ECLI:NL:RBNHO:2026:490

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
15.297964.24 (zaak A), 15.227033.25 (zaak B ttz gev), 15-289006-23 (zaak C ttz gev.), 15-094270-23 (zaak D ttz gev.)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Celstraf van zeven jaar voor schietpartij in Medemblik

De rechtbank Noord-Holland heeft op 23 januari 2026 een man veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf voor zijn betrokkenheid bij een schietpartij op een parkeerplaats in Medemblik in 2024. De verdachte werd schuldig bevonden aan poging tot moord, poging tot doodslag, afpersing, bedreiging met geweld, verboden wapenbezit, drugsbezit en vernieling. De schietpartij vond plaats op 16 september 2024, waarbij het slachtoffer [benadeelde 1] ernstig gewond raakte. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade handelde, maar sprak hem vrij van poging tot moord wegens onvoldoende bewijs voor voorbedachte raad. De rechtbank nam in haar overwegingen mee dat de verdachte eerder was veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten en dat de gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers zeer ernstig waren. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van de slachtoffers, ondanks dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet ontvankelijk werden verklaard. De verdachte moet de schadevergoedingsmaatregel van € 25.000,- aan [benadeelde 1] betalen, en € 2.000,- aan [benadeelde 3].

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.297964.24 (zaak A), 15.227033.25 (zaak B ttz gev), 15-289006-23 (zaak C ttz gev.), 15-094270-23 (zaak D ttz gev.) (P)
Uitspraakdatum: 23 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1]
,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. S. van Driel en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

De verdachte wordt, kort en zakelijk weergegeven, na wijziging van de tenlastelegging in zaak B tijdens de zitting van 9 januari 2026, verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:
Zaak A:
primair:
poging tot moord dan wel doodslag op [benadeelde 1],
subsidiair:
opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [benadeelde 1],
meer subsidiair:
poging tot het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die [benadeelde 1],
door hem met een vuurwapen in zijn heup te schieten op 16 september 2024 in Medemblik.
Zaak B:
primair:
poging tot doodslag op [benadeelde 2];
subsidiair:
poging tot zware mishandeling van die [benadeelde 2],
door met een vuurwapen in zijn schouder, althans in zijn richting te schieten op 16 september 2024 in Medemblik.
Zaak C:
Feit 1:
afpersing van [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4], gepleegd op 3 september 2023 te Medemblik;
Feit 2:
bedreiging van [benadeelde 5], gepleegd in de periode van 21 oktober 2023 tot en met 26 oktober 2023 te Medemblik;
Feit 3:
voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, gepleegd op 2 november 2023 te Medemblik;
Feit 4:
aanwezig hebben van cocaïne, gepleegd op 2 november 2023 te Medemblik.
Zaak D:
vernieling van delen van de inboedel en een telefoon van [benadeelde 6], gepleegd op 28 maart 2023 te Medemblik.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van:
  • de in zaak A primair ten laste gelegde poging tot moord;
  • de in zaak B primair ten laste gelegde poging tot doodslag;
  • de in zaak C onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten;
  • het in zaak D ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het in zaak A ten laste gelegde feit, omdat niet overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de schutter is geweest. De verklaringen van de getuigen die de verdachte hebben aangewezen als de schutter, kunnen niet worden gebruikt voor het bewijs omdat ze niet betrouwbaar zijn. De verklaringen verschillen onderling van elkaar en enkele getuigen hebben tegenover de politie op belangrijke punten anders verklaard dan later tegenover de rechter-commissaris. Er moet bovendien behoedzaam met de herkenningen worden omgegaan, omdat het die avond donker was en een deel van de ramen van de auto van de schutter geblindeerd was. Daarnaast hebben enkele getuigen die de verdachte hebben herkend, niet gespecificeerd
waaraanzij de verdachte hebben herkend en andere getuigen hebben de verdachte louter aan zijn stem herkend. Verder kunnen de verklaringen van de getuigen ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen (omdat een verzoek hen te horen door de rechter-commissaris is afgewezen), niet zonder meer worden gebruikt als bewijs. Dat de witte Golf van de verdachte zou zijn herkend door de getuigen, betekent niet dat de verdachte op dat moment de bestuurder was van deze auto; hij leende de auto naar eigen zeggen immers vaak uit aan anderen.
Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [benadeelde 1]. Alle getuigen hebben verklaard dat er naar beneden is geschoten en uiteindelijk is het slachtoffer [benadeelde 1] geraakt in zijn onderlichaam. Dat is een contra-indicatie voor het aannemen van (voorwaardelijk) opzet op de dood.
Ten slotte bevat het dossier volgens de raadsman onvoldoende aanwijzingen om te concluderen dat sprake is van voorbedachte rade. Ook al zou de verdachte een wapen hebben meegebracht naar de afspraak met [benadeelde 1], is dat onvoldoende om voorbedachte rade aan te nemen. Uit het dossier blijkt niet wanneer de verdachte het besluit heeft genomen om te schieten en dus evenmin of er ruimte voor beraad bestond. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte op de plaats van het delict impulsief heeft besloten om te schieten.
De raadsman heeft ook vrijspraak bepleit voor het in zaak B ten laste gelegde feit. Primair omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte de schutter is geweest, en subsidiair omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer [benadeelde 2] heeft gehad. Op grond van de stukken in het dossier kan niet worden vastgesteld dat de verdachte in de richting van het slachtoffer [benadeelde 2] heeft geschoten. Er is weliswaar een metalen deeltje in de schouder van het slachtoffer aangetroffen, maar het is niet onderzocht of dit metaaldeeltje afkomstig is van een kogel.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de in zaak C onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten (afpersing en bedreiging) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat sprake was van oplichting en niet van afpersing. Ten aanzien van de in zaak C onder 3 en 4 en de in zaak D ten laste gelegde feiten (wapen- en drugsbezit, vernieling) heeft de raadsman zich vanwege de bekennende verklaring van de verdachte gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak A primair, zaak B primair, zaak C onder 1 tot en met 4 en zaak D ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de
bijlage IIbij dit vonnis zijn vervat.
