Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3111

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
HAA 25/2368
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:32 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende motivering eerste ziektedag

De zaak betreft een werkgeversberoep tegen het besluit van het UWV om een Ziektewet-uitkering toe te kennen aan een werknemer met terugwerkende kracht vanaf 16 april 2024. Eiseres betwist de toekenning en voert aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende medisch is onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de eerste ziektedag heeft vastgesteld zonder een zorgvuldig en deugdelijk medisch onderzoek, waarbij het vooral heeft vertrouwd op de verklaring van de werknemer zelf. Er is geen aanvullend onderzoek gedaan naar de omstandigheden rond de ziekmelding, noch is er een belangenafweging gemaakt. Dit leidt tot een motiveringsgebrek in het besluit.

Gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep moet het UWV bij het vaststellen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zorgvuldig en goed gemotiveerd te werk gaan, zeker wanneer het besluit met terugwerkende kracht wordt genomen en belastend is voor de werkgever.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot toekenning van de Ziektewet-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de eerste ziektedag en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2368

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[bedrijf] B.V., uit Volendam, eiseres

(gemachtigde: L. van den Heuvel),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [werknemer] uit Haarlem (werknemer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een uitkering aan de werknemer op grond van de Ziektewet (ZW). Eiseres is het niet eens met de toekenning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 11 december 2024 heeft het Uwv aan de werknemer een ZW-uitkering toegekend met ingang van 15 juli 2024.
2.1.
Met het bestreden besluit van 28 maart 2025 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de toekenning van de ZW-uitkering gebleven, maar wordt eiseres losgekoppeld voor de periode 15 juli 2024 tot 14 september 2024 in verband met een benadelingshandeling van de werknemer. Na deze datum wordt de ZW-uitkering wel aan eiseres toegerekend.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Ter zitting is de gemachtigde van het Uwv verschenen. De gemachtigde van eiseres heeft via een digitale videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
3. De werknemer heeft de rechtbank geen toestemming verleend voor toezending aan eiseres van stukken die medische gegevens bevatten. De rechtbank heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) besloten dat de kennisneming van medische stukken in dit geding is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres. Gelet hierop zal de rechtbank in deze uitspraak de medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.

