ECLI:NL:RBNHO:2025:11652

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
10 oktober 2025
Zaaknummer
11788249 \ AO VERZ 25-92
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet en aanhouding van loonbetaling in afwachting van deskundigenoordeel UWV

In deze zaak verzoekt de werknemer, [verzoeker], om vernietiging van het aan hem verleende ontslag op staande voet door zijn werkgever, DEKA PERSONEEL B.V. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen, omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. De werknemer had al een loonstop opgelegd gekregen en het ontslag werd gegeven zonder dat de werkgever de nodige stappen had ondernomen om de re-integratieverplichtingen van de werknemer te waarborgen. De beslissing op het tegenverzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, wordt aangehouden in afwachting van een deskundigenoordeel van het UWV over de vraag of de werknemer aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. De kantonrechter benadrukt dat het ontslag op staande voet een uiterste middel is en dat de werkgever de persoonlijke omstandigheden van de werknemer in overweging had moeten nemen. De zaak wordt aangehouden tot 8 december 2025 voor het indienen van het deskundigenoordeel.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11788249 \ AO VERZ 25-92
Beschikking van 7 oktober 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
verweerder in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
DEKA PERSONEEL B.V.,
gevestigd te Velsen-Noord,
verweerder
verzoeker in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Deka,
gemachtigde: mr. W.J. de Boer.

1.De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van het aan hem verleende ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoek toe. Er was al een loonstop opgelegd en bij het ontslag is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. De beslissing op het tegenverzoek van werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen van de werknemer, dan wel een verstoorde arbeidsverhouding, wordt aangehouden in afwachting van het door de werkgever reeds aangevraagde, maar nog niet ontvangen deskundigenoordeel van het UWV omtrent de vraag of werknemer – kort gezegd – heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. In afwachting van dit deskundigenoordeel wordt ook de vordering tot loonbetaling van de werknemer aangehouden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 7 producties,
- het verweerschrift tevens houdende tegenverzoek, met 62 producties,
- de e-mail van de gemachtigde van [verzoeker] van 19 augustus 2025, waarmee de producties 8 tot en met 18 in het geding zijn gebracht,
- de mondelinge behandeling op 26 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [verzoeker],
- de pleitnota van Deka,
- het proces-verbaal van schikking van 26 augustus 2025,
- het e-mailbericht van de zijde van Deka van 9 september 2025, waarbij is gevoegd een brief van haar gemachtigde van gelijke datum.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 26 augustus 2025 is een proces-verbaal van schikking opgesteld. In dit proces-verbaal is onder meer opgenomen dat de zaak drie weken zal worden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen de kantonrechter te berichten dat [verzoeker] gebruik wil maken van zijn recht om de bereikte overeenkomst binnen een termijn van 14 dagen te ontbinden. Bij brief van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van Deka de kantonrechter bericht dat de gemachtigde van [verzoeker] heeft laten weten dat hij de overeenkomst wil ontbinden. Deka heeft de kantonrechter daarom verzocht om binnen vier weken na datum van de hiervoor genoemde brief uitspraak te doen.
2.3.
De beschikking is bepaald op heden.

