6.3Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De verdachte heeft geprobeerd het destijds 23-jarige slachtoffer [benadeelde 1] van het leven te beroven door op korte afstand vanuit zijn auto met een vuurwapen voorzien van laserpointer meermalen gericht te schieten op [benadeelde 1]. [benadeelde 1] is getroffen in zijn onderlichaam met zeer ernstig letsel als gevolg. Het slachtoffer kan zijn rechterbeen blijvend niet meer gebruiken en is de rest van zijn leven afhankelijk van een rolstoel en krukken. Daarnaast heeft hij geen controle meer over zijn blaas, penis of kringspieren en is sprake van dubbele incontinentie. Het slachtoffer kan niet meer comfortabel zitten, staan, liggen of slapen. Hij heeft de hele dag aanhoudende zenuwpijnen in zijn been, bekken, darmen, blaas en penis. Hij is dagelijks afhankelijk van hulp van anderen. Het (permanente) letsel heeft het leven van [benadeelde 1] verwoest.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de poging tot doodslag op het slachtoffer [benadeelde 2], die zich in de groep van het slachtoffer [benadeelde 1] bevond.
Er mag van geluk worden gesproken dat de slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet dodelijk zijn getroffen.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan afpersing. Met dreigende woorden en door het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft hij de aangevers [benadeelde 3] gedwongen hem een geldbedrag van € 2000,- te geven. De verdachte heeft vervolgens de vader van de broers [benadeelde 3] bedreigd toen hij de verdachte benaderde om het geldbedrag voor zijn zoons terug te krijgen. Deze feiten zijn voor de familie zeer bedreigend en beangstigend geweest.
Bij zijn aanhouding in het huis van zijn stiefzus bleek de verdachte in zijn slaapkamer een vuurwapen met munitie en 60,27 gram cocaïne voorhanden te hebben. Het wapen en de munitie waren naar eigen zeggen voor de verkoop en de drugs voor eigen gebruik. Het ongecontroleerde bezit van een wapen met munitie is levensgevaarlijk, zo toont het schietincident in Medemblik eens te meer aan. Ook drugsbezit vormt een bedreiging voor de gezondheid van individuen en de veiligheid van de maatschappij.
Tenslotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling in de woning van zijn ex-vriendin, waar hij tijdens een ruzie haar telefoon en andere bezittingen in haar bijzijn heeft vernield, waarmee hij bijzonder weinig respect voor haar en haar eigendommen aan de dag heeft gelegd.
Strafsoort
Met name de aard en de ernst van de pogingen tot doodslag en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer [benadeelde 1], rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank gaat niet mee met het verzoek van de raadsman om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Dat zou immers betekenen een gevangenisstraf van maximaal vier jaar, waarvan dan ook nog een deel voorwaardelijk. Zo staat dat in de wet (artikel 14a lid 2 Wetboek van Strafrecht). Maar een straf van vier jaar staat in geen verhouding tot de ernst van de bewezenverklaarde feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 6 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte door de kinderrechter reeds eerder wegens gewelds- en vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank heeft verder gelet op het reclasseringsrapport van 17 januari 2025 waaruit blijkt dat de reclassering nog aanknopingspunten ziet voor begeleiding door de reclassering en waaruit blijkt dat de verdachte gemotiveerd is. De reclassering adviseert het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Zoals hiervoor is toegelicht, vindt de rechtbank een deel voorwaardelijke straf in dit geval echter niet passend.
Tot slot heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte nog jong is en vader van een klein kind.
Conclusie
Het zwaartepunt voor het bepalen van de hoogte van de straf is in deze zaak de schietpartij in Medemblik. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat gelet op de ernst van dit feit en de ernstige gevolgen voor met name het slachtoffer [benadeelde 1], aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven jaar moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. Vordering benadeelde partij [benadeelde 1] en vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 7] (moeder), [benadeelde 8] (vader), [benadeelde 9] (broer) en [benadeelde 10] (zus) en schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [benadeelde 1] en naasten (vader, moeder, broer en zus)
De voormalig advocaat van de benadeelde partij [benadeelde 1], mr. M. Berbee, heeft aanvankelijk op 20 juni 2025 een vordering ingediend tot vergoeding van de schade die [benadeelde 1] heeft geleden als gevolg van het schietincident (zaak A). De vordering bestond zowel uit materiële schade (ter hoogte van € 112.624,85) als immateriële schade (ter hoogte van € 218.000,-). De materiële schadeposten bestonden, samengevat, uit zorgkosten, reiskosten, daggeldvergoeding voor verblijf in ziekenhuis en revalidatiecentrum, kosten ter vervanging van beschadigde kleding, inkomstenderving voor de duur van negen maanden en vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen voor de komende vijf jaren. De immateriële schade bestond uit een vergoeding voor het leed dat verband houdt met de dubbele incontinentie en impotentie en daarnaast een vergoeding voor geleden psychisch letsel.
