Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:2837

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/15/369643 / HA ZA 25-613
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:11 BWArt. 2:248 BWArt. 29 FwArt. 73A Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid bij slecht uitgevoerde verbouwing en faillissement aannemer

Eisers sloten een aannemingsovereenkomst met [bedrijf 1] B.V. voor de verbouwing van hun woning. Het werk werd slecht uitgevoerd en niet afgerond, waardoor eisers schade leden. Na faillissement van [bedrijf 1] B.V. nam de curator de procedure over en betwistte bestuurdersaansprakelijkheid.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet met de eenmanszaak of privé persoon, maar met de BV was gesloten, wat door eisers zelf ook werd erkend. Eisers konden daarom geen beroep doen op persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. De curator erkende een deel van de vordering over de periode na 1 november 2023, maar voor die datum was onvoldoende onderbouwing voor persoonlijk ernstig verwijt.

De rechtbank concludeerde dat de bestuurder niet wist of behoorde te weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en dat er geen sprake was van oplichting of een piramidespel. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten en hun vorderingen werden afgewezen.

Uitkomst: Vorderingen van eisers worden afgewezen; geen bestuurdersaansprakelijkheid; eisers veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/369643 / HA ZA 25-613
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
te [plaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. B. Parmentier,
tegen
MR. [gedaagde]handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[betrokkene 1], h.o.d.n. [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]),
kantoorhoudende te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. M.A. [gedaagde].

1.De zaak in het kort

[eisers] hebben met [bedrijf 1] een aannemingsovereenkomst gesloten voor de verbouwing van hun woning. Het werk is slecht uitgevoerd en deels niet afgerond. Hierdoor hebben [eisers] schade geleden. [eisers] stellen dat zij de overeenkomst zijn aangegaan met (de eenmanszaak van) [bedrijf 1]. Zij spreken hem aan voor de schade, omdat hij de overeenkomst niet goed heeft uitgevoerd. Voor zover de rechter oordeelt dat zij de aannemingsovereenkomst zijn aangegaan met [bedrijf 1] B.V. spreken zij [bedrijf 1] als (middellijk) bestuurder van die B.V. aan voor hun schade. Na de dagvaarding is [bedrijf 1] failliet gegaan. De curator heeft de procedure overgenomen. Hij voert als verweer dat de aannemingsovereenkomst niet met [bedrijf 1] in privé is aangegaan en betwist dat sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. Deze verweren slagen. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 december 2025 en de daarin genoemde stukken
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarbij de advocaat van [eisers] gebruik heeft gemaakt van door hem overgelegde spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[bedrijf 1] is bestuurder en aandeelhouder van Vincent [bedrijf 2] B.V., die op haar beurt bestuurder en aandeelhouder is van [bedrijf 1] B.V. Op 21 september 2021 is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [bedrijf 1] B.V. met ingang van 28 september 2021 de eenmanszaak van [bedrijf 1] ([bedrijf 1]) voortzet.
3.2.
[eisers] wilden hun woning renoveren en uitbouwen. Zij hebben hiertoe eind februari 2023 [bedrijf 1] benaderd.
3.3.
Op 5 maart 2023 is een offerte aan [eisers] uitgebracht. Bovenaan het briefpapier staat “[bedrijf 1] B.V.”. Ook bij het adres staat de naam “[bedrijf 1] B.V.” en het KvK-nummer van [bedrijf 1] wordt vermeld. De hiervoor genoemde werkzaamheden zijn daarbij geoffreerd voor een aanneemsom van in totaal € 98.846,47 inclusief btw. In de offerte staat voor zover hier van belang:
(…)
Na akkoord van de offerte willen wij een aanbetaling van 40% van het offertebedrag. U ontvangt hiervoor van ons een factuur. Bij de start van de werkzaamheden betaalt u de volgende 30% aan van het offertebedrag.
Tijdens de werkzaamheden, ontvangt u 2x een factuur van 10% van het offerte bedrag.
Aan het einde van de werkzaamheden wordt het restant van 10% en het door u geaccordeerde meerwerk, verrekent bij de eindfactuur.
Bij deze offerte worden tevens onze algemene voorwaarden meegezonden.
(…)
Onder aan de offerte staat
Met vriendelijke groet, [bedrijf 1] B.V.
3.4.