3.De feiten

3.1.
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1978, is op 25 juni 2003 in dienst getreden bij Deka. De functie van [verzoeker] is Medewerker GL Control met een bruto salaris van € 5.409,60 bruto per maand plus 8% vakantietoeslag en emolumenten. De arbeidsomvang is 40 uur per week en de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst zijn het bedrijfsreglement en het verzuimprotocol van Deka van toepassing, alsmede de AVR (Arbeidsvoorwaardenregeling DekaMarkt).
3.2.
Deka is een personeelsvennootschap binnen de DekaMarkt Groep en betreft een concert dat zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van verschillende supermarkten.
3.3.
[verzoeker] heeft van 26 tot 17 maart 2024 verlof opgenomen. Na afloop van deze verlofperiode is hij niet op het werk verschenen. De broer van [verzoeker], [betrokkene 1] (hierna: de broer), heeft [verzoeker] vervolgens bij e-mail van 27 maart 2024 ziekgemeld bij [betrokkene 2], de leidinggevende van [verzoeker].
3.4.
Op 24 juni 2024 heeft de bedrijfsarts een probleemanalyse opgesteld. Daaruit blijkt dat enkele bij [verzoeker] bestaande beperkingen een knelpunt vormen voor het volledig uitvoeren van de eigen werkzaamheden. [verzoeker] is op dat moment 4x4 uren per week werkzaam in de eigen werkzaamheden. Geadviseerd wordt om in samenspraak met Deka een opbouwschema af te stemmen en de belastbaarheid van [verzoeker] en de daarbij behorende werkuren regelmatig te evalueren.
3.5.
Vanaf eind juli 2024 is de opbouw van de werkzaamheden gestagneerd.
3.6.
Bij brief van 10 oktober 2024 heeft [betrokkene 3], algemeen directeur bij Deka (hierna: [betrokkene 3]) [verzoeker] gewaarschuwd dat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen voldoet en aangekondigd dat Deka overgaat tot de opschorting van het loon tot het moment dat [verzoeker] aan zijn re-integratieverplichtingen voldoet.
3.7.
In een brief aan [verzoeker] van 17 oktober 2024 schrijft [betrokkene 3] onder meer het volgende:
“(..) In de laatste terugkoppeling van de bedrijfsarts (30 september 2024) staat aangegeven dat het – op basis van de met de bedrijfsarts gedeelde informatie – niet mogelijk is om jouw arbeids- en re-integratiemogelijkheden te beoordelen. In ditzelfde schrijven geeft de bedrijfsarts aan dat er een gerichte interventie aangeboden dient te worden.
Om voorgenoemde redenen en conform het DekaMarkt verzuimbeleid hebben wij meermaals contact met jou gezocht. Reden hiervoor is het maken van een afspraak zodat een passende interventie besproken kan worden en tevens een Plan van Aanpak opgesteld kan worden. Op 2 oktober ’24 stond er een afspraak ingepland waar jij – zonder bericht en/of opgaaf van reden – niet bent verschenen. Telefonisch hebben wij toen – op jouw verzoek – een nieuwe afspraak ingepland op 8 oktober ’24, waar jij wederom – zonder opgaaf van een geldige reden – niet bent verschenen. Doordat jij op deze manier niet aan jouw re-integratieverplichtingen voldoet, hebben wij jouw loon opgeschort en aangegeven te willen spreken op 16 oktober ’24. Dit is per mail, SMS, aangetekende en reguliere post aan jou gecommuniceerd. Helaas ontvingen wij wederom, zonder opgaaf van een geldige reden en een halfuur voordat deze afspraak zou moeten plaatsvinden, een bericht dat jij ook op deze afspraak niet zou verschijnen.
Dit betekent dat jij, tot op heden, op geen enkele afspraak bent verschenen en daardoor niet meewerkt aan het re-integratietraject. Jij weigert daarbij alle medewerking en komt daarbij jouw verplichtingen conform arbeidsovereenkomst en het bij jou bekende verzuimbeleid niet na.
Omdat jij op geen enkele manier meewerkt aan jouw re-integratie, zullen wij jouw loon per direct stopzetten. De reden hiervan is dat jij weigert, zonder gegronde reden, mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een Plan van Aanpak. Dit heeft als bijkomend effect dat jij daarmee ook weigert om in gesprek te gaan over een passende interventie, wat geadviseerd is door de bedrijfsarts en daarmee belemmer jij tevens jouw herstel.
De loonstop gaat in per 16 oktober ’24. Verder zullen wij, indien jij blijft weigeren om in gesprek met ons te gaan, overgaan tot een ontslagprocedure.
Wij hopen vanzelfsprekend dat het zover niet hoeft te komen en verzoeken jou daarom op maandag 21 oktober om 14:00, aanwezig te zijn bij het gesprek dat gepland staat met jouw leidinggevende (..) en HR Adviseur (..).”
3.8.