De totale vordering bedroeg € 330.0624,85.
De opvolgende advocaat van [benadeelde 1], mr. L.N. Mensonides, heeft vervolgens op 5 januari 2026 een vordering ingediend die volgens de toelichting op die vordering moest worden gezien als een aanvulling en een gedeeltelijke correctie op de in juni 2025 ingediende vordering.
Het gevorderde bedrag aan materiële schade was verhoogd naar € 690.540,89. De reeds eerder gevorderde materiële schadeposten waren deels gewijzigd (verhoogd) en daarnaast uitgebreid met nieuwe posten. Een grote wijziging betrof de vordering tot vergoeding voor verlies aan arbeidsvermogen tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Het totale verlies aan verdienvermogen tot aan pensioen was daarbij berekend op € 1.267.037,20. Er is nog geen sprake van een medische eindtoestand en de mate van arbeidsongeschiktheid is nog niet onderzocht. Omdat wel aannemelijk is dat [benadeelde 1] in ieder geval voor 50% arbeidsongeschikt zal blijven, werd een bedrag van (50% x € 1.267.037,20 =) € 633.518,60 aan verlies aan verdienvermogen gevorderd.
Daarnaast was de post zorgkosten uitgebreid met nieuwe soorten zorgkosten. Verder bestonden de nieuw gevorderde materiële schadeposten uit (i) vergoeding voor kosten voor huishoudelijke hulp tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, (ii) kosten voor rijbewijskeuring en gezondheidsverklaring voor het CBR en (iii) kosten voor de aanschaf van (medische) hulpmiddelen. De schadepost voor de beschadigde kleding was kennelijk komen te vervallen.
Het gevorderde bedrag aan immateriële schade was verhoogd naar € 250.000,-, waarbij ook de berekening en onderbouwing van deze vordering was gewijzigd.
De totale vordering bedroeg na de wijziging € 940.540,89. Subsidiair heeft mr. Mensonides aansluiting gezocht bij de oorspronkelijke door mr. M. Berbee ingediende vordering en verzocht een bedrag ter hoogte van € 450.352,29 toe te wijzen. Verder werd verzocht de verdachte te veroordelen in de proceskosten, de toegewezen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Verder zijn door mr. Mensonides vier nieuwe vorderingen ingediend namens vier familieleden (de ouders, broer en zus) van [benadeelde 1]. Namens hen werd vergoeding van affectieschade (ter hoogte van in totaal € 60.000,-) gevorderd.
Ten slotte heeft mr. Mensonides op 8 januari 2026 wederom een wijziging van de vordering ingediend. Het betreft een verhoging van de schadeposten (i) eigen risico 2025, (ii) kosten fysiotherapie en (iii) reiskosten (voor het jaar 2026). Daarbij is niet toegelicht wat deze wijzigingen betekenen voor het totaalbedrag dat aan (materiële) schade wordt gevorderd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de gevorderde materiële schade het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte, dat het voldoende is onderbouwd en daarmee kan worden toegewezen, met de volgende kanttekening.
Wat betreft het verlies aan verdienvermogen heeft de officier van justitie erop gewezen dat er nog geen keuring is geweest van de arbeidsgeschiktheid van [benadeelde 1]. De stelling dat sprake is van 50% arbeidsongeschiktheid tot aan het pensioen is daarmee onvoldoende onderbouwd. Het is volgens de officier van justitie niettemin aannemelijk dat [benadeelde 1] de komende vijf jaren volledig niet zal kunnen werken, waarvoor een bedrag van € 180.356,87 kan worden toegewezen.