3.3.2
Nadere bewijsoverwegingen zaak A en zaak B (het schietincident in Medemblik)
Betrouwbaarheid verklaringen
De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de aangifte van slachtoffer [benadeelde 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige] en [benadeelde 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Zij hebben tegenover de politie verklaard dat de verdachte, die zij goed kenden, op 16 september 2024 op de [adres 2] in Medemblik vanuit zijn witte Volkswagen Golf heeft geschoten. De twee getuigen [getuige] en [benadeelde 2] zijn door de rechter-commissaris gehoord in aanwezigheid van de verdediging. Daar hebben zij hun eerdere verklaringen voor het overgrote deel en op de belangrijkste punten bevestigd. Dat deze verklaringen op details onderling verschillen, doet naar het oordeel van de rechtbank aan de betrouwbaarheid niet af. De verklaringen zijn daarom bruikbaar als bewijs en het verweer van de verdediging wordt in zoverre verworpen.
Is de verdachte de schutter?
Het staat in deze zaak niet ter discussie dat op 16 september 2024 omstreeks 23:00 uur op een parkeerterrein aan de [adres 2] in Medemblik een schietincident heeft plaatsgevonden, waarbij een kogel het onderlichaam van het slachtoffer [benadeelde 1] heeft doorboord en hij zeer ernstig letsel heeft opgelopen. De verbalisanten die als eerste ter plaatse waren, zagen het slachtoffer op de grond liggen en zagen een plasje bloed naast hem. Zij hoorden het slachtoffer zeggen dat hij geen gevoel meer had in zijn rechterbeen en één van de verbalisanten zag een schotwond boven de rechter heup en een ‘uitwond’ van het schot boven de linker bil.
De belangrijkste vraag is of de verdachte de schutter was.
De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte inderdaad de schutter was. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Verklaringen van slachtoffer [benadeelde 1]
Kort na het schietincident heeft het slachtoffer in de ambulance aan de trauma-arts aangegeven dat hij graag met de politie wilde praten. De trauma-arts heeft de meerijdende verbalisant een briefje gegeven met daarop geschreven:
“[naam 1] 23 jr Medemblik”.
In het ziekenhuis heeft het slachtoffer omstreeks 00:00 uur tegen een verbalisant gezegd dat hij daar met een groep had gestaan toen [verdachte] heel hard kwam aangereden in een Golf 7 GTI, dat [verdachte] alleen in de auto zat en vanuit de auto op hem schoot met een pistool met een laser. De eerste keer miste hij maar daarna schoot hij nog een keer en hierbij werd het slachtoffer geraakt.
In zijn aangifte van 19 september 2024 heeft het slachtoffer herhaald dat [verdachte] hem op 16 september 2024 heeft beschoten. Het slachtoffer heeft verder verklaard dat [verdachte] op de avond van het schietincident rond 23:00 uur contact met hem zocht. Hij heeft [verdachte] toen teruggebeld en zij spraken af op het parkeerterrein aan de [adres 2] te Medemblik. Toen het slachtoffer daar met zijn vrienden stond zag hij een witte Volkswagen Golf aan komen rijden en hij zag dat [verdachte] achter het stuur zat. Hij zag dat [verdachte] het vuurwapen over de passagiersstoel op hem richtte en hij hoorde twee knallen. Het slachtoffer en de anderen renden toen weg. Hij zag dat [verdachte] achter hem aan kwam en vervolgens nog een keer schoot vanaf de bestuurderskant van de auto. Het slachtoffer voelde dat hij werd geraakt.
Getuigen [getuige] en [benadeelde 2]
Dat de verdachte inderdaad de schutter is geweest, volgt ook uit de verklaringen van de getuigen [getuige] en [benadeelde 2]. Zij maakten beiden onderdeel uit van de groep vrienden die op het parkeerterrein stond.
Getuige [getuige] heeft op 24 september 2024 telefonisch aan de politie verklaard dat hij die avond een witte auto aan zag komen rijden, dat hij [verdachte] herkende aan zijn stem en dat [verdachte] meerdere keren schoot vanuit de auto; eerst vanuit het passagiersraam en daarna vanaf de bestuurderskant. [getuige] zag dat een rode straal van een laser hun kant op was gericht. Getuige [getuige] heeft op 10 maart 2025 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft waargenomen dat [verdachte] de schutter was. Hij had hem herkend aan zijn stem en zijn accent en hij weet 100% zeker dat hij heeft gezien dat [verdachte] in de auto zat. Hij kent [verdachte] vanaf zijn jeugd en is met hem opgegroeid.
Getuige [benadeelde 2] heeft op 8 juli 2025 aangifte gedaan tegen de hem bekende “[verdachte]” van (zware) mishandeling op 16 september 2024 in Medemblik. Getuige [benadeelde 2] heeft verklaard dat hij die avond met een groep personen op de [adres 2] in Medemblik stond te praten toen een witte Volkswagen Golf GTI, die hij herkende als de auto van [verdachte], kwam aanrijden met [verdachte] achter het stuur. Hij riep ‘Waar is [naam 2]’ en loste tot driemaal toe een schot met een wapen waar rood laserlicht vanaf kwam. Na het derde schot, waarbij vonken uit het wapen in zijn richting en die van [naam 2] (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer [benadeelde 1]) kwamen, hoorde hij het slachtoffer schreeuwen van de pijn en zag hij [verdachte] wegrijden.