Nadat [verzoeker] niet is verschenen bij het onder 3.7 genoemde gesprek van 21 oktober 2024, de daarna ingeplande gesprekken met Deka op 23 en 24 oktober 2024 en ook de bedrijfsarts [verzoeker] in deze periode niet telefonisch heeft kunnen bereiken, heeft Deka de loonstop bij brief bij 6 november 2024 aan [verzoeker] bevestigd. Deka heeft [verzoeker] vervolgens bij nadere brieven van 13 november en 25 november 2024 bericht de loonstop te handhaven, omdat [verzoeker] in deze periode wederom niet op ingeplande gesprekken met zowel Deka als de bedrijfsarts was verschenen.
3.9.
Deka heeft [verzoeker] per brief van 4 december 2024 een eerste waarschuwing opgelegd voor, kort gezegd, het niet verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts en het niet bereikbaar zijn voor de verzuimconsulent. Ook daarna heeft Deka [verzoeker] nog een aantal brieven gestuurd met verzoeken om contact op te nemen en op afspraken te verschijnen.
3.10.
Op 14 januari 2025 heeft Deka een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV, waarin zij als hoofdvraag aan de orde heeft gesteld
“heeft mijn werknemer genoeg gedaan om weer aan het werk te gaan?”[verzoeker] is bij brief van 16 januari 2025 van deze aanvraag op de hoogte gesteld. Deka vraagt [verzoeker] in deze brief dringend om mee te werken aan het deskundigenoordeel en bereikbaar te zijn voor het UWV. Op het moment van de mondelinge behandeling in deze zaak was er door het UWV nog geen uitspraak gedaan op het aangevraagde oordeel.
3.11.
Op 23 januari 2025, 3 en 17 februari 2025 en 3 en 13 maart 2025 heeft Deka brieven aan [verzoeker] gestuurd, waarin hij wordt verzocht contact op te nemen met Deka, de handhaving van de opgelegde loonstop wordt bevestigd en [verzoeker] wordt herinnerd aan het (digitale) consult met de bedrijfsarts op, eerst 28 januari 2025, en daarna op 17 maart 2025. [verzoeker] heeft niet gereageerd en is niet bij de consulten met de bedrijfsarts verschenen.
3.12.
Op 21 maart 2025 heeft een medewerker HR van Deka een huisbezoek afgelegd bij [verzoeker]. [verzoeker] werd tijdens dit bezoek niet aangetroffen. Nadat een zus van [verzoeker] desgevraagd had laten weten dat [verzoeker] bij zijn ouders verbleef, hebben twee politieagenten een welzijnscheck op het adres van de ouders van [verzoeker] uitgevoerd. Naar aanleiding van een melding van de politieagenten, is er medische hulp in gang gezet voor [verzoeker].
3.13.
In een brief van 28 april 2025 schrijft [betrokkene 3] onder meer het volgende aan [verzoeker]:
“Aangezien je al drie schriftelijke waarschuwingen hebt ontvangen voor het niet houden aan je re-integratieverplichtingen en onbereikbaar blijven voor de arbodienst en werkgever, te weten op 4 december 2024, 21 maart 2025 en 11 april 2025, waarschuwen wij jou hierbij voor de allerlaatste keer. Je bent er meerdere keren expliciet van op de hoogte gebracht dat het niet houden aan de re-integratieverplichtingen een dringende reden vormt voor een ontslag op staande voet. Indien je nog een keer zonder geldige reden niet bij de bedrijfsarts verschijnt of op een andere reden niet houdt aan je re-integratieverplichtingen, zullen wij overgaan tot het geven van ontslag op staande voet.”
3.14.
De broer heeft [betrokkene 4], werkzaam voor Deka, op 29 april 2025 een e-mail gestuurd waarin hij, kort gezegd, benadrukt dat de gesteldheid van [verzoeker] contact onmogelijk maakt en daarom verzoekt om maatwerk, te weten een huisbezoek door de bedrijfsarts. In een e-mail van dezelfde datum heeft [betrokkene 4] de broer onder meer bericht dat de bedrijfsarts geen huisbezoeken kan afleggen en benadrukt zij dat het van belang is dat [verzoeker] akkoord geeft voor het delen van medische gegevens met de bedrijfsarts.
3.15.
In een e-mail aan [betrokkene 4] van 5 mei 2025 schrijft de broer, kort gezegd, dat de geplande afspraak met de bedrijfsarts kan worden uitgesteld of afgezegd en spreekt hij de hoop uit dat [verzoeker] weer
‘vanuit eigen kracht contact kan gaan maken met de buitenwereld’als de hulpverlening is opgestart. Tot die tijd is het aan Deka om het
‘net even anders aan te pakken’, aldus de broer. Bij e-mail van 12 mei 2025 herhaalt de broer het verzoek de afspraak te verzetten, ditmaal omdat er, kort gezegd, twijfels zijn ontstaan over
‘de zorgvuldigheid waarmee door derden binnen het arbotraject met privacygevoelige informatie wordt omgegaan’.
3.16.
Bij e-mails van 13 mei 2025 heeft [betrokkene 4] de broer gewezen op de verplichting van [verzoeker] om het verblijfadres tijdens ziekte met Deka te delen en te verschijnen bij de op 13 mei 2025 geplande afspraak met de bedrijfsarts. De broer is erop gewezen dat de maatregelen gemeld in de onder 3.13 genoemde brief van toepassing zullen zijn indien [verzoeker] niet verschijnt op het spreekuur.