Het gevorderde bedrag van € 250.000,- aan immateriële schade is volgens de officier van justitie passend en redelijk en kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft erop gewezen dat de vordering van [benadeelde 1] substantieel is gewijzigd – zowel wat betreft de onderbouwing als de omvang – ten opzichte van de in juni 2025 ingediende vordering. Daarbij geldt dat de gewijzigde vordering pas op 5 januari 2026 (dat wil zeggen: vier dagen voor de zitting van 9 januari 2026) is ingediend en nadien op 8 januari 2026 (één dag voor de zitting) nog eens is gewijzigd, waarbij onder meer nieuwe stukken in het geding zijn gebracht. Volgens de raadsman is het voor de verdediging ondoenlijk geweest om op goede wijze de standpunten over deze hoge vordering te kunnen bepalen en naar voren te brengen. De verdachte zit in voorlopige hechtenis, wat maakt dat het voor de verdediging lastig is om op zo’n korte termijn een afspraak te maken om de nieuwe vordering(en) te kunnen bespreken. Er is onvoldoende rekening gehouden met het verdedigingsbelang bij het indienen van de vordering. In het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:644) wordt onderstreept dat zeer hoge vorderingen tijdig moeten worden ingediend. Daarnaast wenst de verdediging met behulp van een deskundige nader onderzoek te doen naar het verlies van arbeidsvermogen van [benadeelde 1]. Dit onderzoek heeft gelet op het korte tijdsbestek tussen het indienen van de vordering en de zitting nog niet kunnen plaatsvinden. Dit brengt volgens de raadsman met zich dat ofwel de zaak moet worden aangehouden (hetgeen primair wordt verzocht) zodat de verdediging in de gelegenheid wordt gesteld haar standpunt te kunnen bepalen met betrekking tot de vorderingen, ofwel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat verder uitstel van de zaak, mede gelet op de belangen van de voorlopig gehechte verdachte, onevenredig belastend is voor het strafgeding. Dit vormt het subsidiaire verzoek.
Beoordelingskader
Het strafproces voorziet in een eenvoudige en laagdrempelige procedure met als doel personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos te stellen. Deze eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte echter niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering (artikel 334 Sv). Dit ontbreken van enkele processuele waarborgen brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen (zoals door de Hoge Raad onder meer is bepaald in het overzichtsarrest 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). Is dat niet het geval, dan ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Zij kan dan haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bij een vordering tot gederfd levensonderhoud geldt dat de hoogte daarvan zal moeten worden begroot aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent de inkomsten die het slachtoffer zou hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van het slachtoffer in de door dit feit veroorzaakte situatie. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of en tot welk bedrag de benadeelde partij schade heeft geleden door gederfd levensonderhoud, in hoge mate afhankelijk is van een veelheid van – deels onzekere – feiten en omstandigheden waarvan het stellen en onderbouwen op de weg ligt van de benadeelde partij. Omdat het hierbij gaat om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt, kan het voor de verdediging moeilijk zijn haar betwisting van deze feiten en omstandigheden en de bij de selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van een nadere inhoudelijke onderbouwing.
De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:644) af dat bij een vordering wegens gederfd levensonderhoud des te meer geldt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen voldoende in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen genoegzaam naar voren te brengen. Het kan in die gevallen immers gaan om zeer hoge vorderingen waarvan de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben. Aangenomen mag worden dat het voorgaande ook geldt bij vorderingen wegens gederfde inkomsten door verlies aan arbeidsvermogen, zoals in deze zaak aan de orde is. Ook bij gederfde inkomsten door verlies aan arbeidsvermogen kan het immers gaan om een hoge, complexe vordering die begroot moet worden aan de hand van onzekere factoren.
Oordeel van de rechtbank
In het licht van het voorgaande beoordelingskader moet de rechtbank beoordelen of in dit geval de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest haar standpunt over de vordering van [benadeelde 1] en die van zijn naasten naar voren te brengen. De rechtbank oordeelt dat dit
niethet geval is.
Het gaat in dit geval om hoge bedragen en, in elk geval wat betreft de vordering tot toekomstige gederfde inkomsten, een complexe vordering. De gewijzigde vordering van [benadeelde 1] is pas in een zeer laat stadium ingediend, te weten enkele dagen voor de zitting en is zelfs een dag voor de zitting nog gewijzigd. Mr. Mensonides is in de zomer van 2025 betrokken bij deze zaak als advocaat van [benadeelde 1], maar heeft ter zitting desgevraagd geen reden kunnen of willen geven voor deze late indiening, anders dan dat het wettelijk kan en bij de vordering tot immateriële schade de Rotterdamse Schaal en de aanbevelingen vanuit de rechtspraak (die eind 2025 zijn gedaan) van belang (kunnen) zijn. Dit is op zichzelf genomen juist, maar dit neemt niet weg dat de rechtbank zelfstandig moet beoordelen of de verdediging zich voldoende heeft kunnen verweren. De raadsman van de verdachte heeft in dit verband toegelicht dat de late indiening hem onvoldoende gelegenheid gaf de vordering in gewijzigde vorm te bestuderen en met de verdachte, die gedetineerd zit, te bespreken en op de verschillende onderdelen een strategie of standpunt te bepalen.