Bij de offerte zijn algemene voorwaarden gevoegd, genaamd
“ALGEMENE VOORWAARDEN [bedrijf 1]”. In deze algemene voorwaarden wordt in de definitie van [bedrijf 1] het KvK-nummer van de in 2021 uitgeschreven eenmanszaak van [bedrijf 1] genoemd. In de voorwaarden staat verder, voor zover hier van belang, het volgende:
(…)
Aansprakelijkheid [bedrijf 1]
1.
is uitsluitend aansprakelijk voor enige schade die de klant lijdt indien en voor zover die schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid.(…)
3.5.
Met een WhatsApp-bericht van 31 juli 2023 hebben [eisers] aan [bedrijf 1] aangegeven dat zij een aanbetaling van 40% een hoop geld vinden, vooral omdat er niets verzekerd is. Zij hebben gevraagd of het mogelijk zou zijn de verbouwing op te splitsen in een bovendeel en een benedendeel.
3.6.
Met een WhatsApp-bericht van 31 juli 2023 heeft [bedrijf 1], voor zover hier van belang, als volgt gereageerd:
helaas is dit niet anders. Dit omdat ik veel spullen al moet gaan reserveren en bestellen en betalen. Zodra ik dakkapellen bestel moet ik deze voldoen. Ik zal beneden een tekenaar de uitbouw moeten laten tekenen en tevens wordt de constructeur hierin meegenomen.
En even later:
(…)Maar ivm de bouwvak wil ik de kozijnen vast gaan bestellen. Zitten toch gauw op 8 weken plus bouwvak. Dus vandaar. Dit is tevens ook met de dakkapellen.(…)
3.7.
Bij herhaalde vraag van [eisers] of het mogelijk was de offerte te splitsen, heeft [bedrijf 1] meegedeeld dat dit op zich mogelijk was, maar dat de korting dan zou vervallen. [eisers] hebben daarop aangegeven het te laten zoals het was.
3.8.
Op 16 of 18 september 2023 hebben [eisers] de offerte getekend en aan [bedrijf 1] retour gezonden. Partijen zijn het erover eens dat daarmee een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen (hierna: de aannemingsovereenkomst).
3.9.
Op 17 september 2023 is de eerste factuur aan [eisers] gezonden. Daarmee werd € 39.538,59 in rekening gebracht. In de kop van de factuur staat groot “[bedrijf 1] B.V.” Daarnaast staat opnieuw “[bedrijf 1] B.V. met vermelding van het KvK-nummer en btw-nummer van [bedrijf 1] B.V. Dit is hetzelfde bij alle opvolgende facturen. [eisers] hebben op deze facturen de volgende zes betalingen gedaan:
27 september 2023
€ 39.538,59
20 oktober 2023
€ 29.653,95
7 november 2023
€ 9.884,65
17 november 2023
€ 2.038,37
28 november 2023
€ 884,65
13 december 2023
€ 9.000
Totaal
€ 91.000,21
3.10.
[bedrijf 1] heeft [eisers] meermaals aangespoord tot snelle betaling. Met een WhatsApp-bericht van 3 november 2023 heeft hij bij [eisers] aangegeven dat hij vindt dat de betalingen te moeizaam gaan. Op 16 november 2023 heeft hij [eisers] gevraagd of zij misschien een keer vooruit zouden willen lopen op de betalingstermijnen. [eisers] hebben daarop aangegeven dat dat zou betekenen dat zij dan bijna 100% hebben betaald en nog geen dakkapellen en uitbouw hebben. [bedrijf 1] heeft gereageerd met:
Haha klopt.
3.11.
Bij WhatsApp-bericht van 15 december 2023 heeft [bedrijf 1], voor zover hier van belang, het volgende aan [eisers] bericht
(…)
Planning: 2e week Januari start fundering en die week ook beton storten.
3e week Jan als fundering een week heb kunnen drogen opbouwen en waterdicht maken.
In die week vloerverwarming frezen.
4e week Jan stukadoren.
Weersafhankelijk tussendoor de dakkapellen.
(…)
3.12.
Bij WhatsApp-bericht van 26 januari 2024 hebben [eisers] het volgende aan [bedrijf 1] bericht:
Zoals je weet hebben een aantal vragen open en we willen graag weten waar we aan toe zijn. Na een hele week niks gehoord te hebben zouden we graag zsm van je willen horen.
