In deze zaak stond de beoordeling van een zorgmachtiging onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) centraal. De rechtbank Den Haag had op 13 juli 2021 een aansluitende zorgmachtiging verleend, welke later door de Hoge Raad werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen ter verdere behandeling. Na terugwijzing verleende de rechtbank op 23 maart 2022 opnieuw een aansluitende zorgmachtiging.
De Hoge Raad stelde vast dat de bestreden beschikking inmiddels was vervallen doordat op 27 december 2021 een nieuwe aansluitende zorgmachtiging was verleend. De vraag was of de rechtbank bij de herbeoordeling het geschil ex nunc (op het moment van de nieuwe beslissing) of ex tunc (op het moment van de vernietigde beschikking) moest beoordelen.
De Hoge Raad bevestigde dat in situaties waarin de oorspronkelijke machtiging inmiddels is vervallen, de rechtbank ex tunc moet beoordelen of destijds de criteria voor verlening waren vervuld. Dit betekent dat de rechtbank de zaak moet behandelen zoals die stond ten tijde van de vernietigde beschikking, zonder nieuwe feitelijke stellingen of verweren na terugwijzing mee te nemen.
De klacht van betrokkene dat de rechtbank nieuwe standpunten had moeten betrekken werd verworpen. De Hoge Raad wees op eerdere rechtspraak onder de Wet Bopz en bevestigde dat deze beoordelingswijze ook onder de Wvggz geldt. Het beroep in cassatie werd verworpen.