Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5203

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/15/364814
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:4 WvggzArt. 6:2 lid 1 WvggzArt. 424 RvArt. 429 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg bevestigd na cassatie

De officier van justitie verzocht op 2 mei 2025 om een zorgmachtiging voor betrokkene, welke de rechtbank op 15 mei 2025 verleende voor de duur van twaalf maanden. Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beschikking. De Hoge Raad vernietigde de beschikking op 13 maart 2026 en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

De rechtbank behandelde het verzoek op 16 april 2026, waarbij betrokkene werd gehoord en vertegenwoordigd door zijn advocaat. De rechtbank overwoog dat de beoordeling ex nunc moet plaatsvinden, dat wil zeggen op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beslissing. Betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die ernstig nadeel veroorzaakt, waarvoor verplichte zorg noodzakelijk is.

De rechtbank achtte de voorgestelde vormen van verplichte zorg proportioneel en noodzakelijk, waaronder medicatie, bewegingsbeperkingen en opname indien ernstig ontregeld. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven. De zorgmachtiging wordt daarom verleend voor de periode van 15 mei 2025 tot en met 15 mei 2026, waarmee de verstrekte verplichte zorg een geldige juridische basis krijgt.

Uitkomst: De rechtbank verleent de zorgmachtiging voor verplichte geestelijke gezondheidszorg voor de periode van twaalf maanden, van 15 mei 2025 tot en met 15 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
zaak-/rekestnr.: C/15/364814 / FA RK 25-2217
beschikking van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026,
naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende te [plaats] ,
hierna: betrokkene,
advocaat mr. A.R. Oosthout, kantoorhoudende te Den Haag.

1.Procedure

1.1.
Bij het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 2 mei 2025, heeft de officier van justitie verzocht om afgifte van een zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene.
1.2.
De rechtbank heeft bij beschikking van 15 mei 2025 met zaaknummer
C/l 5/364814 / FA RK 25-2217 ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend die geldig is tot en met 15 mei 2026. Tegen deze beschikking heeft betrokkene cassatie ingesteld.
1.3.
Bij arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2026 met zaaknummer 25/02741 heeft de Hoge Raad de voornoemde beschikking van deze rechtbank vernietigd en het geding teruggewezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
1.4.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de medische verklaring van 25 april 2025;
  • het zorgplan van 25 april 2025;
  • de bevindingen van de geneesheer-directeur van 1 mei 2025;
  • de zorgkaart van 30 juli 2021;
  • een historisch overzicht van eerder gegeven machtigingen in het kader van de Wvggz en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz);
- een afschrift van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 24 juni 2024.
1.5.
Het verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek tot het verlenen van een
aansluitende zorgmachtiging van 3 april 2026, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer: C/15/376451 / FA RK 26-1748, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgesteld. De rechtbank heeft kennisgenomen van dit verzoekschrift en de stukken die bij dit verzoekschrift zijn toegevoegd, te weten:
- de medische verklaring van 26 maart 2026;
- het zorgplan van 26 maart 2026;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 26 maart 2026;
- een historisch overzicht van eerder gegeven machtigingen in het kader van de Wvggz en de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz);
- een afschrift van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 15 mei 2025.
1.6.
De mondelinge behandeling van beide verzoeken heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 in het gebouw van deze rechtbank. Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [regiebehandelaar] , regiebehandelaar;
- [behandelaar] , behandelaar.
1.7.
De officier van justitie heeft aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2.Beoordeling