3.13.
Bij WhatsApp-bericht van diezelfde datum heeft [bedrijf 1] het volgende aan [eisers] geantwoord:
(…)op dit moment zitten wij in zwaar weer. Tegen een faillissement aan. Voor vragen kun je met onderstaande contact opnemen.(…)
3.14.
[bedrijf 1] B.V. en Vincent [bedrijf 2] B.V. zijn op 13 februari 2024 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [betrokkene 2] tot curator.
3.15.
De rechtsbijstandverlener van [eisers] (mr. [betrokkene 3]) heeft mr. [betrokkene 2] op 20 februari 2024, voor zover hier van belang, het geschreven:
(…)
Op 16 september 2023 heeft meneer [betrokkene 1] (namens [bedrijf 1] B.V.) samen met mijn cliënt een aannemingsovereenkomst gesloten.
(…)
Gaat u, als curator, in het faillissement, de aanneemovereenkomst tussen mijn cliënt en [bedrijf 1] B.V. gestand doen? Mocht u deze aanneemovereenkomst niet gestand doen dan zal een onderzoek worden gedaan naar de precieze aard en de omvang van de tekortkoming in de nakoming door [bedrijf 1] B.V. Tevens zal dan onderzoek worden gedaan naar de schade die mijn cliënt al heeft geleden en nog zal lijden ten gevolge van deze tekortkoming. Op basis hiervan zullen wij een vordering indienen in het faillissement.
(…)
3.16.
Bij e-mail van 27 februari 2024 heeft mr. [betrokkene 2] geantwoord dat de overeenkomst vanuit de boedel niet gestand wordt gedaan en dat het [eisers] vrij staat om de met gefailleerde gesloten overeenkomst te ontbinden en aan een derde partij opdracht te verstrekken om de resterende werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast heeft mr. [betrokkene 2] verzocht om, als [eisers] crediteur zijn, een gespecificeerde vordering toe te sturen.
3.17.
[eisers] hebben een bouwkundige ingeschakeld ([bedrijf 3]!) om het werk op te nemen. Deze deskundige heeft de woning van [eisers] op 7 maart 2024 geïnspecteerd. In zijn rapport heeft [bedrijf 3]! het volgende geconcludeerd:
Conclusie:
- De aannemer heeft zonder voldoende kennis en vakmanschap geprobeerd de woning van de heer en mevrouw [eisers] te gaan verbouwen. De woning is echter achtergelaten met een instabiele kapconstructie door het verwijderen van een dakspant en spantbalk. En het voor circa 60% verwijderen van de slaper (constructieve opvang van de kap voor de onderbreking voor het dakkapel aan de voorzijde). Het is niet te bevatten dat een “aannemer” een constructief deel van de dakconstructie zomaar verwijderd en een deel van de slaper van de dakkapel zomaar verwijderd.
- Het aangebrachte timmerwerk op de zolder is erbarmelijk slecht uitgevoerd.
- Het elektrawerk is niet juist uitgevoerd, verkeerde draadkleuren, inbouwdozen zijn scheef geplaatst.
- Er is schade veroorzaakt aan het bestaande dakraam op de zolder en op de wanden langs beide trappen.
- De aangebrachte vlizotrap is ondeskundig geplaatst (trapgat te klein en de vlizotrap te ver ingekort waardoor deze niet meer beloopbaar is).
- De aannemer heeft gelukkig geen start gemaakt (door helder inzicht van de heer en mevrouw [eisers] en de oplettende buurvrouw die wel een paalfundering heeft onder haar uitbouw) met de ongefundeerde uitbouw, hieruit blijkt wel dat de aannemer geen idee had waar hij mee bezig was!
- Zelfs het schoonmaken van de bouwplaats (voortuin opdrachtgevers) is niet uitgevoerd.
3.18.
De deskundige heeft in zijn rapport verder nog uitgerekend dat het afronden van de renovatie – met € 37.600 aan kosten voor herstel van onjuist uitgevoerde werkzaamheden – € 142.100 (incl. btw) zou gaan kosten.
3.19.
