dat LG een detaillist heeft benaderd met het doel de prijs te verhogen, maar volgens CCC is de gehele televisiemarkt erdoor verstoord. De vordering van CCC berust hoofdzakelijk op het Sanctiebesluit van de ACM. Daarin is geoordeeld dat sprake is van een schending van het (Europese) mededingingsrecht, een ‘stelselmatige praktijk’ met een volgens de ACM prijsopdrijvend effect voor de gehele televisiemarkt tot gevolg. Over dit Sanctiebesluit loopt het hoger beroep bij het CBb tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van de ACM standhoudt. Het Sanctiebesluit is gebaseerd op de vaststelling door de ACM dat er een jarenlange praktijk bestond die als gemeenschappelijk doel had een neerwaartse prijsspiraal te voorkomen. [11] Deze handelwijze vormt de grondslag van de vorderingen. Ook als het ACM-besluit niet in stand blijft en de
stand alone-vordering beoordeeld moet worden, is de grondslag van de vordering van CCC dat sprake is van illegale prijshandhaving en van illegale uitwisseling van commercieel gevoelige informatie tussen concurrenten onderling waardoor, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van CCC, de gehele markt is beïnvloed.
4.17.
Of deze handelwijze van LG ontoelaatbaar is, kan de rechtbank beoordelen zonder dat de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de individuele belanghebbenden daarbij betrokken hoeven te worden. Bij een dergelijk marktbreed effect, is de door LG voorgestane verdergaande categorisering niet noodzakelijk. Gelijksoortigheid vereist niet dat de belangen identiek zijn en bij een toewijsbare vordering kan de hoogte van de schadevergoeding verschillen. Het debat daarover dient nader te worden uitgediept in de inhoudelijke fase van het geschil, indien de normschending, inclusief de ernst daarvan, is vastgesteld. Er is dus sprake van gemeenschappelijke juridische en feitelijke vragen en het is mogelijk om deze vragen voor de achterban gezamenlijk te beantwoorden.
Waarborgvereiste (artikel 3:305a lid 1 en lid 2 BW)
4.18.
In artikel 3:305a lid 2 BW is bepaald dat de belangen van de personen tot bescherming waarvan de rechtsvordering strekt voldoende zijn gewaarborgd, wanneer de belangenorganisatie voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen en voldoet aan de nadere vereisten als opgenomen onder a tot en met e. Het debat tussen partijen spitst zich met name toe op de representativiteit en de financiering. Deze twee onderwerpen worden als eerste behandeld en daarna de overige vereisten die artikel 3:305a lid 2 BW stelt.
Representativiteit (3:305a lid 2, aanhef BW)
4.19.
De eis van representativiteit voorkomt dat een stichting of vereniging een rechtsvordering kan instellen zonder de ondersteuning van een achterban. Niet iedere willekeurige organisatie kan zich opwerpen als verdediger van de belangen van gedupeerden. Op voorhand moet duidelijk zijn dat zij opkomt voor een voldoende groot deel van de groep getroffen gedupeerden. Wat genoeg is, verschilt per geval en kan alleen worden bepaald in relatie tot het totale aantal gedupeerden. [12] Welke eisen aan de representativiteit dienen te worden gesteld, hangt af van de omstandigheden van het geval. [13] In het algemeen geldt dat geen hoge eisen moeten worden gesteld aan de omvang van de achterban, omdat er dan spanning kan ontstaan met het hoofddoel van de WAMCA: het bevorderen van een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade. [14]
4.20.
De rechtbank is van oordeel dat CCC voldoende representatief is en motiveert dit als volgt.
4.21.