3.17.
De bedrijfsarts heeft op 13 mei 2025 gerapporteerd dat [verzoeker] niet op het spreekuur is verschenen, noch telefonisch bereikbaar was.
3.18.
In een brief van [betrokkene 3] van 13 mei 2025 schrijft hij onder meer het volgende aan [verzoeker]:
“Middels dit schrijven delen wij je mede dat wij genoodzaakt zijn om de arbeidsovereenkomst met jou met onmiddellijke ingang, derhalve middels een ontslag op staande voet, te beëindigen.
De reden voor dit ontslag is gelegen in het feit dat je sinds september 2024 stelselmatig en structureel weigert uitvoering te geven aan jouw wettelijke re-integratieverplichtingen tijdens jouw arbeidsongeschiktheid. Dit betreft onder meer:
  • Het herhaaldelijk niet verschijnen op afspraken bij de bedrijfsarts, zowel fysiek als telefonisch;
  • Het herhaaldelijk niet verschijnen op afspraken met jouw werkgever, zowel fysiek als telefonisch;
  • Het structureel niet reageren op schriftelijke en telefonische oproepen en verzoeken om contact, waarmee je voor ons én de arbodienst al maanden volledig onbereikbaar bent;
  • Het niet meewerken aan het opstellen en uitvoeren van het plan van aanpak als bedoeld in de Wet Verbetering Poortwachter;
  • Het zonder geldige reden achterwege laten van overleg over uw belastbaarheid en re-integratiemogelijkheden;
  • Het weigeren om jouw medische gegevens te delen met de bedrijfsarts;
  • Dat je in strijd met jouw verplichtingen als werknemer niet hebt doorgegeven dat je niet langer verblijft op het bij ons bekende woonadres.
In ons schrijven d.d 28 april 2025 hebben wij jou voor de laatste keer gewaarschuwd. Ondanks onze vele waarschuwingen, ben en blijf jij voor ons en de bedrijfsarts volledig onbereikbaar. Op 13 mei 2025 ben jij wederom niet op het spreekuur van de huisarts verschenen. De bedrijfsarts heeft jou nog diverse malen telefonisch proberen te bereiken, maar jij bleek wederom onbereikbaar.
(..)
Door jouw handelwijze en gedragingen heb je ons als werkgever ernstig benadeeld in het uitvoeren van onze re-integratieverplichtingen, weiger je te voldoen aan jouw re-integratieverplichtingen (art. 7:660a BW) en ben je tekortgeschoten in jouw verplichting om je al goed werknemer te gedragen (art. 7:611 BW).
Ondanks meerdere verzoeken en herinneringen onzerzijds, meerdere officiële waarschuwingen en een maandenlange loonstop en ondanks het feit dat je herhaaldelijk bent gewezen op de mogelijke gevolgen van jouw handelwijze, heb je nagelaten medewerking te verlenen aan jouw re-integratie en te voldoen aan de op jou rustende verplichtingen (waarop we jou meermaals hebben gewezen).
(..)
Het behoeft geen betoog dat jouw handelwijze absoluut onacceptabel is en alle grenzen van het betamelijke overschrijdt. Jij hebt de verplichtingen die voortvloeien uit jouw arbeidsovereenkomst ernstig veronachtzaamd en het vertrouwen in jou is ernstig geschonden.
Jouw hardnekkige weigering om te voldoen aan redelijke bevelen, verzoeken en opdrachten door of namens ons gegeven en het grovelijk veronachtzamen van de verplichtingen uit jouw arbeidsovereenkomst, vormen een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Bovenstaande feiten en omstandigheden leveren dan ook ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien een dringende reden op in de zin van artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek.
Hierbij bevestigen wij dat je daarom met ingang van13 mei 2025op staande voet bent ontslagen. (..)”
3.19.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft bij brief van 9 juni 2025 gereageerd op de onder 3.18 genoemde brief en gesteld dat het ontslag niet rechtsgeldig is, (onder meer) omdat een dringende reden daarvoor ontbreekt. Hij sommeert Deka om het ontslag binnen drie werkdagen in te trekken.
3.20.
De gemachtigde van Deka heeft de gemachtigde van [verzoeker] bij brief van 12 juni 2025 bericht dat het ontslag op staande voet wat hem betreft rechtsgeldig is gegeven, omdat niet is gebleken dat medische belemmeringen de oorzaak waren van het feit dat [verzoeker] zijn re-integratieverplichtingen niet nakwam, niet verscheen bij afspraken er geen vorm van contact mogelijk was. De gemachtigde van Deka laat tot slot weten:
“Mocht uw client alsnog aantonen dat de oorzaak wel gelegen was in medische belemmeringen, dan zou dat ertoe kunnen leiden dat cliënte haar standpunt herziet.”
3.21.
Vanaf 10 juni 2025 is [verzoeker] in behandeling bij GGZ inGeest, waarbij er minstens één keer per week een (crisis)behandelaar van deze instantie bij [verzoeker] thuis komt.