Overige aanwezigen
Ook andere personen die deel uitmaakten van de groep die op de parkeerplaats stond, hebben telefonisch aan de politie verklaard wat zij hebben gezien en gehoord die avond. Deze verklaringen wijken niet wezenlijk af van de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen [getuige] en [benadeelde 2]. Allen spreken over de hen bekende [verdachte]/[verdachte] die vanuit een witte Golf GTI schoten heeft gelost in de richting van het slachtoffer [benadeelde 1]. [1]
Camerabeelden
Op camerabeelden van een beveiligingscamera op de [adres 2], waarop het schietincident in de verte is te zien, is zichtbaar dat op 16 september 2024, rond het tijdstip van het schietincident, een lichtgekleurde auto, model hatchback door het beeld rijdt. De verdachte had destijds een lichtkleurige Volkswagen Golf op zijn naam staan.
Een dergelijke auto is ook te zien op de camerabeelden van een woning aan de [adres 3] te Medemblik. Een bewoner van dit huis heeft tegenover de politie verklaard dat de ex-vriendin van de verdachte naast hem woont aan de [adres 4]. Op 16 september 2024 rond 22:50 uur hoorde hij veel gerommel komen uit het huis van zijn buurvrouw. Op de camerabeelden is, kort gezegd, te zien dat een licht/wit gekleurde auto type hatchback rond 22:58 uur langsrijdt in de richting van de Scheepmakerssingel. Vervolgens zijn er knallen te horen op de beelden en enkele minuten later komt de auto weer in beeld maar rijdt dan in tegenovergestelde richting.
De volgende ochtend is de auto van de verdachte aangetroffen op de [adres 5] in Medemblik. Dat is in de directe omgeving van de [adres 4].
De politie heeft geconstateerd dat de auto op de beelden van de camera aan de [adres 2] en de auto op de beelden van de deurbelcamera van de bewoner aan de [adres 3] overeenkomen. De auto die daarop te zien is, is zeer licht/wit van kleur en opvallend is dat op beide beelden de auto zowel dimlicht als mistlicht voert.
De rechtbank maakt uit het bovenstaande – in combinatie met de verklaringen van het slachtoffer en de getuigen – de gevolgtrekking dat de verdachte in zijn lichtkleurige Volkswagen Golf naar de [adres 2] is gereden en na het schietincident de auto heeft geparkeerd op de [adres 5].
Conclusie
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte de schutter is geweest, die op 16 september 2024 drie keer vanuit zijn auto heeft geschoten in de richting van de groep waarin de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zich bevonden.
De rechtbank gaat dus voorbij aan de verklaring van de verdachte die hij tijdens de zitting van 9 januari 2026 (voor het eerst) aflegde, inhoudende dat hij niet de schutter is geweest. De verdachte gaf in zijn verklaring geen aanknopingspunten voor een alibi of een uitleg die duidelijk maakt dat het belastende bewijs anders moet worden geïnterpreteerd. Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zijn auto wel eens uitleent, maar hij heeft de vraag aan wie hij zijn auto die avond had uitgeleend niet beantwoord. Ook op andere vragen over het verloop van die avond en nacht heeft de verdachte geen concrete antwoorden gegeven.
Opzet op de dood van het slachtoffer [benadeelde 1]
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verdachte door zijn handelen opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [benadeelde 1].
De verdachte heeft op een afstand van 5 tot 10 meter met een vuurwapen, voorzien van een laserpointer, vanuit een stilstaande auto, meermalen gericht geschoten op het slachtoffer [benadeelde 1]. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan dit handelen van de verdachte niet anders worden beoordeeld dan als te zijn verricht met opzet.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Het gaat erom dat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij moet ook worden gekeken naar aanwijzingen die wijzen op het tegendeel, de zogenaamde contra-indicaties.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om aan te nemen dat sprake is geweest van voorbedachte raad. De verdachte heeft niets verklaard over wat er door hem heen ging tijdens of voorafgaand aan de schietpartij. Er is weliswaar enkele dagen voor het schietincident een conflict geweest tussen de verdachte en [benadeelde 1] waarbij de verdachte [benadeelde 1] bang heeft gemaakt en heeft geslagen, maar hij heeft tijdens dat conflict niets gezegd wat erop wijst dat hij van plan was [benadeelde 1] te doden. De verdachte en [benadeelde 1] hebben enkele dagen later een afspraak gemaakt voor een ontmoeting aan de [adres 2] te Medemblik. De rechtbank kan echter niet vaststellen wanneer deze ontmoeting precies is afgesproken en met welke bedoeling deze afspraak is gemaakt.
Uit het enkele feit dat de verdachte bij die ontmoeting een wapen bij zich droeg, kan niet zonder meer worden afgeleid dat hij een voorgenomen plan had om [benadeelde 1] dood te schieten. Ook kan dit plan niet worden afgeleid uit het feit dat de verdachte het raam van zijn auto naar beneden heeft gedaan en eerst riep om het slachtoffer.
Uit het bovenstaande blijkt dat er wel aanwijzingen zijn dat de verdachte voornemens was om het slachtoffer te beschieten, maar niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten ter uitvoering van een voorgenomen plan om [benadeelde 1] van het leven te beroven. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat de verdachte in zijn eigen auto en zonder gezichtsbedekking naar de afspraak is gegaan. Hij had dus geen voorzorgsmaatregelen genomen om zijn identiteit te verhullen, iets wat men wel zou verwachten als het ging om een vooraf uitgedacht plan om iemand te vermoorden. De rechtbank ziet hierin een contra-indicatie voor voorbedachte raad.