Voor de procedure tegen LG is de omvang van de achterban niet naar een exact aantal aanmeldingen geconcretiseerd. Voor de ‘televisie-claim’ hebben zich ruim 59.000 mensen aangemeld bij CCC (vastgesteld in een rapport van een accountant van 30 april 2026). De deelnemers hebben hun naam en e-mailadres opgegeven, hebben verklaard dat zij willen deelnemen aan ‘de televisieclaim’ en hebben verklaard dat zij in de periode 2013 t/m 2018 een televisie hebben gekocht. Dit betreft de relevante periode voor de procedure tegen Samsung. Voor LG is de achterban relevant vanaf 1 januari 2015. CCC stelt dat inmiddels het merendeel van de aanmelders het jaar van aankoop hebben doorgegeven en dat daarvan het merendeel ziet op een aankoop van een televisie in de periode 2015 t/m 2018. Gelet op de orde van grootte van het totaal aantal aanmeldingen, waarbij ter zitting is verklaard dat het merendeel van de aanmeldingen ziet op de ook voor LG relevante periode, acht de rechtbank genoegzaam onderbouwd dat sprake is van een concrete achterban die belang heeft bij de procedure en zich achter CCC schaart. Anders dan LG heeft aangevoerd wordt geen concreet cijfer van het aantal aanmeldingen verlangd, de wet kent ook geen getalsmatig criterium.
4.22.
In deze eerste stap van aanmelding hebben deelnemers nog niet aangegeven welk merk televisie zij hebben gekocht. De rechtbank is van oordeel dat in deze fase van de procedure een nadere specificering van het merk nog niet is vereist. De rechtsvordering van CCC strekt namelijk niet alleen tot bescherming van personen die een LG-televisie hebben gekocht. De stelling van CCC is dat de hele televisiemarkt is beïnvloed door het handelen van LG via het zogenoemde umbrella-effect. De umbrella schade bestaat erin dat door het handelen zowel fabrikanten van andere merken als niet SDA-partners van LG hogere verkoopprijzen konden hanteren voor televisies, vanwege het gebrek aan concurrentiedruk. CCC heeft ter onderbouwing van dit effect onder meer verwezen naar een in opdracht van CCC opgesteld economisch rapport. Alhoewel wordt gesproken over de mogelijkheid dat deze schade is ontstaan (en niet de vaststelling van deze schade) acht de rechtbank dit in deze ontvankelijkheidsfase voldoende. Ook acht CCC de kans op umbrella schade groter omdat Samsung, een concurrent, in dezelfde periode vergelijkbaar heeft gehandeld waardoor de concurrentie verder afnam. Of daadwerkelijk bij de aankoop van elke televisie schade is geleden, ligt ter beoordeling in de inhoudelijke fase. De grootte van de groep benadeelde kopers is volgens CCC 3,1 miljoen.
4.23.
De Consumentenbond heeft voor deze actie haar steun uitgesproken en werkt voor deze actie samen met CCC. Dit acht de rechtbank van belang voor de vraag of sprake is van een voldoende grote achterban. De Consumentenbond heeft ruim 400.000 leden en zet zich in voor bescherming van het consumentenbelang.
4.24.
Verder speelt mee dat CCC via meerdere collectieve acties opkomt voor consumenten en dus geen willekeurige ad-hoc organisatie is. De rechtbank deelt niet het standpunt van LG dat CCC slechts selectieve en misleidende informatie over de procedures tegen LG en Samsung verstrekt en dat daardoor de achterban geen weloverwogen keuze heeft kunnen maken om zich aan te sluiten bij deze actie. Daartoe is onvoldoende gesteld. De rechtbank overweegt dat CCC op haar site een versimpelde uitleg heeft staan van haar stellingen in deze procedure en is van oordeel dat die volstaat. Ook kan een gebrek aan media-aandacht, in het licht bezien van de overige omstandigheden, niet tot het oordeel leiden dat CCC onvoldoende representatief is.
4.25.
Alle omstandigheden in ogenschouw nemend (het niet geringe aantal aanmeldingen, de steun van de Consumentenbond en de omstandigheid dat CCC al een aantal jaar optreedt in collectieve acties uitsluitend voor consumenten) acht de rechtbank CCC zowel onder de WCAM als onder de WAMCA voldoende representatief. In dit stadium acht de rechtbank een verdeling van de achterban over de periodes voor en na de knip niet noodzakelijk vanwege onderstaande overwegingen.
4.25.1.
