Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
2.De feiten die van belang zijn voor de ontvankelijkheid van CCC
3.Het geschil in de hoofdzaak
primairLG veroordeelt tot betaling van de volledige proceskosten en andere kosten van dit geding, waaronder de volledige kosten van en vergoeding aan de procesfinancier en de buitengerechtelijke kosten, waaronder de te maken kosten voor de schadeafwikkeling;
subsidiairbepaalt dat CCC de aan de procesfinancier te betalen vergoeding in mindering mag brengen op de uit te keren schadevergoedingen.
4.De beoordeling
Dat betoog faalt. Bij vonnis in incident van 16 april 2025 is het onbevoegdheidsverweer van LG verworpen en heeft de rechtbank zich op grond van artikel 107 Rv Pro bevoegd geacht. De toestand ten tijde van de bevoegdheidsbeoordeling is relevant, zodat de (latere) beslissing over de niet-ontvankelijkheid van STEP in de procedure tegen LG (C/15/358688) niet meebrengt dat de bevoegdheid van de rechtbank in deze procedure komt te vervallen. Bovendien is het standpunt van LG onjuist dat daarmee elke band tussen deze zaak en deze locatie van de rechtbank is komen te vervallen, gelet op het voegingsincident van CCC waarvan de beslissing bij datzelfde vonnis in incident van 16 april 2025 is aangehouden en waarop bij dit vonnis (toewijzend) wordt beslist.
ex nunc, naar de situatie ten tijde van de mondelinge behandeling.
stand alone-vordering beoordeeld moet worden, is de grondslag van de vordering van CCC dat sprake is van illegale prijshandhaving en van illegale uitwisseling van commercieel gevoelige informatie tussen concurrenten onderling waardoor, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van CCC, de gehele markt is beïnvloed.
5.De beoordeling in het incident
resale price maintenance)en in dezelfde markt. In beide procedures wordt opgekomen voor dezelfde groep belanghebbenden, die qua periode en daardoor ook qua mogelijke schade deels overlappen. Dit gaat verder dan enkel eenzelfde thema van de zaak, zoals door LG aangevoerd. LG voert verder aan dat een marktbreed effect niet is vastgesteld en LG en Samsung ook niet hoofdelijk aansprakelijk gehouden kunnen worden voor eventuele umbrella schade. Dit zal bij de inhoudelijke behandeling aan de orde komen, maar brengt – gelet op de stellingen van CCC dat daar wel sprake van is – niet mee dat verknochtheid ontbreekt. Overigens was al sprake van rolvoeging zodat de voeging op grond van artikel 222 Rv Pro geen invloed heeft op de procesrechtelijke voortgang.
6.Conclusie en vervolg van deze procedure
Daarmee is dan de ontvankelijkheidsfase afgesloten.
follow onals
stand aloneheeft ingestoken, zal het inhoudelijk debat over de vordering wezenlijk anders zal zijn als het Sanctiebesluit wegvalt. LG heeft onweersproken gesteld dat de door het CBb gestelde prejudiciële vragen in de bestuursrechtelijke procedure van Samsung ook van belang zijn voor de beslissing van het CBb voor LG. Een uitspraak van het CBb wordt niet eerder verwacht dan medio 2027.
- de zaak wordt naar de parkeerrol verwezen;
- elk van partijen kan de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten over het toepasselijke collectieve actierecht nadat het arrest in de Mercedes-zaak is gewezen;
- de rechtbank wijst vervolgens vonnis inzake het toepasselijke collectieve actierecht en de overige nog te nemen beslissingen in de ontvankelijkheidsfase;
- de zaak wordt in dat vonnis opnieuw naar de parkeerrol verwezen in afwachting van de uitspraak van het CBb;
- elk van partijen kan, wanneer die uitspraak is gewezen, de zaak opbrengen op de continuatierol voor akte uitlaten door CCC, waarbij CCC op de uitspraak van het CBb kan reageren en daarbij desgewenst haar dagvaarding kan aanvullen of actualiseren;
- LG dient vervolgens haar conclusie van antwoord in;