Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 15 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [plaats] , eiseres
de inspecteur van Douane Breda, verweerder.
Inleiding en procesverloop
.
Overwegingen
Geschil9. In geschil is of de utb terecht aan eiseres is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil welke aanzuiveringstermijn van toepassing is op de goederen die in juni 2020 onder de regeling bijzondere bestemming zijn gebracht: een termijn van 12 maanden of een termijn van 24 maanden.
Op grond van artikel 215, vierde lid, van het DWU dient een bijzondere regeling binnen een bepaalde termijn te worden gezuiverd, tenzij anders bepaald.
Het (tijdig) aanzuiveren van de regeling bijzondere bestemming op grond van artikel 215, vierde lid, van het DWU is naar het oordeel van de rechtbank een verplichting van de regeling bijzondere bestemming. Het is niet zo dat de verplichtingen in het kader van deze regeling zijn beperkt tot die van artikel 239 van Pro de GVo.DWU. Voor het standpunt van eiseres is geen steun te vinden in het DWU of de GVo.DWU. Hieruit volgt dat indien goederen niet binnen de voor de bijzondere bestemming gegeven termijn hun bestemming bereiken (hetgeen moet blijken uit de aanzuiveringsafrekening) een douaneschuld ontstaat op grond van artikel 79, eerste lid, aanhef en onder b, van het DWU. Het douanetoezicht is daarmee beëindigd. Als het douanetoezicht niet zou eindigen bij het niet naleven van de aanzuiveringstermijn, zoals eiseres betoogt, dan zou het bepalen van een aanzuiveringstermijn, als genoemd in artikel 215, vierde lid, van het DWU, zinledig zijn.
overeenkomstig[cursivering rechtbank] de vergunning is bepaald, dus niet “in” de vergunning. Er is geen specifieke wijziging van de aanzuiveringstermijn geweest voor de 81.661,59 kg aan goederen die eiseres in juni 2020 onder de regeling heeft geplaatst.