Niet gesteld of gebleken is, en dat ligt ook niet voor de hand, dat álle aanmeldingen zien op de periode vóór ofwel na 15 november 2016. Er zal enige spreiding over de jaren zijn. Bij toepassing van de knip zal het aantal aanmeldingen voor de WAMCA-vordering dan ook lager zijn. Dan is evenwel ook de benadeelde groep kleiner. Uitgaande van een enigszins gelijkmatige spreiding van de aanmelding over de jaren en met inachtneming dat onder de WAMCA niet al te hoge eisen moeten worden gesteld aan de omvang van de achterban, is ook bij toepassing van de knip aan de eis van voldoende representativiteit onder de WAMCA voldaan.
4.25.2.
Onder het oude regime is geen (zelfstandig) vereiste dat de belangenorganisatie voldoende representatief is ter zake van de belangen van degenen ten behoeve van wie de actie is ingesteld. De belangen waarvoor CCC opkomt, moeten zich echter wel lenen voor bundeling zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming wordt bevorderd. Dat is niet het geval als een collectieve actie geen voordeel biedt boven individuele procedures van belanghebbenden. Daarvan kan sprake zijn als de groep belanghebbenden zeer klein is. In dit geval lenen de belangen waarvoor CCC opkomt zich voor bundeling en is een collectieve actie efficiënter en effectiever dan individuele procedures, gelet op de gelijksoortigheid van de vorderingen en de omvang van de groep benadeelden.
Financiering en zeggenschap (3:305a lid 2 sub c BW)
4.26.
CCC moet beschikken over voldoende middelen om de kosten voor het instellen van deze rechtsvordering te dragen, waarbij de zeggenschap over de rechtsvordering in voldoende mate bij CCC ligt. Aan deze vereisten is voldaan.
4.27.
Deze procedure wordt gefinancierd door een procesfinancier. CCC heeft de nu geldende financieringsovereenkomst met deze procesfinancier overgelegd, waarbij (uitsluitend) voor de rechtbank inzage is gegeven in de budgetten. Op basis hiervan is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan het middelenvereiste.
4.28.
De rechtbank toetst in deze fase van de procedure of de belangen van de achterban voldoende zijn gewaarborgd, gelet op de afspraken die CCC over de vergoeding voor de procesfinancier heeft gemaakt. De huidige afspraken met de procesfinancier bieden naar het oordeel van de rechtbank voldoende basis voor een zorgvuldige behartiging van de belangen van de achterban.
4.29.
Het betoog van LG dat de vergoeding aan de procesfinancier mogelijk buitensporig hoog is, is prematuur. De vraag of de vergoeding voor de procesfinancier onaanvaardbaar hoog is (gezien de investering in de kosten afgezet tegen de risico’s en het rendement) is niet een beoordeling die nu op voorhand al gemaakt kan (en hoeft te) worden. Deze beoordeling kan pas (volledig) worden gemaakt als het resultaat van deze procedure en – bij toewijzing – het totale vergoedingsbedrag voor de procesfinancier bekend is. Artikel 9.2 van de financieringsovereenkomst bepaalt dat de financier nooit meer ontvangt dan 25% van het schadebedrag. De rechtbank overweegt dat deze uitkering in beginsel niet onredelijk wordt geacht.
4.30.
LG heeft verder aangevoerd dat op basis van de overgelegde financieringsovereenkomst niet kan worden uitgesloten dat de doelstellingen van CCC mogelijk ondergeschikt zijn aan commercieel gedreven invloeden en het vermogensvoordeel dat de procesfinancier kan behalen. De rechtbank acht deze zorgen van LG voldoende ondervangen met de afspraak tussen CCC en de procesfinancier dat de proces- en schikkingsstrategie berust bij CCC en CCC uitsluitend in het belang van de belanghebbenden handelt. Van omstandigheden waaruit volgt dat de zeggenschap over de vordering niet bij CCC ligt is niet gebleken.
Overige vereisten 3:305a lid 2 BW
4.31.
Artikel 3:305a lid 2 BW stelt in het kader van het waarborgvereiste voorts een aantal vereisten, gericht op transparantie en een goede governance. Aan deze vereisten is eveneens voldaan, vanwege het volgende.
4.32.
CCC beschikt over een voltallig bestuur en een toezichthoudend orgaan zoals vermeld onder 2.2 (lid 2 sub a).
4.33.