Totstandkoming van het besluit

4. De werknemer werkte als leerling elektrotechniek voor 40 uur per week bij eiseres op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 15 november 2024. Eiseres en de werknemer hebben op 5 juni 2024 een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarbij het dienstverband van de werknemer per 14 juli 2024 wordt beëindigd. Op 27 september 2024 heeft de werknemer zich bij het Uwv met terugwerkende kracht ziekgemeld per 16 april 2024.
4.1.
Naar aanleiding van de ziekmelding is de werknemer op 13 november 2024 gezien op het spreekuur door een basisarts van het Uwv. In de rapportage van 27 november 2024 is onder meer vermeld dat werknemer heeft meegedeeld dat hij op 16 april 2024 is uitgevallen door een ontsteking na een operatie in verband met een aandoening. Verder is vermeld dat de arts geen reden ziet te twijfelen aan de gang van zaken zoals de werknemer hem verteld heeft. De klachten, belemmeringen en waarnemingen op het spreekuur vormen een consistent geheel en zijn passend bij de medische aandoening. De arts acht werknemer per 16 april 2024 arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk. Onderaan de opgestelde rapportage is vermeld dat deze is getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.
4.2.
Met het primaire besluit heeft het Uwv aan de werknemer meegedeeld dat hij vanaf 15 juli 2024 recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid.
4.3.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit, omdat volgens eiseres sprake is van een benadelingshandeling door de werknemer. Daarnaast stelt eiseres dat er geen sprake was van ziekte tijdens het dienstverband. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier bestudeerd. In de rapportage van 18 februari 2025 is vermeld dat het dossier inhoudelijk geen medische vragen oproept, om reden waarvan de heroverweging op bezwaar is uitgevoerd op basis van de beschikbare informatie. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de werknemer een benadelingshandeling heeft verricht door het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, en dat het tekenen van die overeenkomst niet medisch verschoonbaar is. Daarnaast is vermeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de werknemer ongeschikt acht tot het verrichten van zijn arbeid per 16 april 2024 en daarmee ook op de datum in geding, te weten 15 juli 2024.
4.4.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 februari 2025, gegrond verklaard, omdat de werknemer een benadelingshandeling heeft verricht door het tekenen van de vaststellingsovereenkomst.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van eiseres
5. Eiseres heeft bestreden dat de werknemer op 16 april 2024 arbeidsongeschikt in de zin van de ZW was. Eiseres stelt dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op een medische grondslag of een objectief toetsbare motivering. Uit de in de bezwaarfase ontvangen gedingstukken blijkt volgens eiseres dat het Uwv zich hierbij enkel heeft gebaseerd op (zijn interpretatie van) een door de werknemer gegeven verhaal. Van enig nader medisch onderzoek van het Uwv is geen sprake geweest, dus ook niet na expliciete betwisting van de eerste ziektedag in bezwaar. Daarnaast voert eiseres aan dat er geen belangenafweging in het bestreden besluit heeft plaatsgevonden.
Standpunten Uwv
6. Het Uwv heeft in het verweer erop gewezen dat de werknemer op 13 november 2024 gezien is door een arts. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in bezwaar zorgvuldig onderzoek verricht waarbij is aangegeven dat zij geen lichamelijk of psychisch onderzoek noodzakelijk acht. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2021:1491) stelt het Uwv dat het door eiseres aangevoerde gebrek dat de werknemer niet door een verzekeringsarts is gezien, hiermee is hersteld. Het Uwv heeft verder gewezen op de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 18 februari 2025 dat bij de werknemer wel sprake was van ziekte tijdens dienstverband bij eiseres. Het Uwv stelt dat de rapportage voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan daaraan bijzondere waarde toekomt en het Uwv zich op de conclusies daaruit mag baseren.
Het oordeel van de rechtbank
7. In geschil is of het Uwv de eerste ziektedag van de werknemer op voldoende zorgvuldige wijze heeft vastgesteld op 16 april 2024 en op juiste gronden heeft bepaald dat de werknemer per 16 april 2024 recht heeft op een ZW-uitkering. Die beoordeling gaat vooraf aan de vraag of de uitkering terecht vanaf 15 september 2024 aan eiseres is toegerekend.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat bij een werkgeversberoep de positie van de werkgever en de aard van betrokken belangen met zich meebrengen dat het Uwv het besluit ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid zorgvuldig, goed onderbouwd en inzichtelijk moet motiveren. [1] Het is bovendien ook vaste rechtspraak van de CRvB dat in zaken waarin de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt betwist, de retrospectieve benadering van het exacte tijdstip van het intreden van arbeidsongeschiktheid onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter draagt en dat het risico van onduidelijkheid over dat tijdstip in geval van een zeer late melding van arbeidsongeschiktheid voor rekening van de werknemer dient te blijven. [2] In lijn met deze jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, waarin het bestreden besluit een belastend besluit voor eiseres betreft en de eerste arbeidsongeschiktheidsdag met terugwerkende kracht vóór de datum van de feitelijke ziekmelding is vastgesteld, het Uwv deugdelijk moet motiveren waarom juist de datum van 16 april 2024 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangenomen.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de werknemer bij de ziekmelding op 27 september 2024 met terugwerkende kracht vanaf 16 april 2024, als reden voor zijn ziekmelding “Aandoening of klachten die psychisch zijn” heeft ingevuld. In de rapportage van 27 november 2024 is vermeld dat de werknemer heeft verteld dat hij op 12 april 2024 ziek naar huis was gegaan, en dat hij vervolgens door het bedrijf is gebeld omdat die niet geloofden dat hij ziek was en zich zo vaak ziek had gemeld waarna ze aan het eind van dat gesprek te kennen hebben gegeven dat hij niet meer terug hoefde te komen. Vervolgens moest hij op 16 april 2024 bij de werkgever op gesprek komen en die geloofde hem niet, waarna hij te horen kreeg dat hij weg moest. De rechtbank merkt op dat aan de beoordeling van de plausibiliteit van de ziekmelding zowel in primo als in bezwaar geen medisch onderzoek door een (verzekerings)arts ten grondslag ligt. Ook heeft geen lichamelijk en/of psychisch onderzoek plaatsgevonden. De arts gaat, zo begrijpt de rechtbank uit de weergave in de rapportage van 27 september 2024, op basis van de verklaring van de voormalig werknemer uit van 16 april 2024 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit standpunt gehandhaafd. De onderzoekshandelingen die het Uwv wel heeft verricht acht de rechtbank onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat het Uwv een zorgvuldig, deugdelijk en voldoende gemotiveerd medisch onderzoek heeft verricht naar de eerste ziektedag en evenmin informatie is opgevraagd over de gang van zaken rond de ziekmelding, zoals de werknemer die vertelde. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom 16 april 2024 is aangemerkt als eerste ziektedag. Het betoog van het Uwv dat er geen gegevens bij eiseres zijn opgevraagd omdat eiseres toch geen ziekmeldingen heeft, volgt de rechtbank niet omdat deze stelling, voor zover al juist, het Uwv niet ontslaat van de plicht om in het kader van zorgvuldig onderzoek de gegevens op te vragen.
7.3.
Gelet op het voorgaande kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan het Uwv op om het gebrek te herstellen door middel van een zogenoemde bestuurlijke lus. Dit omdat te verwachten is dat nader onderzoek nodig is om het gebrek te herstellen, waarvan op voorhand de omvang en duur daarvan zich lastig laat inschatten.
8.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het Uwv een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 28 maart 2025;
- draagt het Uwv op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 106,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Boerrigter, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1686.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1472.