Nu de rechtbank de voorbedachte raad niet bewezen acht, wordt de verdachte vrijgesproken van de poging tot moord op [benadeelde 1]. De verdachte wordt wel veroordeeld voor een poging tot doodslag op [benadeelde 1].
Opzet op de dood slachtoffer [benadeelde 2]
Ook [benadeelde 2] heeft aangifte gedaan in deze zaak. Hij was de avond van 16 september 2024 aanwezig op de [adres 2] tijdens het schietincident en maakte deel uit van de vriendengroep van het slachtoffer [benadeelde 1]. Hij heeft verklaard dat [benadeelde 1] bij hem in de buurt stond tijdens de schoten, dat hij pijn voelde in zijn schouder en later is gebleken dat hij een stukje metaal in zijn schouder had zitten.
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer [benadeelde 2] heeft gehad. Van opzet in voorwaardelijke zin op de dood van het slachtoffer is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg (de dood) zal intreden. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de verdachte met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van het slachtoffer [benadeelde 1]. [benadeelde 1] stond in een groep van meerdere personen. Het kan niet anders dan dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de verdachte vanuit zijn auto de aanwezigen heeft aangeroepen met de vraag ‘waar is [naam 2]’. De verdachte heeft vervolgens meermalen op de groep geschoten, ook nadat het eerste schot was gelost en er chaos heerste in de groep en mensen heen en weer liepen of renden. In die groep bevond zich naast [benadeelde 1] ook het slachtoffer [benadeelde 2]. [benadeelde 2] stond vlakbij de auto van de verdachte, voor [benadeelde 1]. Er bestond daarom een groot risico dat ook [benadeelde 2] dodelijk zou worden getroffen door een van de door de verdachte afgevuurde schoten. Dat risico heeft de verdachte op de koop toe genomen. Hij heeft, met andere woorden, door met een vuurwapen meermalen op een groep personen te schieten, de aanmerkelijke kans dat ook het slachtoffer [benadeelde 2] dodelijk zou worden getroffen, bewust aanvaard. Daarmee heeft de verdachte gehandeld met voorwaardelijk opzet op de dood van slachtoffer [benadeelde 2].
De rechtbank merkt op dat bij het schieten op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] sprake is geweest van eendaadse samenloop. Dat betekent dat de gedragingen van de verdachte weliswaar twee strafbare feiten opleveren maar hem in wezen één verwijt wordt gemaakt nu het gaat om dezelfde handelingen die op dezelfde tijd en plaats plaatsvonden.
3.3.3
Nadere bewijsoverwegingen zaak C, feiten 1 en 2 (afpersing en bedreiging)
De verdachte heeft voor het eerst tijdens de zitting van 9 januari 2026 verklaard dat [benadeelde 3] en [benadeelde 4] een wapen van hem wilden kopen, en dat hij hen heeft opgelicht in plaats van afgeperst. De rechtbank vindt die verklaring niet aannemelijk. Deze verklaring van de verdachte valt niet te rijmen met zijn verklaring bij de rechter-commissaris dat hij [benadeelde 3] en [benadeelde 4] niet kende en het dossier bevat geen enkele ondersteuning voor de verklaring van de verdachte.
De rechtbank acht ook feit 2 (bedreiging) bewezen. De verdachte heeft weliswaar ontkend dat hij de woorden “ik zal je hele familie pakken en vermoorden, dan ga je eraan” heeft gezegd, maar hij heeft tijdens de zitting toegegeven dat er over en weer is bedreigd en dat hij erg boos was. Mede gelet daarop gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangever, die bovendien wordt ondersteund door de verklaring van een getuige.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in zaak A primair, zaak B primair, zaak C onder 1 tot en met 4 en zaak D ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
zaak A
primair:
hij op 16 september 2024 te Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde 1] met een vuurwapen in zijn heup heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
zaak B
primair:
hij op 16 september 2024 te Medemblik, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, in de richting van het lichaam van die [benadeelde 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
zaak C
feit 1:
hij op 3 september 2023 in de gemeente Medemblik, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde 3] en [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 2000 euro dat aan die [benadeelde 4] toebehoorde, door
- tegen die [benadeelde 3] te schreeuwen dat hij moest betalen en
- tegen de helm van die [benadeelde 3] te slaan, en
- die [benadeelde 3] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen in zijn, verdachtes, broekband, en
- tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een Budha stip op zijn voorhoofd zou zetten als hij niet ging betalen, en
- tegen die [benadeelde 4] te zeggen: "ik moet nu geld hebben, anders schiet ik jou en je broertje dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
feit 2:hij op 26 oktober 2023 in de gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland [benadeelde 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde 5] telefonisch dreigend de woorden toe te voegen “ik zal je hele familie pakken en vermoorden, dan ga je eraan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 3:
hij op 2 november 2023 in de gemeente Medemblik in een woning gelegen aan de [adres 6] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni automatic 96, kaliber 8 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III te weten 7 scherpe volmantel kogelpatronen kaliber 7.65 mm en 1 knalpatroon kaliber 8 mm voorhanden heeft gehad;
feit 4:hij op 2 november 2023 in de gemeente Medemblik in een woning gelegen aan de [adres 6] opzettelijk aanwezig heeft gehad 60,27 gram van een materiaal bevattende cocaïne;
zaak D:
hij op 28 maart 2023 te Medemblik opzettelijk en wederrechtelijk delen van de inboedel van een woning aan de [adres 4] en een telefoon die aan [benadeelde 6] toebehoorden heeft vernield of beschadigd.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
zaak A primair en zaak B primair,
de eendaadse samenloop van poging tot doodslag en poging tot doodslag;
zaak C:
feit 1: afpersing;
feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie;
feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
zaak D:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen/beschadigen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van voorarrest.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bewezenverklaring de gevorderde straf moet worden gematigd en dat, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, een deel van die straf voorwaardelijk moet worden opgelegd met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft geprobeerd het destijds 23-jarige slachtoffer [benadeelde 1] van het leven te beroven door op korte afstand vanuit zijn auto met een vuurwapen voorzien van laserpointer meermalen gericht te schieten op [benadeelde 1]. [benadeelde 1] is getroffen in zijn onderlichaam met zeer ernstig letsel als gevolg. Het slachtoffer kan zijn rechterbeen blijvend niet meer gebruiken en is de rest van zijn leven afhankelijk van een rolstoel en krukken. Daarnaast heeft hij geen controle meer over zijn blaas, penis of kringspieren en is sprake van dubbele incontinentie. Het slachtoffer kan niet meer comfortabel zitten, staan, liggen of slapen. Hij heeft de hele dag aanhoudende zenuwpijnen in zijn been, bekken, darmen, blaas en penis. Hij is dagelijks afhankelijk van hulp van anderen. Het (permanente) letsel heeft het leven van [benadeelde 1] verwoest.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de poging tot doodslag op het slachtoffer [benadeelde 2], die zich in de groep van het slachtoffer [benadeelde 1] bevond.