Ook beschikt CCC over passende en doeltreffende mechanismen voor de deelname aan of vertegenwoordiging bij de besluitvorming van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt (lid 2 sub b). CCC is ingericht volgens de Claimcode en dan kan worden aangenomen dat is voldaan aan dit vereiste. [15]
4.34.
Verder heeft CCC een algemeen toegankelijke internetpagina waarop de vereiste informatie te vinden is, namelijk de statuten en de bestuursstructuur van CCC, het laatst vastgestelde bestuursverslag, de bezoldiging van bestuurders en de leden van het toezichthoudend orgaan, de doelstelling en werkwijzen van de stichting, een overzicht van de stand van zaken in lopende procedures en een overzicht van de wijze waarop men zich kan aansluiten bij CCC ofwel de deelname kan worden beëindigd (lid 2 sub d onder 1 t/m 9).
4.35.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat CCC over voldoende ervaring en deskundigheid beschikt ten aanzien van het instellen en voeren van de rechtsvordering (lid 2 sub e). CCC stelt dat zij optreden als belangenbehartiger in meerdere collectieve actieprocedures, dat de bestuurders en toezichthouders zowel juridische, financiële en mededingingsrechtelijke deskundigheid bezitten (o.a. decennialange ervaring als advocaat en als toezichthouder bij de ACM) en dat zij op grond van de financieringsovereenkomst over financiële middelen kan beschikken om experts in te schakelen indien nodig. LG heeft betwist dat er voldoende ervaring aanwezig is bij de stichting, maar die betwisting is onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen van CCC. Dat de bestuursleden beperkte ervaring lijken te hebben met collectieve acties, zoals door LG naar voren gebracht, leidt niet tot die conclusie omdat wel juridische en mededingingsrechtelijke ervaring aanwezig is en CCC wordt bijgestaan door een advocatenkantoor met ervaring in het collectieve actierecht.
Ontvankelijkheidseisen artikel 3:305a lid 3 BW
4.36.
In artikel 3:305a lid 3 BW is bepaald dat de bestuurders (oprichters en huidige) van de eisende rechtspersoon geen winstoogmerk mogen hebben, dat de collectieve actie een nauwe band moet hebben met de Nederlandse rechtssfeer en dat de eisende rechtspersoon in overleg is getreden met gedaagde voordat de collectieve actie aanhangig is gemaakt. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan op grond van onderstaande.
4.37.
Niet gesteld of gebleken is dat de oprichters of de bestuurders van CCC een winstoogmerk hebben gehad of hebben met de oprichting van de stichting. Evenmin is gesteld of gebleken dat de bestuurders betrokken zijn bij de economische activiteiten van de procesfinanciers van de stichting.
4.38.
Ook heeft de collectieve actie een nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer. CCC wenst op te komen voor de belangen van kopers van een televisie in Nederland, naar aanleiding van een Sanctiebesluit gegeven door de Nederlandse mededingingsautoriteit aan de Nederlandse vennootschap binnen het LG-concern. LG heeft die nauwe band ook niet ter discussie gesteld.
4.39.
De rechtbank is van oordeel dat CCC met haar brief van 28 februari 2024 voldoende heeft getracht in overleg te treden met LG en daarmee heeft voldaan aan het overlegvereiste. Dat is ook niet ter discussie gesteld door LG. Per brief van 14 maart 2024 heeft LG geantwoord geen aanleiding te zien om in overleg te treden.
Artikel 1018c lid 5 Rv
4.40.
Uit het voorstaande volgt dat CCC voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met lid 3 BW. Daarmee voldoet zij ook aan het bepaalde in artikel 1018c lid 5 onder a Rv.
4.41.
Voorts vereist artikel 1018c lid 5 onder b Rv dat voldoende aannemelijk is dat een collectieve actieprocedure effectiever en efficiënter is dan individuele procedures. Dat sprake is van voldoende gemeenschappelijke feitelijke en rechtsvragen, waarvan het mogelijk is om deze voor de achterban gezamenlijk te beantwoorden, is reeds geoordeeld onder overweging 4.16 en 4.17. Er is verder sprake van een voldoende groot financieel belang, het in opdracht van CCC opgestelde economisch rapport schat dat consumenten in de jaren 2015 t/m 2018 € 41,4 miljoen meer hebben betaald voor LG-televisies dan zonder de schending van het mededingingsrecht het geval zou zijn geweest, en de groep waarvoor wordt opgekomen rechtvaardigt een collectieve actie. [16] De rechtbank is dan ook van oordeel dat het effectiever en efficiënter is om deze vragen in één procedure te beantwoorden dan in verschillende individuele procedures (gelijk aan 4.25.2 ten aanzien van de representativiteit in het kader van de WCAM).
