Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5532

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
HAA 26/2071
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 3:2 AwbArt. 4:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inlichtingen

Verzoekster diende een aanvraag in voor bijstand op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk werd afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over bijschrijvingen en stortingen op haar bankrekening.

Het college vroeg meerdere malen om aanvullende bankafschriften en verklaringen over de herkomst van de gelden, mede vanwege eerdere terugvorderingen en een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Verzoekster leverde bankafschriften en documenten aan, maar kon de herkomst van de grote bedragen niet voldoende verklaren.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht een langere periode dan gebruikelijk onderzocht en dat verzoekster niet voldeed aan haar medewerkingsplicht. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Ondanks het spoedeisend belang werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

De uitspraak benadrukt het belang van volledige en verifieerbare financiële informatie bij bijstandsaanvragen en bevestigt dat het college binnen zijn bevoegdheid handelt bij het opvragen van gegevens over een langere periode indien dat noodzakelijk is voor de beoordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening bij de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende verstrekte financiële gegevens.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/2071

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Cakmak),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk

(gemachtigden: M. van der Fluit en F. El Razouy).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (PW). Verzoekster is het met de afwijzing niet eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de PW. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 maart 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. M. Kartal als waarnemend gemachtigde, [naam] als tolk en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Feiten waar de voorzieningenrechter van uit gaat
3. Verzoekster heeft op 8 december 2025 een aanvraag gedaan. Het college heeft verzoekster vervolgens op 6 januari 2026 uitgenodigd voor een intakegesprek. Daarbij heeft het college verzoekster gevraagd een aantal (bewijs)documenten en bankafschriften te overleggen. Het gaat daarbij onder meer om bankafschriften van 1 september 2025 tot en met 8 december 2025 en bewijsdocumenten waaruit blijkt waar verzoekster de afgelopen jaren (vanaf 2020) van heeft geleefd.
3.1.
Verzoekster heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd. Daarnaast heeft ze tijdens het intakegesprek verklaard dat zij in 2020 naar Marokko is gevlucht en dat zij tot haar terugkeer in november 2025 bij haar moeder in Marokko verbleef. Haar moeder gaf haar onderdak en eten. Naar aanleiding van het gesprek heeft het college op 7 januari 2026 opnieuw aanvullende stukken gevraagd, waaronder de bankafschriften van 1 maart 2025 tot en met 31 augustus 2025 en een verklaring voor verschillende bijschrijvingen en stortingen op de rekening van verzoekster. Daarnaast vraagt het college opnieuw om stukken waaruit blijkt waar verzoekster de afgelopen vijf jaar van heeft geleefd.
3.2.
Verzoekster heeft de gevraagde bankafschriften overgelegd. Daarnaast heeft zij stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in 2020 en 2021 bijschrijvingen (van in totaal meer dan € 46.000) heeft ontvangen van wat verzoekster een goede vriendin noemt. Op 26 januari 2026 en op 16 februari 2026 heeft het college verzoekster opnieuw gevraagd om uitleg over de verschillende bijschrijvingen en stortingen en om documenten waaruit blijkt waar zij de afgelopen vijf jaar van heeft geleefd.
3.3.
Op 17 februari 2026 heeft verzoekster bankafschriften overgelegd vanaf 1 januari 2020 tot en met februari 2026.
3.4.
Door het college is een rapport opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar het recht op bijstand van verzoekster. In deze rapportage is voor de periode december 2024 tot en met januari 2026 uiteengezet welke bijschrijvingen en stortingen verzoekster heeft ontvangen. In de rapportage wordt geconcludeerd dat aan de hand van de ingeleverde gegevens niet kan worden herleid wat de herkomst, de aard en het doel van de verschillende bijschrijvingen en stortingen is. Daarnaast blijft het onduidelijk of bij een storting het gehele contante bedrag is gestort en of dat verzoekster over meer geld beschikt. Verzoekster heeft ook geen verifieerbare bewijsdocumenten geleverd die duidelijkheid geven over de stortingen.
3.5.
Bij besluit van 5 maart 2026 heeft het college de aanvraag van verzoekster afgewezen. Daaraan legt het college onder meer ten grondslag dat verzoekster afdoende duidelijkheid heeft verschaft over de bijschrijvingen en stortingen op haar rekening.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht.
4.1.
Gelet op de aard van de bijstandsuitkering als vangnet en de stukken die verzoekster heeft overgelegd ten aanzien van de achterstand van de betaling van haar huur ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om een spoedeisend belang aan te nemen. Dit wordt door het college ook niet betwist. De voorzieningenrechter zal de zaak daarom inhoudelijk behandelen.
Kan het verzoek worden toegewezen?
5. Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandsverlenende instantie deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Als een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet en als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, is dit een grond voor weigering van de bijstand.
5.1.
Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. De bijstandsverlenende instantie is in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd. [1] In beginsel worden afschriften over de laatste drie maanden opgevraagd. Indien op basis van concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid en volledigheid van de door betrokkene over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen, kan het bijstandverlenend orgaan in het kader van dat onderzoek zo nodig inzage verlangen in de bankafschriften en andere financiële gegevens van een betrokkene over een verder in het verleden liggende periode. [2]
5.2.
Indien een belanghebbende bij een aanvraag onvoldoende gegevens heeft aangeleverd om het recht op bijstand vast te kunnen stellen, moet aan de belanghebbende schriftelijk een termijn worden gegeven om de gevraagde gegevens aan te vullen. Dit wordt de hersteltermijn genoemd. De hersteltermijn moet zijn afgestemd op de aard en de omvang van de gevraagde gegevens en documenten. De lengte van de termijn dient zodanig te zijn dat een aanvrager in beginsel in staat kan worden geacht alle gevraagde gegevens en bescheiden voor de afloop van de hersteltermijn aan het bestuursorgaan te leveren. [3] De voorzieningenrechter acht de termijn die aan verzoekster is gegeven voor het overleggen van de stukken niet onredelijk kort. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de gegevens reeds op 7 en 26 januari 2026 zijn opgevraagd.
5.3.
Uit de door verzoekster overgelegde bankafschriften en overige gegevens komt een aaneenschakeling van stortingen en bijschrijvingen naar voren, welke – indien opgeteld over de periode van een jaar – de hoogte van de voor eiseres geldende bijstandsuitkering overstijgen. In sommige periodes zelfs fors overstijgen. Het college heeft dit afgezet tegenover de verklaring van verzoekster dat zij gedurende bijna vijf jaren in Marokko is verbleven en daar naar eigen zeggen werd onderhouden door haar moeder. Daar komt bij dat verzoekster eerder, over de periode 2017 – 2019, met een terugvordering is geconfronteerd eveneens vanwege aanzienlijke niet afdoende verklaarde stortingen en bijschrijvingen. Die zaak heeft geleid tot een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [4] De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college aan de hand van deze feiten en omstandigheden gegevens mocht opvragen over een langere periode dan de gebruikelijke drie maanden of het voorgaande jaar. Dit geldt te meer, nu een onderbouwde deugdelijke verklaring voor de vele bijschrijvingen, de hoogte van de bedragen en lange periode daarvan tot op heden nog ontbreekt. Reeds daarin is gelegen dat het college niet in staat is om het recht op bijstand te kunnen vast stellen. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college onder die omstandigheden op goede gronden tot een afwijzing van de aanvraag is gekomen.
5.4.
Voor zover de vraag is of het proportioneel/redelijk is om over een periode van vijf jaar gegevens op te vragen, begrijpt de voorzieningenrechter dat het college heeft aangesloten bij de periode dat verzoekster, na de eerdere procedure, in Marokko heeft verbleven. Ter zitting is in lijn met de uitspraak van de CRvB [5] besproken dat, indien de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven, een periode van twee jaar als redelijk is geacht. In de bezwaarprocedure zal het college dienen toe te lichten waarom in deze zaak een periode van vijf jaar redelijk is te achten.
Dit maakt echter het oordeel van de voorzieningenrechter in deze spoedprocedure niet anders. Niet alleen omdat ter zitting duidelijk is geworden dat verzoekster ook in 2026 weer diverse bedragen op haar bankrekening heeft gestort/bijgeschreven gekregen, maar ook omdat, zoals hiervoor reeds overwogen, aan de hand van de reeds verstrekte gegevens het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. Dat het college aldus heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel is de voorzieningenrechter niet gebleken.
5.5.
Gelet op het voorgaande heeft het college, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, de aanvraag kunnen afwijzen. Verzoekster heeft als aanvrager van bijstand de plicht om de gevraagde inlichtingen te verstrekken en medewerking te verlenen aan het onderzoek van het college. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verzoekster hierin niet in geslaagd. Het college heeft daarom onvoldoende informatie om vast te stellen of verzoekster op het moment van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Deze informatie heeft verzoekster ook in het kader van de onderhavige procedure niet aangeleverd. Dit kan alsnog in de bezwaarprocedure of in het kader van een nieuwe aanvraag, maar op dit moment zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het bezwaar kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1896.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1955.
3.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591.
4.Uitspraak van 22 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2571.
5.Uitspraak van 7 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1591.