Mr. [betrokkene 2] heeft in zijn eerste verslag ex artikel 73A Fw in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. van 18 maart 2024 de verklaring van [bedrijf 1] over de oorzaken van het faillissement geciteerd (onder 1.5 van het verslag). Deze luidt als volgt:
[bedrijf 1] B.V. bestaat sedert September 2018. De onderneming is actief als bouwbedrijf die voornamelijk renovatiewerkzaamheden verricht bij particulieren. De terugloop in de bouw speelt bij ons bedrijf ernstige parten.In de corona periode hebben wij veel tegenslagen gehad o.a. door slechte leveringen van materialen en heeft de gasprijzen ons ook geen goed gedaan.Hierdoor kregen wij of langere levertijden of periodes helemaal geen benodigde materialen, denkende aan bijvoorbeeld dakpannen om daken dicht te leggen waardoor werkzaamheden gestopt moesten worden. Hierdoor werden wij dan noodgedwongen andere werkzaamheden aan te nemen om toch de rekeningen te kunnen blijven te voldoen.In deze periodes zijn ook de prijzen van de materialen extreem gestegen soms wel meer dan 50% en heeft dit zeker invloed gehad op lopende klussen. Op sommige klussen liep de marge/ winst erg terug.Vanaf die periode zijn wij alleen maar gaten aan het vullen geweest en dit lukte opzicht wel aardig, maar dan in November/December is er een anonieme brief in de rondte gegaan bij mijn klanten (ben maar op de hoogte gesteld door 1 klant), waarin beschreven werd dat mijn klanten niet met ons bedrijf in zee moesten gaan omdat wij failliet zouden zijn en dat wij niet konden voldaan aan onze betalingen.Deze brief werd gestuurd uit een anonieme naam ([e-mailadres]). Wie deze mail allemaal gehad is, is voor ons helaas niet duidelijk maar daarna wilde 1 klant niet meer betalen en kwamen er geen aanvragen meer.Hierdoor lopen onze schulden meer op en is het voor ons als bedrijf niet meer voltehouden.Na hulp gezocht te hebben met een Jurist die in dit soort zaken gespecialiseerd is kunnen we niet anders dan helaas na 5,5 jaar een faillissement aan te vragen.
De totale schuldenlast van de onderneming (bank, crediteuren, belastingdienst en nog lopende klanten zit nu op EUR 400.000,-, Om deze reden vraag [bedrijf 1] B.V. zelf haar faillissement aan.
3.20.
[eisers] hebben een vordering van € 136.371,30 bij de curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. ingediend.
3.21.
Bij dagvaarding van 7 juni 2024 hebben [eisers] onderhavige procedure aanhangig gemaakt tegen [bedrijf 1].
3.22.
Op 25 juni 2024 is [bedrijf 1] door deze rechtbank op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. [betrokkene 2] tot curator.
3.23.
Bij beschikking van 26 november 2024 is, in de plaats van mr. [betrokkene 2], mr. [gedaagde] tot curator in het faillissement van [bedrijf 1] aangesteld.
3.24.
Onderhavige procedure is vervolgens ingevolge artikel 29 Faillissementswet Pro (Fw) geschorst.
3.25.
De curator heeft van de door [eisers] (ook) in het faillissement van [bedrijf 1] ingediende vordering ad € 136.371,30 een bedrag van € 21.807,67 definitief erkend en een bedrag van € 114.563,63 betwist.
3.26.
Op 12 augustus 2025 heeft er een verificatievergadering plaatsgevonden in het faillissement van [bedrijf 1], alwaar de rechter-commissaris voor wat betreft het betwiste deel van de vordering van [eisers] heeft bepaald dat de aanhangige en geschorste procedure kan worden voortgezet.
3.27.
De curator heeft onderhavige procedure tegen [bedrijf 1] overgenomen.
3.28.
De curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. heeft op grond van onbehoorlijk bestuur (ingevolge artikel 2:248 BW Pro) voor het totale boedeltekort een vordering ingediend in het faillissement van [bedrijf 1]. Deze vordering is erkend en ook als zodanig vastgesteld op genoemde verificatievergadering van 12 augustus 2025.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat de aanneemovereenkomst gerechtelijk is ontbonden wegens verzuim;
II. voor recht te verklaren dat [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk kan worden geacht voor de door [eisers] geleden schade;
III. [bedrijf 1] te veroordelen om € 136.371,30 aan schade te betalen (vermeerderd met de buitengerechtelijke kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente;
IV. [bedrijf 1] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
[eisers] leggen allereerst aan de vorderingen ten grondslag dat de aannemingsovereenkomst (mede) is gesloten met [bedrijf 1], zodat hij aansprakelijk is voor de schade die [eisers] hebben geleden en lijden doordat de aannemingsovereenkomst niet op juiste wijze is nagekomen. Zij voeren verder aan dat [bedrijf 1] (ook) als (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. aansprakelijk is voor deze schade. Gelet op de Beklamelnorm en andere normen is sprake van onbehoorlijk bestuur. Daarbij komt dat het handelen van [bedrijf 1] veel weg heeft van oplichting in de vorm van een piramideconstructie of Ponzi-scheme. [bedrijf 1] heeft zo onrechtmatig tegen hen gehandeld, aldus [eisers]
4.3.