4.42.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van summierlijk ondeugdelijke vorderingen en dat ook aan dit vereiste van artikel 1018c lid 5 onder c Rv is voldaan. LG heeft dit ook niet bestreden.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Ook ligt ter beoordeling voor de vordering in incident van CCC tot voeging van de procedures tegen LG en Samsung vanwege verknochtheid van de zaken (artikel 222 Rv Pro).
5.2.
Het belang van een goede en doelmatige behandeling en het belang uiteenlopende beslissingen zoveel mogelijk te vermijden, brengt mee dat de incidentele vordering wordt toegewezen. Naar het oordeel van de rechtbank vertonen beide zaken een dusdanige samenhang dat sprake is van verknochte zaken. Redengevend hiervoor is dat Samsung en LG beide beboet zijn door de ACM voor vergelijkbare gedragingen met eenzelfde schending van het mededingingsrecht tot gevolg (
resale price maintenance)en in dezelfde markt. In beide procedures wordt opgekomen voor dezelfde groep belanghebbenden, die qua periode en daardoor ook qua mogelijke schade deels overlappen. Dit gaat verder dan enkel eenzelfde thema van de zaak, zoals door LG aangevoerd. LG voert verder aan dat een marktbreed effect niet is vastgesteld en LG en Samsung ook niet hoofdelijk aansprakelijk gehouden kunnen worden voor eventuele umbrella schade. Dit zal bij de inhoudelijke behandeling aan de orde komen, maar brengt – gelet op de stellingen van CCC dat daar wel sprake van is – niet mee dat verknochtheid ontbreekt. Overigens was al sprake van rolvoeging zodat de voeging op grond van artikel 222 Rv Pro geen invloed heeft op de procesrechtelijke voortgang.
5.3.
De kosten in het voegingsincident zullen zo worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.Conclusie en vervolg van deze procedure

6.1.
CCC voldoet aan alle ontvankelijkheidseisen, zowel onder de WAMCA als WCAM.
6.2.
Een volgende stap is om CCC, als enige ontvankelijke stichting in deze procedure, als exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen. Als de rechter de exclusieve belangenbehartiger aanwijst, moet hij ook beoordelen wat de collectieve vordering precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep de belangenbehartiger de belangen in de collectieve actie behartigt. Voor vaststelling van de nauw omschreven groep moet bekend zijn welk tijdvak de gebeurtenis behelst. Daarvoor is van belang welke gebeurtenissen onder de WAMCA vallen. De nauw omschreven groep kan nog niet omschreven worden zolang niet is beslist over het toepasselijk collectieve actierecht (en dus over de vraag of al dan niet een knip moet worden toegepast). De beslissing op de vorderingen tot het aanwijzen van CCC als exclusieve belangenbehartiger en de omschrijving van de nauw omschreven groepen zal de rechtbank om die reden aanhouden.
6.3.
De rechtbank is voornemens om voor de nauw omschreven groepen aan te sluiten bij de omschrijving van CCC. In het licht van de (in dit geding te beoordelen) stelling van CCC en dat de schadeveroorzakende gebeurtenis berust op een verstoring van de mededinging in de gehele televisiemarkt, ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding de nauw omschreven groep te beperken tot alleen die personen die online de in het Sanctiebesluit genoemde specifieke LG-modellen hebben gekocht bij de zeven in het Sanctiebesluit genoemde SDA-partners, zoals door LG verzocht. CCC haalt in haar dagvaarding ook aan dat in het Sanctiebesluit staat opgenomen dat het gedrag van LG en de verschillende detailhandelaren ziet op alle televisiemodellen van LG.
6.4.