2.1.
Uit het arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019:1054) volgt dat in beginsel binnen vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad een mondelinge behandeling plaatsvindt. Hoewel voornoemd arrest gebaseerd is op de Wet Bopz, volgt de rechtbank de in het arrest genoemde termijn, nu in artikel 6:2 lid 1 Wvggz Pro niets is opgenomen over de beslistermijnen na terugverwijzen van de Hoge Raad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij tijdig heeft beslist, te weten binnen vier weken na ontvangst van het arrest van de Hoge Raad. De rechtbank gaat daarom over tot de inhoudelijke behandeling van het verzoek.
2.2.
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 13 maart 2026 onder meer het volgende overwogen:
‘3.3.1 De onderdelen 1.4-1.6 klagen onder meer dat het oordeel van de rechtbank in rov. 2.1 onbegrijpelijk is omdat uit de brief van 2 mei 2025 volgt dat de referteverklaring ondertekend diende te worden door betrokkene, terwijl de referteverklaring alleen door de advocaat van betrokkene is ondertekend.
3.3.2
Deze klacht slaagt. In de brief van 2 mei 2025 van de rechtbank aan de advocaat van betrokkene is vermeld “Ik wijs u erop dat uw cliënt(e) de referteverklaring persoonlijk en in uw aanwezigheid dient te ondertekenen, waarna u deze verklaring dient te autoriseren" (zie hiervoor in 2.2). De referteverklaring van 10 mei 2025 is ondertekend door de advocaat van betrokkene, maar niet door betrokkene zelf (zie hiervoor in 2.3). In het licht hiervan is onbegrijpelijk dat de rechtbank de referteverklaring toereikend heeft geacht om op het verzoek te beslissen zonder betrokkene te horen.’
2.3.
Op grond van artikel 424 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) juncto 429 lid 2 Rv moet de rechter naar wie de zaak is terugverwezen de behandeling daarvan voortzetten en beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
De rechtbank constateert dat de zorgmachtiging op 15 mei 2025 is verleend voor de duur van twaalf maanden, waardoor opnieuw moet worden beslist over de verlening van de zorgmachtiging op een tijdstip dat binnen de geldigheidsduur van de (opnieuw) te verlenen machtiging valt. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld: HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1701) betekent dit dat de rechtbank haar beslissing moet nemen op basis van de feiten en omstandigheden die zich ten tijde van die beslissing voordoen (beoordeling ‘ex nunc’).
2.4.
Uit artikel 424 Rv Pro volgt eveneens dat de Hoge Raad de verplichting heeft om het onderzoek in cassatie te beperken tot de aangevoerde cassatiemiddelen. Dit brengt met zich mee dat beslissingen die in cassatie niet worden bestreden door een of meer cassatiemiddelen, gedurende de verdere loop van het geding vaststaan (zie ECLI:NL:HR:2014:2739). Zoals onder 2.2. is overwogen, ziet het cassatiemiddel op het ontbreken van de handtekening van betrokkene op de referteverklaring, waardoor de rechtbank volgens de Hoge Raad niet op het verzoek had kunnen beslissen zonder betrokkene te horen. Daarnaast zijn geen cassatiemiddelen ingediend. Dat brengt met zich mee dat de beslissingen die in cassatie niet zijn bestreden gedurende de verdere loop van het geding vast zijn komen te taan.
2.5.
Ten aanzien van het cassatiemiddel overweegt de rechtbank dat destijds onvoldoende vast is komen te staan dat betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht om gehoord te worden. Betrokkene is tijdens de mondelinge behandeling op 16 april 2026 in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, waar hij gebruik van heeft gemaakt. Door en namens hem is enkel aangevoerd dat hij de zorgmachtiging niet wil en is verder geen onderbouwd verweer gevoerd.
2.6.
Uit de overgelegde stukken, zowel die ten tijde van het onderhavige verzoek als de stukken bij het verzoek van 3 april 2026 en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten: ongespecificeerde psychotische stoornis, mogelijk schizoaffectieve stoornis en stoornis in het gebruik van cannabis.
2.7.
Uit deze stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er door voornoemde stoornis ernstig nadeel voor of van betrokkene of een ander is, te weten:
  • ernstig lichamelijk letsel;
  • maatschappelijke teloorgang;
  • de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
2.8.
Betrokkene heeft zorg nodig om:
- ernstig nadeel af te wenden;
- de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren;
- de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat betrokkene diens autonomie zoveel mogelijk herwint.
2.9.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Op grond van de medische verklaring, het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, acht de rechtbank gedurende de volledige geldigheidsduur van de zorgmachtiging de volgende vormen van verplichte zorg nodig:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen.
Uit de overgelegde stukken maakt de rechtbank op dat slechts in het geval dat betrokkene ernstig (psychisch) ontregelt, wordt overgegaan tot opname en de daarbij behorende vormen van verplichte zorg.
Indien dat het geval is en het ernstig nadeel niet langer kan worden afgewend door middel van de hiervoor vermelde vormen van verplichte zorg, worden gedurende de opname voor telkens maximaal drie maanden, tenzij hieronder een kortere duur is vermeld, ook de volgende vormen van verplichte zorg nodig geacht:
- het beperken van bewegingsvrijheid;
- het insluiten van betrokkene
(telkens maximaal 2 weken aaneengesloten);
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene
(telkens maximaal 2 weken aaneengesloten);
- onderzoek aan kleding of lichaam;
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
- het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
- opnemen in een accommodatie.
2.10.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.11.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief.
2.12.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De rechtbank overweegt dat een beoordeling ex nunc niet in de weg staat aan het geven van een oordeel over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van verplichte zorg in de periode die al is verstreken. De rechtbank overweegt dat, indien zij ten tijde van de vernietigde beschikking wetenschap had gehad van de thans actuele omstandigheden, zij de zorgmachtiging ook voor de verzochte periode zou hebben verleend. Dat verplichte zorg noodzakelijk was in deze periode is ook niet betwist. De zorgmachtiging zal daarom worden verleend voor de (verzochte) duur van twaalf maanden, met ingang van 15 mei 2025 en geldt aldus tot en met 15 mei 2026. Deze machtiging dient ervoor om de noodzakelijk geachte en verstrekte verplichte zorg in deze periode te voorzien van een geldige titel.

3.Beslissing

De rechtbank:
- verleent een zorgmachtiging ten aanzien van
[betrokkene], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , met de vormen van verplichte zorg zoals hierboven onder 2.9 vermeld voor de volledige duur van de zorgmachtiging, tenzij onder 2.9 een kortere duur is vermeld.
- bepaalt dat deze machtiging geldt van 15 mei 2025 tot en met
15 mei 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van M.Y. Favier als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 30 april 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.