De curator voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.4.
De curator voert daarbij aan dat duidelijk is dat [eisers] de aannemingsovereenkomst zijn aangegaan met [bedrijf 1] B.V. Van bestuurdersaansprakelijkheid kan volgens de curator geen sprake zijn, allereerst omdat niet is vastgesteld dat de holding van [bedrijf 1] als bestuurder van [bedrijf 1] B.V. aansprakelijk is, maar ook omdat de hoge lat voor bestuurdersaansprakelijkheid niet gehaald wordt. Voor de periode na 1 november 2023 is de aansprakelijkheid erkend. Voor 1 november 2023 was er echter nog niet veel aan de hand. Van een piramidespel is geen sprake geweest.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Tekortkoming in de nakoming?
5.1.
[eisers] leggen allereerst aan hun vorderingen ten grondslag dat [bedrijf 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Zij zeggen dat de aannemingsovereenkomst (mede) is gesloten met (de eenmanszaak van) [bedrijf 1]. De curator zegt dat de aannemingsovereenkomst niet is gesloten met (de eenmanszaak van) [bedrijf 1], maar met [bedrijf 1] B.V., zodat de verplichtingen uit de overeenkomst niet op [bedrijf 1] rusten en hij dus niet tekort kan zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst. De rechtbank volgt [eisers] niet en oordeelt dat [eisers] de aannemingsovereenkomst zijn aangegaan met [bedrijf 1] B.V.
5.2.
Het antwoord op de vraag of [bedrijf 1] bij het sluiten van de aannemingsovereenkomst in eigen naam en dus als contractspartij heeft opgetreden of als vertegenwoordiger van [bedrijf 1] B.V., waarbij [bedrijf 1] B.V. als contractspartij moet worden aangemerkt, hangt af van hetgeen partijen daarover tegen elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. [1]
5.3.
Bij de mondelinge behandeling hebben partijen gezegd dat zij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet met elkaar hebben gesproken over de partij die de verplichtingen van de aannemer op zich zou nemen. De door [eisers] getekende offerte is opgemaakt op het briefpapier van [bedrijf 1] B.V. Bij het adres staat de naam [bedrijf 1] en het KvK-nummer van [bedrijf 1] B.V. Onder aan de offerte staat dat deze is uitgebracht door [bedrijf 1] B.V. Ook het gedrag van partijen bij de uitvoering van de overeenkomst kan aanwijzingen bieden over de wijze waarop zij hun afspraak hebben opgevat. In dit geval zijn alle verzonden facturen opgemaakt op het briefpapier van [bedrijf 1] B.V. en hebben [eisers] niet betwist dat zij alle betalingen hebben gedaan op de bankrekening van deze vennootschap. Ook uit de brief van mr. [betrokkene 3] van 20 februari 2024 komt naar voren dat [eisers] (en hun rechtsbijstandverlener) zelf ook van mening waren dat de aannemingsovereenkomst is gesloten met [bedrijf 1] B.V. In die brief aan de curator in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. schrijft de rechtsbijstandverlener immers dat [bedrijf 1] de aannemingsovereenkomst namens de vennootschap is aangegaan en vraagt de rechtsbijstandverlener de curator of hij de aannemingsovereenkomst tussen [eisers] en [bedrijf 1] B.V. gestand zal doen. [eisers] hebben daarna in het faillissement van [bedrijf 1] B.V. een schadevergoedingsvordering voor het niet goed nakomen van de aannemingsovereenkomst ingediend. Hieruit komt voldoende naar voren dat [eisers] de afspraak hebben opgevat als een overeenkomst met [bedrijf 1] B.V. Het enkele feit dat bij de offerte oude algemene voorwaarden zijn gevoegd van [bedrijf 1], is niet voldoende anders te oordelen. De offerte zelf laat geen twijfel over de partij die de offerte aanbood en partijen hebben vervolgens ook uitvoering gegeven aan de overeenkomst als gesloten met [bedrijf 1] B.V.