De rechtbank verwijst de zaak naar de parkeerrol. Partijen kunnen de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten over het toepasselijke collectieve actierecht nadat de Hoge Raad het arrest in de Mercedes-zaak heeft gewezen.
6.5.
Nadat partijen zich hebben uitgelaten over het toepasselijke collectieve actierecht in deze zaak, zal de rechtbank overgaan tot de aanwijzing van CCC als exclusieve belangenbehartiger, zal de nauw omschreven groep worden vastgesteld en zal worden bepaald wat de collectieve vordering precies inhoudt. Vervolgens zal gelegenheid worden gegeven voor opt in en opt out.
Daarmee is dan de ontvankelijkheidsfase afgesloten.
De zaak zal vervolgens (in lijn met het standpunt van LG en anders dan beslist bij vonnis in incident van 17 juli 2024) worden aangehouden in afwachting van de beslissing van het CBb over de rechtmatigheid van het Sanctiebesluit. Alhoewel CCC de vorderingen zowel
follow onals
stand aloneheeft ingestoken, zal het inhoudelijk debat over de vordering wezenlijk anders zal zijn als het Sanctiebesluit wegvalt. LG heeft onweersproken gesteld dat de door het CBb gestelde prejudiciële vragen in de bestuursrechtelijke procedure van Samsung ook van belang zijn voor de beslissing van het CBb voor LG. Een uitspraak van het CBb wordt niet eerder verwacht dan medio 2027.
6.6.
Op grond van bovenstaande overwegingen wordt het procesverloop – in lijn met de Samsung-procedure – vanaf heden als volgt nader vastgesteld:
  • de zaak wordt naar de parkeerrol verwezen;
  • elk van partijen kan de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten over het toepasselijke collectieve actierecht nadat het arrest in de Mercedes-zaak is gewezen;
  • de rechtbank wijst vervolgens vonnis inzake het toepasselijke collectieve actierecht en de overige nog te nemen beslissingen in de ontvankelijkheidsfase;
  • de zaak wordt in dat vonnis opnieuw naar de parkeerrol verwezen in afwachting van de uitspraak van het CBb;
  • elk van partijen kan, wanneer die uitspraak is gewezen, de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten door CCC, waarbij CCC op de uitspraak van het CBb kan reageren en daarbij desgewenst haar dagvaarding kan aanvullen of actualiseren;
  • LG dient vervolgens haar conclusie van antwoord in;
- de rechtbank bepaalt een datum voor de mondelinge behandeling in de inhoudelijke fase.

7.De beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
voegt de hoofdzaak met de bij deze rechtbank aanhangige procedure met zaak-/rolnummer C/15/347678 / HA ZA 24-6 (CCC v. Samsung);
7.2.
compenseert de kosten van het incident zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak
7.3.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van 7 april 2027, zoals overwogen onder 6.4;
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. W.S.J. Thijs en mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
1604

Voetnoten

1.Artikel 119a ONBW (Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek).
2.Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.
3.Conclusie A-G Snijders, 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224 (SEC/Mercedes c.s.).
4.Conclusie A-G Snijders, 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224 (SEC/Mercedes c.s.), rnr 5.50.
5.Rechtbank Rotterdam 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9453, r.o. 13.7.
6.Conclusie A-G Snijders, 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224 (SEC/Mercedes c.s.), rnr. 5.18, 5.19.
7.Conclusie A-G De Bock 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:129, 5.1 e.v. en voetnoot nr. 56.
8.SDA-partner: Selective Distribution Agreement-partner.
9.Rechtbank Amsterdam 20 november 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:8741.
10.Rechtbank Amsterdam 4 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1555, 5.33.
11.Rechtbank Rotterdam 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9453, 13.2.
12.Kamerstukken II 2016/17, 34 608, nr. 3, p. 19.
13.Hoge Raad 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1534 (Milieudefensie/Shell).
14.Conclusie A-G De Bock 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:129, rnr. 6.35.
15.Kamerstukken II 2016/17, 34 608, nr. 3, p. 20.
16.Uitgaande van een enigszins gelijke spreiding over de jaren, is dit financiële belang ook van voldoende omvang indien een knip moet worden gezet.