De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken en het beoordelingskader –in dit geval het verdedigingsbelang op onaanvaardbare wijze is geschaad. Daaraan doet niet af dat een (klein) deel van de vordering gelijk is gebleven aan de vordering zoals die in juni 2025 was ingediend, zodat de verdediging mogelijk op dat punt zich wel voldoende had kunnen verdedigen. Ook dan geldt dat de raadsman niet voldoende in de gelegenheid is geweest om stellingen in te nemen met betrekking tot de verschillen tussen de oude en de nieuwe vordering en de wijziging in de onderbouwing daarvan. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de vordering in gewijzigde vorm en de onderbouwing daarvan niet onmiddellijk duidelijk maakt waarin deze verschilt of overeenkomt met de oorspronkelijke vordering.
De rechtbank ziet evenmin ruimte om de behandeling van de zaak aan te houden tot een nadere datum, om de verdediging in de gelegenheid te stellen haar stellingen over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij nader te onderbouwen of daarnaar nader onderzoek door een onafhankelijke deskundige te laten plaatsvinden. Dit zou het strafproces onevenredig belasten. Daarbij weegt de rechtbank mee dat deze strafzaak al lange tijd duurt, een eerdere inhoudelijke behandeling niet door is gegaan en de verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis zit.
Conclusie
De conclusie is dat de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering tot schadevergoeding. Voor zijn familieleden die zich eveneens als benadeelde partijen hebben gevoegd geldt hetzelfde; ook zij zijn niet-ontvankelijk in de vorderingen. De rechtbank realiseert zich dat dit voor [benadeelde 1] een zeer wrange uitkomst zal zijn. Het is immers overduidelijk dat als gevolg van het schietincident forse schade is geleden. Dit heeft de rechtbank echter meegewogen en maakt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging niet anders. De rechtbank heeft namelijk een zelfstandige taak om ervoor te waken dat de verdachte een eerlijk proces krijgt, ook ten aanzien van de vorderingen tot schadevergoeding. Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Dat zal hierna nader worden toegelicht.
De benadeelde partijen kunnen hun vordering aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechter kan de in artikel 36f, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel ambtshalve opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van een vordering tot schadevergoeding kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechter ook worden opgelegd indien het slachtoffer geen schadevergoeding heeft gevorderd of de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard (vgl. r.o. 2.9.2 van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793). De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte is jegens [benadeelde 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. [benadeelde 1] heeft door het schieten door de verdachte, lichamelijk letsel opgelopen en zowel materiële als immateriële schade geleden. [benadeelde 1] heeft belang bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het CJIB dan zorg draagt voor de tenuitvoerlegging van deze maatregel en dus voor het innen van het toegekende bedrag. Het slachtoffer hoeft dus niet zelf actie te ondernemen. Daarnaast is de schadevergoedingsmaatregel van groot belang, omdat oplegging van deze maatregel de voorwaarde is voor toepassing van de voorschotregeling. Deze regeling voorziet erin dat het slachtoffer deze vergoeding bij wijze van voorschot krijgt uitgekeerd door de staat, indien de veroordeelde niet (volledig) binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (art. 6:4:2 lid 7 Sv juncto art. 6:4:8 lid 3 Sv).
Het staat in dit geval voldoende vast dat [benadeelde 1] rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde handelen. Hij heeft immers zwaar lichamelijk letsel opgelopen en ondervindt, zoals toegelicht tijdens de zitting, elke dag de nadelige gevolgen hiervan. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft hij recht op een immateriële schadevergoeding. De exacte begroting van die schade kan niet binnen de kaders van dit strafproces plaatsvinden, maar in de ogen van de rechtbank is evident dat de immateriële schade minstens € 25.000,- bedraagt.
De immateriële schade wordt door de rechtbank daarom begroot op het bedrag van
€ 25.000,-. De rechtbank zal ten aanzien van dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank benadrukt dat zij hiermee geen oordeel geeft over het totale bedrag aan immateriële schadevergoeding dat door [benadeelde 1] is gevorderd.
De wettelijke rente zal worden toegekend vanaf het moment waarop deze schade is ontstaan (16 september 2024, de datum waarop het strafbare feit is gepleegd).
Door oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 25.000,- wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, in de zin dat zij onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om zich een oordeel te vormen over de toewijsbaarheid ervan. Immers, dat het slachtoffer door de schietpartij ernstig letsel heeft opgelopen staat ook voor de verdediging niet ter discussie en er is voldoende ruimte geweest voor debat over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het ontstaan van immateriële schade.
Proceskosten
De rechtbank zal de kosten van partijen compenseren aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.