Vordering over ontbinding aanneemovereenkomst wordt afgewezen.
5.4.
Uit voorgaande omstandigheden volgt dat [eisers] er niet gerechtvaardigd op hebben kunnen vertrouwen dat zij de aannemingsovereenkomst met [bedrijf 1] in privé zijn aangegaan. Zij zijn de overeenkomst aangegaan met [bedrijf 1] B.V. Deze vennootschap is geen partij in deze procedure. Dat maakt dat de vordering voor recht te verklaren dat de aanneemovereenkomst gerechtelijk is ontbonden wegens verzuim zal worden afgewezen.
(Bestuurders)aansprakelijkheid?
5.5.
[eisers] leggen aan hun andere vorderingen ten grondslag dat [bedrijf 1] – al dan niet als (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. – onrechtmatig tegenover hen heeft gehandeld en daardoor gehouden is hun schade te vergoeden.
5.6.
De rechtbank volgt [eisers] hierin niet en zal dit hieronder toelichten.
5.7.
Een bestuurder is niet snel persoonlijk aansprakelijk voor zijn handelen als bestuurder van een vennootschap. Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, dan is het uitgangspunt dat alleen die vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is er, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. [2]
5.8.
Van een persoonlijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder (i) bij het aangaan van een verbintenis wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade die daaruit volgde [3] , of (ii) wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade [4] .
5.9.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro moeten [eisers] voldoende feiten en omstandigheden stellen (en zo nodig bewijzen), die tot de conclusie kunnen leiden dat [bedrijf 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij zijn degenen die zich op de rechtsgevolgen beroepen van het door hun gestelde onrechtmatig handelen van [bedrijf 1]. [eisers] hebben dat niet voldoende onderbouwd gedaan.
5.10.
Volgens [eisers] heeft [bedrijf 1] als (middellijk) bestuurder van [bedrijf 1] B.V. onrechtmatig jegens hen gehandeld en is sprake van bestuurdersaansprakelijkheid. [bedrijf 1] heeft ten onrechte de indruk gewekt dat hij deze klus aan zou kunnen, dat hij deskundig genoeg zou zijn om de opdracht aaneengesloten uit te voeren en dat hij daadwerkelijk tijd zou hebben voor de opdracht overeenkomstig de afspraken. Ook heeft hij de betalingen, anders dan specifiek toegezegd, niet voor de aanneming aangewend. [eisers] voeren verder (onder verwijzing naar het Beklamel-arrest) het volgende aan. [bedrijf 1] heeft de aannemingsovereenkomst gesloten, terwijl hij wist of behoorde te weten dat de onderneming deze niet, of niet binnen een redelijke termijn, kon nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade. Hij heeft veel projecten aangenomen waarvan hij op voorhand wist dat hij ze niet op juiste wijze of voldoende voortvarend kon uitvoeren of afwerken. Daarbij heeft [bedrijf 1] zijn klanten vooraf aanzienlijke bedragen laten betalen, terwijl de uitvoering al vrij snel bleef steken, omdat het geld voor de uitvoering niet meer beschikbaar was. De grote hoeveelheid openstaande werken maken duidelijk dat de ontvangen gelden niet werden gebruikt voor de desbetreffende aanneming. Aannemelijk is dat [bedrijf 1] de klus heeft aangenomen wetende dat hij zijn afspraken niet zou kunnen nakomen en wetende dat het geld dat werd betaald niet voor het eigen project werd aangewend. Hij wist dat hij zijn faillissement zou gaan aanvragen. Gezien de hoeveelheid gedupeerden is het voorshands aannemelijk dat [bedrijf 1] op de hoogte is geweest van het feit dat hij de opdrachten en de werkzaamheden helemaal niet aankon. Hij heeft daarmee bewust een onaanvaardbaar risico genomen dat [eisers] (en anderen) opzettelijk zouden worden benadeeld. Deze handelwijze van [bedrijf 1] neigt naar oplichting en hem kan ter zake een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, aldus [eisers]
5.11.