Er mag van geluk worden gesproken dat de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet dodelijk zijn getroffen.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing. Met dreigende woorden en door het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft hij de aangevers [benadeelde 3] gedwongen hem een geldbedrag van € 2000,- te geven. De verdachte heeft vervolgens de vader van de broers [benadeelde 3] bedreigd toen hij de verdachte benaderde om het geldbedrag voor zijn zoons terug te krijgen. Deze feiten zijn voor de familie zeer bedreigend en beangstigend geweest.
Bij zijn aanhouding in het huis van zijn stiefzus bleek de verdachte in zijn slaapkamer een vuurwapen met munitie en 60,27 gram cocaïne voorhanden te hebben. Het wapen en de munitie waren naar eigen zeggen voor de verkoop en de drugs voor eigen gebruik. Het ongecontroleerde bezit van een wapen met munitie is levensgevaarlijk, zo toont het schietincident in Medemblik eens te meer aan. Ook drugsbezit vormt een bedreiging voor de gezondheid van individuen en de veiligheid van de maatschappij.
Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling in de woning van zijn ex-vriendin, waar hij tijdens een ruzie haar telefoon en andere bezittingen in haar bijzijn heeft vernield, waarmee hij bijzonder weinig respect voor haar en haar eigendommen aan de dag heeft gelegd.
Strafsoort
Met name de aard en de ernst van de pogingen tot doodslag en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer [benadeelde 1], rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank gaat niet mee met het verzoek van de raadsman om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dat zou immers betekenen een gevangenisstraf van maximaal vier jaar, waarvan dan ook nog een deel voorwaardelijk. Zo staat dat in de wet (artikel 14a lid 2 Wetboek van Strafrecht). Maar een straf van vier jaar staat in geen verhouding tot de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 6 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte door de kinderrechter reeds eerder wegens gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank heeft verder gelet op het reclasseringsrapport van 17 januari 2025 waaruit blijkt dat de reclassering nog aanknopingspunten ziet voor begeleiding door de reclassering en waaruit blijkt dat de verdachte gemotiveerd is. De reclassering adviseert het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Zoals hiervoor is toegelicht, vindt de rechtbank een deel voorwaardelijke straf in dit geval echter niet passend.
Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte nog jong is en vader van een klein kind.
Conclusie
Het zwaartepunt voor het bepalen van de hoogte van de straf is in deze zaak de schietpartij in Medemblik. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van dit feit en de ernstige gevolgen voor met name het slachtoffer [benadeelde 1], aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] en vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 7] (moeder), [benadeelde 8] (vader), [benadeelde 9] (broer) en [benadeelde 10] (zus) en schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [benadeelde 1] en naasten (vader, moeder, broer en zus)
De voormalig advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1], mr. M. Berbee, heeft aanvankelijk op 20 juni 2025 een vordering ingediend tot vergoeding van de schade die [benadeelde 1] heeft geleden als gevolg van het schietincident (zaak A). De vordering bestond zowel uit materiële schade (ter hoogte van € 112.624,85) als immateriële schade (ter hoogte van € 218.000,-). De materiële schadeposten bestonden, samengevat, uit zorgkosten, reiskosten, daggeldvergoeding voor verblijf in ziekenhuis en revalidatiecentrum, kosten ter vervanging van beschadigde kleding, inkomstenderving voor de duur van negen maanden en vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen voor de komende vijf jaren. De immateriële schade bestond uit een vergoeding voor het leed dat verband houdt met de dubbele incontinentie en impotentie en daarnaast een vergoeding voor geleden psychisch letsel.
De totale vordering bedroeg € 330.0624,85.
De opvolgende advocaat van [benadeelde 1], mr. L.N. Mensonides, heeft vervolgens op 5 januari 2026 een vordering ingediend die volgens de toelichting op die vordering moest worden gezien als een aanvulling en een gedeeltelijke correctie op de in juni 2025 ingediende vordering.
Het gevorderde bedrag aan materiële schade was verhoogd naar € 690.540,89. De reeds eerder gevorderde materiële schadeposten waren deels gewijzigd (verhoogd) en daarnaast uitgebreid met nieuwe posten. Een grote wijziging betrof de vordering tot vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Het totale verlies aan verdienvermogen tot aan pensioen was daarbij berekend op € 1.267.037,20. Er is nog geen sprake van een medische eindtoestand en de mate van arbeidsongeschiktheid is nog niet onderzocht. Omdat wel aannemelijk is dat [benadeelde 1] in ieder geval voor 50% arbeidsongeschikt zal blijven, werd een bedrag van (50% x € 1.267.037,20 =) € 633.518,60 aan verlies aan verdienvermogen gevorderd.