4.Het verzoek

4.1.
[verzoeker] verzoekt, na wijziging en vermeerdering van het verzoek ter zitting:
Primair
Het ontslag te vernietigen en het gemiste salaris vanaf de loonopschorting per 10 oktober toe te wijzen waarbij [verzoeker] aanspraak maakt op de wettelijke verhoging ex 7:625 BW, 11 periodes salaris à € 5.409,60 = € 59.505,60, plus proceskosten inclusief salaris gemachtigde.
Subsidiair
Als de kantonrechter oordeelt dat het ontslag vernietigd dient te worden, maar van Deka niet kan worden gevergd de arbeidsrelatie voort te zetten, verzoekt [verzoeker] om aan hem alsnog het gemiste salaris van € 59.505,60 toe te kennen, de transitievergoeding van € 42.650,69 en de wettelijke verhoging van 50% over het gemiste salaris, begroot op € 24.343,20, in totaal neerkomend op een bedrag van € 131.909,09.
Meer subsidiair
Als de kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven maar de loonopschorting en inhouding onterecht zijn gegeven, verzoekt [verzoeker] aan hem alsnog de transitievergoeding van € 42.650,09 toe te kennen nu aan [verzoeker] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en aan hem toe te kennen de gemiste salarissen van 9 periodes à
€ 48.686,40, met daarbij de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW.
(Naar de kantonrechter begrijpt)
meest subsidiair
Als de kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven en de loonopschorting en inhouding ook, verzoekt [verzoeker] alsnog aan hem toe te kennen de transitievergoeding van € 42.650,69, nu hem geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.2.
[verzoeker] legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig. De geldigheid van de dringende reden wordt betwist. [verzoeker] bevindt zich in een burn-out. Hij is moeilijk aanspreekbaar en kan zelfs met zijn eigen familie amper tot geen fysiek contact onderhouden. Het lag daarom niet binnen de mogelijkheden van [verzoeker] om zijn re-integratieverplichtingen jegens Deka na te komen. De broer heeft bovendien regelmatig contact gehouden met Deka en heeft hen geïnformeerd over de mentale gesteldheid en problemen van [verzoeker]. Het verweer dat dit niet voldoende zou zijn gaat niet op, omdat Deka deze rol van de broer zelf heeft geaccepteerd. Uit de inmiddels ingebrachte medische stukken blijkt ondubbelzinnig dat [verzoeker] leed aan ernstige psychische problematiek. Het beeld dat [verzoeker] onwillig was, wordt hiermee ontkracht.
4.3.
Deka verzoekt de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen, onder veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure. Deka legt hieraan, kort gezegd, het volgende ten grondslag. [verzoeker] weigert sinds september 2024 stelselmatig en structureel zijn re-integratieverplichtingen na te komen en te voldoen aan de redelijke bevelen en opdrachten van Deka. Hij heeft zich niet gehouden aan het door de bedrijfsarts geadviseerde opbouwschema, was onbereikbaar voor Deka en deskundigen, verscheen niet op afspraken bij Deka en de bedrijfsarts, werkte niet mee aan de door de bedrijfsarts geadviseerde interventie, weigerde zijn medewerking te verlenen aan het opstellen van het Plan van Aanpak, handelde in strijd met het bedrijfsreglement en het verzuimprotocol en verbrak herhaaldelijk de verzuimregels. [verzoeker] is hier meermaals op aangesproken en heeft diverse waarschuwingen ontvangen. Niets kon [verzoeker] echter bewegen tot medewerking, ook niet nadat hem eerst een loonopschorting en daarna een loonstop waren opgelegd. Uit niets is vooralsnog gebleken dat medische belemmeringen hiervan de oorzaak zouden zijn. [verzoeker] heeft Deka hiermee een dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 2 sub j en k gegeven om het dienstverband met hem per direct te beëindigen. Deka heeft de loondoorbetaling rechtsgeldig stopgezet op basis van artikel 7:629 lid 3 sub d en e BW. Artikel 7:629a BW bepaalt bovendien dat de rechter een vordering tot betaling van loon tijdens ziekte afwijst als daarbij niet is gevoegd een verklaring van een deskundige benoemd door het UWV over de nakoming door de werknemer van de verplichtingen bedoeld in artikel 7:660a BW. [verzoeker] dient dan ook niet-ontvankelijk verklaard te worden, dan wel dient deze vordering te worden afgewezen.

5.Voorwaardelijk tegenverzoek

5.1.
Indien en voor zover de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 13 mei 2025 wordt vernietigd, verzoekt Deka:
I. het ontbindingsverzoek van Deka toe te wijzen op grond van artikel 7:671b lid 1, aanhef en sub a BW jo. artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub e BW, vanwege verwijtbaar handelen van [verzoeker], zonder de opzegtermijn in acht te nemen, of op grond van artikel 7:671 lid 1, aanhef en sub a BW jo. artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub g BW, vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, per datum in goede justitie te bepalen;
II. bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst te bepalen dat Deka geen transitievergoeding aan [verzoeker] is verschuldigd op grond van het bepaalde in artikel 7:673 lid 7 sub c BW;
III. [verzoeker] in de kosten van deze procedure te veroordelen.
5.2.
Deka legt aan de e-grond ten grondslag dat de gedragingen van [verzoeker], bestaande uit het structureel en stelselmatig niet naleven van de verplichtingen in het kader van de re-integratie, het onbereikbaar zijn voor Deka en deskundigen, de weigering om gehoor te geven aan oproepen van Deka en de weigering om medische informatie aan te leveren bij de bedrijfsarts toerekenbaar verwijtbaar zijn. Deka meent dat in redelijkheid niet meer van haar gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te laten voortduren. Hij heeft structureel en veelvuldig in strijd gehandeld met het geldende verzuimprotocol. [verzoeker] was bekend met deze regels en heeft ze desondanks overtreden. Hierdoor is een vertrouwensgebrek ontstaan. Daarnaast is de arbeidsrelatie verstoord geraakt door de ongefundeerde stellingen van [verzoeker] en het gebrek aan zelfreflectie, bijvoorbeeld middels zijn standpunt dat Deka laakbaar zou hebben gehandeld. Er is sprake van een ernstige en duurzame verstoring van de arbeidsrelatie die niet meer te herstellen is. Vanwege voornoemde reden ligt herplaatsing van [verzoeker] niet in de rede.
5.3.
[verzoeker] is het niet eens met het verzoek en vindt dat het moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan dat hij ziek is en dat er sprake is van ernstige psychische problematiek. Daardoor is hij niet in staat is om te werken of om aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen.