Daarnaast voeren [eisers] (onder verwijzing naar het arrest New Holland Belgium/Oosterhof, Driespan [5] ) het volgende aan. [bedrijf 1] kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, omdat hij als (middellijk) bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 1] B.V., wist, of redelijkerwijze had behoren te begrijpen, dat de door hem bewerkstelligde en/of toegelaten handelwijze van de B.V. tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen tegenover [eisers] niet zou kunnen nakomen. Met het gebruik van de BV-constructie (als voortzetting van een eenmanszaak) lijkt in dit geval evident sprake van een constructie met als enig doel de beperking van de aansprakelijkheid van de betrokken natuurlijke persoon. [bedrijf 1] kan zich echter niet disculperen omdat hij als bestuurder bij uitstek belast was met de dagelijkse uitvoering van de werkzaamheden van de onderneming. Hij was de enige die overzicht had en op de hoogte was van de gerezen problemen. In plaats van het treffen van maatregelen heeft hij nieuwe klussen aangenomen om met de aanbetalingen daarvan steeds dieper wordende gaten te vullen. Nergens blijkt uit dat hij zelfs maar voornemens was om maatregelen te treffen om de gevolgen van de herhaalde en langdurige tekortkomingen verder te beperken of op te lossen. [bedrijf 1] wist dat de aangenomen opdracht niet binnen een redelijke termijn zou kunnen worden uitgevoerd, maar willens en wetens is hij facturen blijven verzenden, terwijl het werk maar zeer beperkt en traag (en onjuist) werd opgepakt.
Hij heeft [eisers] ook onder druk gezet om tot betaling over te gaan en is daarvoor zelfs een keer langsgekomen. Hij gaf aan dat het werk nog meer vertraging zou oplopen als niet zou worden betaald. Diverse andere gedupeerden hebben precies dezelfde ervaring gehad, aldus nog steeds [eisers]
5.12.
De curator merkt allereerst op dat [bedrijf 1] tweedegraads bestuurder is van [bedrijf 1] B.V. [bedrijf 2] B.V. is de eerstegraads bestuurder. Op basis van artikel 2:11 BW Pro is bestuurdersaansprakelijkheid van de tweedegraads bestuurder pas aan de orde als aansprakelijkheid van de eerstegraads bestuurder is vastgesteld (afgeleide aansprakelijkheid). Dat is hier niet het geval en zal, in ieder geval in onderhavige procedure, ook niet gebeuren, nu de eerstegraads bestuurder niet is gedagvaard, aldus de curator.
5.13.
De rechtbank zal aan dit verweer van de curator voorbijgaan. Artikel 2:11 BW Pro bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon ook hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van die rechtspersoon bestuurder is. Het artikel neemt echter niet weg dat een middellijk bestuurder ook zelfstandig onrechtmatig kan handelen. De rechtbank komt op grond van het navolgende echter tot de conclusie dat de verwijten die [eisers] aan [bedrijf 1] maken geen doel treffen.
Beklamel
5.14.
De rechtbank leidt uit de stellingen van de curator af dat hij meent dat [bedrijf 1] over de periode na 1 november 2023 (hierna: de peildatum) een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken in de zin van het Beklamel-criterium. Om die reden heeft de curator een bedrag van € 21.807,67 (de som van de betalingen die [eisers] na 1 november 2023 hebben gedaan) definitief erkend. Deze betalingen kunnen in onderhavige zaak daarom buiten beschouwing worden gelaten. [eisers] hebben geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over dit (definitief erkende) bedrag.
5.15.
Dat ligt anders voor de periode van vóór de peildatum. De rechtbank oordeelt dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat [bedrijf 1] in die periode wist of behoorde te weten dat [bedrijf 1] B.V. de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet kon nakomen en dat de rechtspersoon ook overigens geen verhaal zou bieden. Tegenover het algemene relaas van [eisers] heeft de curator met stukken onderbouwd dat de situatie voor 1 november 2023 niet zodanig was dat [bedrijf 1] wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden. Zo heeft de curator laten zien dat op 1 november 2023 de openstaande posten aanzienlijk lager waren dan ten tijde van het faillissement en dat uit de bankafschriften van de laatste vier maanden van 2023 naar voren komt dat de inkomsten en uitgaven gelijk opliepen en belastingen, het pensioenfonds, lonen en onderaannemers werden betaald. Bij die betwisting hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd dat er voor 1 november 2023 sprake was van een ‘Beklamel-situatie’. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat [bedrijf 1] ten tijde van het aangaan van de aannemingsovereenkomst – en overigens ook ten tijde van het ontvangen van de overeengekomen betalingen voor de eerste twee termijnen op 27 september 2023 en 20 oktober 2023 – niet wist of behoorde te weten dat de vennootschap niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou kunnen bieden. Door [eisers] is ook niet weersproken dat [bedrijf 1] B.V. in die periode bij hen aan het werk was.