Daarnaast was de post zorgkosten uitgebreid met nieuwe soorten zorgkosten. Verder bestonden de nieuw gevorderde materiële schadeposten uit (i) vergoeding voor kosten voor huishoudelijke hulp tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, (ii) kosten voor rijbewijskeuring en gezondheidsverklaring voor het CBR en (iii) kosten voor de aanschaf van (medische) hulpmiddelen. De schadepost voor de beschadigde kleding was kennelijk komen te vervallen.
Het gevorderde bedrag aan immateriële schade was verhoogd naar € 250.000,-, waarbij ook de berekening en onderbouwing van deze vordering was gewijzigd.
De totale vordering bedroeg na de wijziging € 940.540,89. Subsidiair heeft mr. Mensonides aansluiting gezocht bij de oorspronkelijke door mr. M. Berbee ingediende vordering en verzocht een bedrag ter hoogte van € 450.352,29 toe te wijzen. Verder werd verzocht de verdachte te veroordelen in de proceskosten, de toegewezen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Verder zijn door mr. Mensonides vier nieuwe vorderingen ingediend namens vier familieleden (de ouders, broer en zus) van [benadeelde 1]. Namens hen werd vergoeding van affectieschade (ter hoogte van in totaal € 60.000,-) gevorderd.
Ten slotte heeft mr. Mensonides op 8 januari 2026 wederom een wijziging van de vordering ingediend. Het betreft een verhoging van de schadeposten (i) eigen risico 2025, (ii) kosten fysiotherapie en (iii) reiskosten (voor het jaar 2026). Daarbij is niet toegelicht wat deze wijzigingen betekenen voor het totaalbedrag dat aan (materiële) schade wordt gevorderd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de gevorderde materiële schade het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte, dat het voldoende is onderbouwd en daarmee kan worden toegewezen, met de volgende kanttekening.
Wat betreft het verlies aan verdienvermogen heeft de officier van justitie erop gewezen dat er nog geen keuring is geweest van de arbeidsgeschiktheid van [benadeelde 1]. De stelling dat sprake is van 50% arbeidsongeschiktheid tot aan het pensioen is daarmee onvoldoende onderbouwd. Het is volgens de officier van justitie niettemin aannemelijk dat [benadeelde 1] de komende vijf jaren volledig niet zal kunnen werken, waarvoor een bedrag van € 180.356,87 kan worden toegewezen.
Het gevorderde bedrag van € 250.000,- aan immateriële schade is volgens de officier van justitie passend en redelijk en kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft erop gewezen dat de vordering van [benadeelde 1] substantieel is gewijzigd – zowel wat betreft de onderbouwing als de omvang – ten opzichte van de in juni 2025 ingediende vordering. Daarbij geldt dat de gewijzigde vordering pas op 5 januari 2026 (dat wil zeggen: vier dagen voor de zitting van 9 januari 2026) is ingediend en nadien op 8 januari 2026 (één dag voor de zitting) nog eens is gewijzigd, waarbij onder meer nieuwe stukken in het geding zijn gebracht. Volgens de raadsman is het voor de verdediging ondoenlijk geweest om op goede wijze de standpunten over deze hoge vordering te kunnen bepalen en naar voren te brengen. De verdachte zit in voorlopige hechtenis, wat maakt dat het voor de verdediging lastig is om op zo’n korte termijn een afspraak te maken om de nieuwe vordering(en) te kunnen bespreken. Er is onvoldoende rekening gehouden met het verdedigingsbelang bij het indienen van de vordering. In het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:644) wordt onderstreept dat zeer hoge vorderingen tijdig moeten worden ingediend. Daarnaast wenst de verdediging met behulp van een deskundige nader onderzoek te doen naar het verlies van arbeidsvermogen van [benadeelde 1]. Dit onderzoek heeft gelet op het korte tijdsbestek tussen het indienen van de vordering en de zitting nog niet kunnen plaatsvinden.
Dit brengt volgens de raadsman met zich dat ofwel de zaak moet worden aangehouden (hetgeen primair wordt verzocht) zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt te kunnen bepalen met betrekking tot de vorderingen, ofwel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verder uitstel van de zaak, mede gelet op de belangen van de voorlopig gehechte verdachte, onevenredig belastend is voor het strafgeding. Dit vormt het subsidiaire verzoek.
Beoordelingskader
Het strafproces voorziet in een eenvoudige en laagdrempelige procedure met als doel personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos te stellen. Deze eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte echter niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering (artikel 334 Sv). Dit ontbreken van enkele processuele waarborgen brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen (zoals door de Hoge Raad onder meer is bepaald in het overzichtsarrest 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Is dat niet het geval, dan ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Zij kan dan haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bij een vordering tot gederfd levensonderhoud geldt dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer zou hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van het slachtoffer in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag de benadeelde partij schade heeft geleden door gederfd levensonderhoud, in hoge mate afhankelijk is van een veelheid van – deels onzekere – feiten en omstandigheden waarvan het stellen en onderbouwen op de weg ligt van de benadeelde partij. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, kan het voor de verdediging moeilijk zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing.
De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:644) af dat bij een vordering wegens gederfd levensonderhoud des te meer geldt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen voldoende in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen genoegzaam naar voren te brengen. Het kan in die gevallen immers gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben.
Aangenomen mag worden dat het voorgaande ook geldt bij vorderingen wegens gederfde inkomsten door verlies aan arbeidsvermogen, zoals in deze zaak aan de orde is. Ook bij gederfde inkomsten door verlies aan arbeidsvermogen kan het immers gaan om een hoge, complexe vordering die begroot moet worden aan de hand van onzekere factoren. [2]
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het voorgaande beoordelingskader moet de rechtbank beoordelen of in dit geval de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest haar standpunt over de vordering van [benadeelde 1] en die van zijn naasten naar voren te brengen. De rechtbank oordeelt dat dit
niethet geval is.