6.De beoordeling van het verzoek

het ontslag op staande voet
6.1.
Het gaat in deze procedure primair om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of Deka moet worden veroordeeld tot (na)betaling van loon. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en legt uit waarom.
6.2.
Een ontslag op staande voet dient een uiterst middel te zijn en een werkgever zal daarvan met terughoudendheid gebruik moeten maken. Voor die terughoudende toepassing is aanleiding in een situatie als deze: het, kort gezegd, weigeren mee te werken aan re-integratie, zoals puntsgewijs opgesomd in de onder 3.18 opgenomen ontslagbrief van 13 mei 2025. De wet voorziet daarvoor namelijk al in een sanctie, te weten het verlies van het recht op loonbetaling. Uitgangspunt van de wet is dat een zieke werknemer bescherming verdient. Het verlies van het recht op loon is al een heel zware sanctie. Dat moet niet daar bovenop ook nog eens leiden tot verlies van de baan. [1] De kantonrechter verwijst in dit verband naar de Memorie van Toelichting bij de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte [2] . Daarin is opgenomen dat de sanctie van het verlies van recht op loondoorbetaling voldoende afschrikwekkend is om te waarborgen dat de werknemer zijn eigen re-integratie serieus oppakt. Verdergaande sancties heeft de wetgever niet nodig geacht. Daar komt bij dat er tijdens een loonstop niet snel een dringende reden kan zijn om het dienstverband onverwijld op te zeggen: door die loonstop lijdt de werkgever immers in beginsel geen schade. Er zullen dan ook bijkomende omstandigheden moeten zijn, zoals gedrag van de werknemer dat ook onafhankelijk van het niet-nakomen van de re-integratieverplichting een dringende reden oplevert. Dat het Deka na talloze aansporingen niet lukte direct contact met [verzoeker] te krijgen, is daarvoor in dit geval onvoldoende. Daarbij overweegt de kantonrechter dat Deka, nadat zij al geruime tijd geen rechtstreeks contact had kunnen krijgen met [verzoeker], in maart 2025 een welzijnscheck heeft uitgevoerd bij het huisadres van [verzoeker]. Nadat Deka [verzoeker] daar niet aantrof, heeft zij de politie gebeld. Naar aanleiding van een melding van de politie, is [verzoeker] vervolgens in zorg gekomen. De GGD heeft, zoals door Deka zelf is aangegeven op de mondelinge behandeling, vervolgens ook contact opgenomen met Deka om haar op de hoogte te stellen van de medische situatie van [verzoeker], waarbij werd aangegeven dat [verzoeker] “niet in staat was tot contact”. Naar het oordeel van de kantonrechter hadden deze ontwikkelingen in samenhang met de eerdere constatering door Hardonk dat hij zich ernstig zorgen maakte om het psychisch welzijn van [verzoeker] en hij hem eigenlijk “niet meer herkende”, het redelijk vermoeden moeten oproepen dat er mogelijk meer aan de hand was dan een werknemer die ‘gewoon niet meewerkt aan zijn re-integratie’.
6.3.
Deka heeft op 14 januari 2025 ook een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd met de vraag of [verzoeker]
‘genoeg heeft gedaan om weer aan het werk te gaan’. Het UWV heeft, zoals ook bij het tegenverzoek aan de orde zal komen, nog niet beslist op het oordeel (7.4). Op voorhand valt, gezien de reeds aan [verzoeker] opgelegde loonstop en de hiervoor beschreven omstandigheden, niet in te zien waarom van Deka niet kon worden gevergd om in elk geval de uitkomst van het aangevraagde deskundigenoordeel af te wachten.
persoonlijke omstandigheden [verzoeker]
6.4.
Daar komt bij dat Deka onvoldoende heeft laten blijken dat zij de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] heeft laten meewegen in haar ontslagbeslissing. Naast de in 6.2. beschreven omstandigheden is daarbij van belang dat [verzoeker] al meer dan twintig jaar in dienst is bij Deka en er gedurende al die tijd sprake is geweest van een onberispelijk dienstverband. In het licht van deze omstandigheden is het ontslag op staande voet een te zware sanctie, mede omdat dit ertoe zou leiden dat [verzoeker] geen aanspraak zou kunnen maken op een WIA- of WW-uitkering.