Ook overigens geen persoonlijk ernstig verwijt
5.16.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers], in het licht van de betwisting door de curator, ook onvoldoende onderbouwd dat [bedrijf 1] wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de door hem bewerkstelligde en/of toegelaten handelwijze van de B.V. tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Hetgeen [eisers] daartoe gesteld hebben is onvoldoende. Hoewel aangenomen kan worden dat de door [bedrijf 1] (dan wel door de ingeschakelde personen) uitgevoerde werkzaamheden, zoals de deskundige ook heeft vastgesteld, op zijn zachtst gezegd van onvoldoende kwaliteit waren, is het uitgangspunt dat alleen de partij die de aannemingsovereenkomst is aangegaan (en niet de (tweedegraads) bestuurder) hiervoor en voor het schadeherstel aansprakelijk is. Het enkel leveren van slecht werk of het houden van onvoldoende toezicht is niet voldoende om een persoonlijk ernstig verwijt aan te nemen. [eisers] hebben in dit verband nog aangevoerd dat [bedrijf 1] zou hebben toegezegd dat de door hen gedane betalingen uitsluitend zouden worden gebruikt voor de werkzaamheden aan het huis van [eisers] Zij hebben deze stelling in het licht van de betwisting echter onvoldoende onderbouwd en dit volgt niet uit de aannemingsovereenkomst en de correspondentie tussen [bedrijf 1] en [eisers] Dat geldt ook voor de stelling van [eisers] [bedrijf 1] de indruk zou hebben gewekt dat hij een middelgrote onderneming had en dat afgesproken is dat hij binnen maximaal acht weken het werk af zou hebben. Weliswaar wordt in de correspondentie tussen partijen gesproken over een periode van acht weken (bijvoorbeeld in het WhatsApp-bericht van [bedrijf 1] van 31 juli 2023, zie hiervoor onder 3.6.), maar dit lijkt vooral te zien op een geschatte leveringstijd van te bestellen kozijnen. Van een garantie lijkt geen sprake.
Piramide-constructie of Ponzi-scheme niet onderbouwd
5.17.
[eisers] voeren ook aan dat sprake lijkt van oplichting (middels een zogeheten Ponzi-scheme of piramide-constructie). Zij zeggen dat [bedrijf 1] de klus (en andere klussen) heeft aangenomen, wetende dat het geld dat de opdrachtgevers zouden betalen zouden worden aangewend om schulden te voldoen en om het eigen huis van [bedrijf 1] te verbouwen. Bij de betwisting door de curator hebben [eisers] dit onvoldoende onderbouwd. Dat [bedrijf 1] door [eisers] betaalde gelden heeft aangewend voor zijn woning is niet eerder dan bij de mondelinge behandeling en zonder onderbouwing naar voren gebracht. Dat [bedrijf 1] B.V. ontvangen gelden niet één op één gebruikte voor het project waarvoor het betaald werd, is niet geheel ongebruikelijk en niet voldoende om te oordelen dat sprake is van oplichting of een onrechtmatige daad.
Tussenconclusie
5.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [bedrijf 1] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en ook overigens onvoldoende onderbouwd is dat hij zich onrechtmatig heeft gedragen tegenover [eisers] Hij kan daarom niet persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor de door [eisers] gestelde vorderingen. Daarom zullen ook de vorderingen bij II. en III. worden afgewezen.
5.19.
[eisers] zijn voor het grootste gedeelte in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de curator na de dagvaarding weliswaar een deel van het gevorderde bedrag heeft erkend, maar [eisers] daarna de procedure hebben voortgezet. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.917,00

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 6.917,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034
2.Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470
3.Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)
4.Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)
5.HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland Belgium/Oosterhof, Driespan)