Het gaat in dit geval om hoge bedragen en, in elk geval wat betreft de vordering tot toekomstige gederfde inkomsten, een complexe vordering. De gewijzigde vordering van [benadeelde 1] is pas in een zeer laat stadium ingediend, te weten enkele dagen voor de zitting en is zelfs een dag voor de zitting nog gewijzigd. Mr. Mensonides is in de zomer van 2025 betrokken bij deze zaak als advocaat van [benadeelde 1], maar heeft ter zitting desgevraagd geen reden kunnen of willen geven voor deze late indiening, anders dan dat het wettelijk kan en bij de vordering tot immateriële schade de Rotterdamse Schaal en de aanbevelingen vanuit de rechtspraak (die eind 2025 zijn gedaan) van belang (kunnen) zijn. Dit is op zichzelf genomen juist, maar dit neemt niet weg dat de rechtbank zelfstandig moet beoordelen of de verdediging zich voldoende heeft kunnen verweren. De raadsman van de verdachte heeft in dit verband toegelicht dat de late indiening hem onvoldoende gelegenheid gaf de vordering in gewijzigde vorm te bestuderen en met de verdachte, die gedetineerd zit, te bespreken en op de verschillende onderdelen een strategie of standpunt te bepalen.
De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken en het beoordelingskader –in dit geval het verdedigingsbelang op onaanvaardbare wijze is geschaad. Daaraan doet niet af dat een (klein) deel van de vordering gelijk is gebleven aan de vordering zoals die in juni 2025 was ingediend, zodat de verdediging mogelijk op dat punt zich wel voldoende had kunnen verdedigen. Ook dan geldt dat de raadsman niet voldoende in de gelegenheid is geweest om stellingen in te nemen met betrekking tot de verschillen tussen de oude en de nieuwe vordering en de wijziging in de onderbouwing daarvan. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de vordering in gewijzigde vorm en de onderbouwing daarvan niet onmiddellijk duidelijk maakt waarin deze verschilt of overeenkomt met de oorspronkelijke vordering.
De rechtbank ziet evenmin ruimte om de behandeling van de zaak aan te houden tot een nadere datum, om de verdediging in de gelegenheid te stellen haar stellingen over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij nader te onderbouwen of daarnaar nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige te laten plaatsvinden. Dit zou het strafproces onevenredig belasten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat deze strafzaak al lange tijd duurt, een eerdere inhoudelijke behandeling niet door is gegaan en de verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis zit.
Conclusie
De conclusie is dat de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Voor zijn familieleden die zich eveneens als benadeelde partijen hebben gevoegd geldt hetzelfde; ook zij zijn niet-ontvankelijk in de vorderingen. De rechtbank realiseert zich dat dit voor [benadeelde 1] een zeer wrange uitkomst zal zijn. Het is immers overduidelijk dat als gevolg van het schietincident forse schade is geleden. Dit heeft de rechtbank echter meegewogen en maakt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging niet anders. De rechtbank heeft namelijk een zelfstandige taak om ervoor te waken dat de verdachte een eerlijk proces krijgt, ook ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding. Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dat zal hierna nader worden toegelicht.
De benadeelde partijen kunnen hun vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechter kan de in artikel 36f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel ambtshalve opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van een vordering tot schadevergoeding kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard (vgl. r.o. 2.9.2 van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte is jegens [benadeelde 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. [benadeelde 1] heeft door het schieten door de verdachte, lichamelijk letsel opgelopen en zowel materiële als immateriële schade geleden. [benadeelde 1] heeft belang bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het CJIB dan zorg draagt voor de tenuitvoerlegging van deze maatregel en dus voor het innen van het toegekende bedrag. Het slachtoffer hoeft dus niet zelf actie te ondernemen. Daarnaast is de schadevergoedingsmaatregel van groot belang, omdat oplegging van deze maatregel de voorwaarde is voor toepassing van de voorschotregeling. Deze regeling voorziet erin dat het slachtoffer deze vergoeding bij wijze van voorschot krijgt uitgekeerd door de staat, indien de veroordeelde niet (volledig) binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (art. 6:4:2 lid 7 Sv juncto art. 6:4:8 lid 3 Sv).
Het staat in dit geval voldoende vast dat [benadeelde 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde handelen. Hij heeft immers zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ondervindt, zoals toegelicht tijdens de zitting, elke dag de nadelige gevolgen hiervan. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft hij recht op een immateriële schadevergoeding. De exacte begroting van die schade kan niet binnen de kaders van dit strafproces plaatsvinden, maar in de ogen van de rechtbank is evident dat de immateriële schade minstens € 25.000,- bedraagt.
De immateriële schade wordt door de rechtbank daarom begroot op het bedrag van
€ 25.000,-. De rechtbank zal ten aanzien van dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank benadrukt dat zij hiermee geen oordeel geeft over het totale bedrag aan immateriële schadevergoeding dat door [benadeelde 1] is gevorderd.
De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf het moment waarop deze schade is ontstaan (16 september 2024, de datum waarop het strafbare feit is gepleegd).
Door oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 25.000,- wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, in de zin dat zij onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om zich een oordeel te vormen over de toewijsbaarheid ervan. Immers, dat het slachtoffer door de schietpartij ernstig letsel heeft opgelopen staat ook voor de verdediging niet ter discussie en er is voldoende ruimte geweest voor debat over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van immateriële schade.