conclusie
6.5.
Deka heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 13 mei 2025 dan ook niet om een dringende reden onverwijld mogen opzeggen, zodat het primaire verzoek voor zover dat ziet op de verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet zal worden toegewezen.
Overige verzoeken: (achterstallig) loon, transitievergoeding en proceskosten
6.6.
Doordat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, duurt de arbeidsovereenkomst voort en is Deka in beginsel gehouden om het loon aan [verzoeker] te betalen. Dat geldt ook nu [verzoeker] arbeidsongeschikt is. In de wet is namelijk samengevat bepaald dat een werknemer bij ziekte twee jaar lang recht heeft op doorbetaling van (een deel van) het loon. [3] [verzoeker] kan zijn recht op loondoorbetaling tijdens ziekte echter verliezen als blijkt dat hij zonder deugdelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan zijn re-integratieverplichtingen. [4]
6.7.
[verzoeker] verzoekt betaling van het achterstallig salaris over 11 maanden, door hem begroot op € 59.505,60. Deka heeft tot 16 oktober 2024 het loon van [verzoeker] doorbetaald, maar daarna niet meer omdat [verzoeker]
“op geen enkele manier meewerkt aan zijn re-integratie”(3.7). Deka vindt dat zij de loonstop terecht heeft doorgevoerd, zodat het verzoek van [verzoeker] tot (door)betaling van het (achterstallig) loon moet worden afgewezen.
6.8.
Artikel 7:629a lid 1 BW bepaalt dat een verzoek tot betaling van loon tijdens ziekte door de rechter moet worden afgewezen indien hierbij geen verklaring is gevoegd van een deskundige benoemd door het UWV. Deze verklaring ziet op de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten (dus de vraag of hij arbeidsongeschikt is), of gaat over de nakoming van zijn re-integratieverplichtingen. [5] Vervolgens is bepaald dat zo’n deskundigenoordeel niet door de werknemer hoeft te worden overgelegd als:
de verhindering of de nakoming niet wordt betwist, of
het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. [6]
6.9.
[verzoeker] heeft geen deskundigenoordeel zoals de wet vereist overgelegd (en overigens ook nog niet aangevraagd). De vraag is vervolgens of sprake is van één van de hiervoor genoemde uitzonderingen. De eerste uitzonderingssituatie onder a) is in ieder geval niet aan de orde, omdat de rode draad in deze zaak is dat Deka de (correcte) nakoming van de re-integratieverplichtingen door [verzoeker] betwist. Van de tweede uitzonderingssituatie b) is ook geen sprake. Gesteld, noch gebleken is immers dat dit in redelijkheid niet van [verzoeker] kon worden verwacht.
6.10.
In 7.7 en 7.8 zal worden overwogen dat de beslissing op het tegenverzoek zal worden aangehouden om Deka in de gelegenheid te stellen een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen over de vraag of [verzoeker] heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Dit deskundigenoordeel, dat in januari 2025 al is aangevraagd, gaat over precies dezelfde vraag als de vraag die in dit kader moet worden beantwoord, zodat de kantonrechter afwijzing van het verzoek van [verzoeker] op dit moment niet aan de orde acht. De kantonrechter zal de beslissing op het verzoek van [verzoeker] daarom aanhouden in afwachting van het door Deka over te leggen deskundigenoordeel. Het is belangrijk dat [verzoeker] alle medewerking verleent aan de totstandkoming van dit deskundigenoordeel. De kantonrechter wijst erop dat een eventueel niet meewerken in dit kader voor risico van [verzoeker] zal zijn.
6.11.
Gelet op hetgeen onder 7.1 en verder wordt overwogen, is verder nog onduidelijk of het tegenverzoek van Deka tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden toegewezen. Daarmee is ook onduidelijk of de kantonrechter slechts het primaire verzoek van [verzoeker] moet beoordelen, of toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van [verzoeker], waarin hij – kort gezegd – ook de transitievergoeding vordert. Ook deze verzoeken zullen daarom worden aangehouden.

7.De beoordeling van het tegenverzoek

7.1.
Op het verzoek van Deka om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, moet worden beslist. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, is de voorwaarde waaronder Deka dat verzoek heeft gedaan immers vervuld.
7.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [7] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [8]
7.3.
De redelijke grond bestaat er volgens Deka primair uit dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten (e-grond) door zonder deugdelijke grond zijn re-integratieverplichtingen niet na te komen. In artikel 7:671b lid 5 BW is bepaald dat de kantonrechter een verzoek om de arbeidsovereenkomst op de e-grond te ontbinden wegens het niet voldoen aan de re-integratieverplichtingen afwijst indien de werkgever (i) de werknemer niet eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de re-integratieverplichtingen of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt of (ii) niet beschikt over een deskundigenoordeel van het UWV, tenzij het overleggen daarvan in redelijkheid niet van de werkgever gevergd kan worden. Dit zijn cumulatieve vereisten [9] , zodat Deka aan beide voorwaarden moet voldoen.
7.4.
Deka heeft aan de eerste voorwaarde voldaan. Zij heeft [verzoeker], nadat hij meermaals tevergeefs is gemaand tot nakoming van re-integratieverplichtingen, een loonstop opgelegd (3.7). Deka moet, om aan de tweede voorwaarde te voldoen, een deskundigenoordeel van het UWV overleggen over de vraag of [verzoeker] heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Aan deze voorwaarde is niet voldaan. Deka heeft het vereiste deskundigenoordeel wel aangevraagd (3.10), maar heeft op de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat het UWV nog niet op deze aanvraag heeft beslist.
7.5.
Beoordeeld moet daarom worden of in redelijkheid niet van Deka gevergd kan worden dat zij een deskundigenoordeel van het UWV overlegt. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Bij de beoordeling van de vraag of de werknemer aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan, dient aan de inhoud van het deskundigenoordeel in beginsel een groot gewicht te worden toegekend. [10] Deka heeft de loondoorbetaling aan [verzoeker] al stopgezet en heeft niet onderbouwd waarom van haar desondanks niet kan worden verlangd dat zij het deskundigenoordeel van het UWV afwacht.
7.6.
Gelet op het voorgaande zou het verzoek van Deka om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond kunnen worden afgewezen. Omdat Deka echter al op 14 januari 2025 een deskundigenoordeel heeft aangevraagd en het de verwachting is dat dit binnen een redelijke termijn zal worden afgegeven, ziet de kantonrechter aanleiding om in dit geval de procedure aan te houden in afwachting van dit deskundigenoordeel. Bij deze beslissing weegt ook mee dat de andere grond die Deka aan haar verzoek ten grondslag legt, namelijk de g-grond, feitelijk ook gebaseerd is op het onvoldoende meewerken van [verzoeker] aan zijn re-integratie. Het deskundigenoordeel is voor deze gronden dus ook relevant. Ook voor de vraag of het opzegverbod tijdens ziekte van artikel 7:670 lid 1 BW niet van toepassing is, is het oordeel van belang of [verzoeker] aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan (artikel 7:670a lid 1 BW).
vervolg van de procedure
7.7.
De kantonrechter stelt Deka in de gelegenheid om een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen over de vraag of [verzoeker] heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen. Als Deka een deskundigenoordeel heeft overgelegd, wordt [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Daarna zal de kantonrechter in beginsel zonder nadere zitting en toelichtingen op het ontbindingsverzoek beslissen. De kantonrechter geeft [verzoeker] ook in dit kader mee dat hij verplicht is mee te werken aan het deskundigenoordeel en dat dit ook nadrukkelijk in zijn belang wordt geacht.
7.8.
De kantonrechter houdt de procedure in afwachting van het deskundigenoordeel aan tot 8 december 2025. Deze termijn kan op verzoek van Deka verlengd worden als UWV het deskundigenoordeel op dat moment nog niet heeft afgegeven. Als Deka het deskundigenoordeel van het UWV heeft ontvangen, moet zij dat zo spoedig mogelijk indienen en zal [verzoeker] vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren.
7.9.
In afwachting van het voorgaande zal de kantonrechter iedere verdere beslissing aanhouden.

8.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
8.1.
vernietigt het ontslag op staande voet,
8.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
op het tegenverzoek
8.3.
stelt Deka in de gelegenheid om een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen over de vraag of [verzoeker] heeft voldaan aan zijn re-integratieverplichtingen en houdt de procedure in afwachting daarvan aan tot 8 december 2025,
8.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2025.

Voetnoten

2.TK 1995-1996, 24 439, nr. 3, p. 60.
3.Artikel 7:629 lid 1 BW.
4.Artikel 7:629 lid 3 sub d BW en artikel 7:658a lid 4 BW.
5.Artikel 7:629a lid 1 BW en artikel 7:660a BW.
6.Artikel 7:629a lid 2 BW.
7.Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
8.Artikel 7:669 lid 1 BW.
9.Gerechtshof Amsterdam 30 mei 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1223, r.o. 3.8.
10.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 28 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:3774, r.o. 3.11.