Proceskosten
De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

8.Vordering benadeelde partij [benadeelde 3] en schadevergoedingsmaatregel

Vordering van [benadeelde 3]
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft via zijn wettelijk vertegenwoordiger [benadeelde 5] een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 4.500,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak C onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde materiële schade bestaat uit het geldbedrag van € 2.000,- dat is afgeperst. Daarnaast heeft [benadeelde 3] een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade gevorderd en in de toelichting bij deze vordering opgenomen dat hij kampt met angstgevoelens en slaapproblemen als gevolg van het incident.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade moet worden toegewezen, nu deze schade bestaat uit het afgeperste geldbedrag. Voor de immateriële schade moet sprake zijn van een van de grondslagen genoemd in de wet. Nu de benadeelde partij de aanwezigheid van deze gronden onvoldoende heeft onderbouwd moet hij wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van de vordering geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De vordering tot vergoeding materiële schade is voldoende onderbouwd en door/namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door in zaak C onder 1 bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Artikel 6:106 lid 1 van het BW beschrijft de gevallen die een grond geven voor een recht op immateriële schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een van de genoemde gevallen. Uit het dossier, de ingediende vordering en de daarbij gevoegde stukken blijkt niet dat de verdachte het bewezenverklaarde handelen heeft verricht met het oogmerk om de benadeelde zodanig (immaterieel) nadeel toe te brengen (artikel 6:106 lid 1 onder a BW). Evenmin is gebleken dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (artikel 6:106 lid 1 onder b BW). Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat de benadeelde partij zich angstig heeft gevoeld, is niet objectief aangetoond dat er sprake is van geestelijk letsel dat het meer of minder sterk psychisch onbehagen overstijgt. Deze gevolgen kunnen naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid uit de aard en ernst van de normschending. Nu niet is komen vast te staan dat sprake is van een wettelijke grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding, kan dit deel van de vordering niet worden toegewezen.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De rechtbank zal de vordering toewijzen met betrekking tot de materiële schade, voor een bedrag van € 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes in zaak C onder 1 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: afpersing) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 45, 55, 57, 285, 287, 317, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
26, 55 Wet wapens en munitie
2, 10 Opiumwet

10.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A primair (poging doodslag), zaak B primair, zaak C onder 1 tot en met 4 en zaak D ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.4. bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
7 (zeven) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering.
Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 7], [benadeelde 8], [benadeelde 9] en [benadeelde 10] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.
Bepaalt dat de benadeelde partijen hun vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] en de verdachte ieder hun eigen proceskosten dragen.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[benadeelde 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 25.000,- (vijfentwintigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 141 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij
[benadeelde 3]geleden schade tot een bedrag van
€ 2.000,- (tweeduizend euro), als vergoeding voor de schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart [benadeelde 3] wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer
[benadeelde 3]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 2.000,- (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
Mr. H. Bakker, voorzitter,
Mr. J.M. Jongkind en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 januari 2026.
Bijlage 1
De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
15-297964.24 – zaak A
hij, op of omstreeks 16 september 2024 te Medemblik ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1], opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [benadeelde 1] met een vuurwapen in zijn heup heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 16 september 2024 te Medemblik aan [benadeelde 1]
opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de heup heeft toegebracht door die [benadeelde 1] met een vuurwapen in zijn heup te schieten;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 16 september 2024 te Medemblik ter uitvoering van het door
verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk en met
voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [benadeelde 1] met een vuurwapen in zijn heup heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15-227033.25 – zaak B
hij, op of omstreeks 16 september 2024 te Medemblik ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2], opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde 2] met een vuurwapen in zijn schouder, althans in de richting van het lichaam van die [benadeelde 2], heeft geschoten terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij, op of omstreeks 16 september 2024 te Medemblik, gemeente Stede Broec
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [benadeelde 2] met een vuurwapen in zijn schouder, althans in de richting van het lichaam van die [benadeelde 2], heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
15-289006.23 – zaak C
Feit 1
hij op of omstreeks 3 september 2023 in de gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 2000 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde 4] en/of een derde toebehoorde(n), door
- tegen die [benadeelde 3] te schreeuwen dat hij moest betalen en/of
- tegen de helm van die [benadeelde 3] te slaan, en/of
- die [benadeelde 3] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen in zijn, verdachtes broekband, en/of
- tegen die [benadeelde 3] te zeggen dat hij een Budha stip op zijn voorhoofd zou zetten als hij niet ging betalen, en/of
- tegen die [benadeelde 4] te zeggen: "ik moet nu geld hebben, anders schiet ik jou en je broertje dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
Feit 2
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 oktober 2023 tot en met 26 oktober 2023 in de gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland (telkens) [benadeelde 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 5] meermaals telefonisch dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet je kapot!" en/of "ik zal je hele familie pakken en vermoorden, dan ga je eraan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
Feit 3
hij op of omstreeks 2 november 2023 in de gemeente Medemblik in een woning gelegen aan de [adres 6] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Bruni automatic 96, kaliber 8 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III te weten 7 scherpe volmantel kogelpatronen kaliber 7.65 mm en/of 1 knalpatroon kaliber 8 mm voorhanden heeft gehad
Feit 4
hij op of omstreeks 2 november 2023 in de gemeente Medemblik, in elk geval in Nederland in een woning gelegen aan de [adres 6] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60,27 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
15-094270.23 – zaak D
hij, op of omstreeks 28 maart 2023 te Medemblikopzettelijk en wederrechtelijk delen van de inboedel van een woning aan de [adres 4] (1671 KA, Medemblik) en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Bijlage II
De bewijsmiddelen
-------------------------

Voetnoten

1.Zie p. 98 t/m 110 van het dossier.
2.Zie ook ECLI:NL:PHR:2025:22, Parket bij de Hoge Raad.