Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 14 april 2016;
- het verweerschrift, inclusief incidenteel hoger beroep, met producties 43-45, ingekomen ter griffie op 17 mei 2016;
- het verweerschrift in incidenteel hoger beroep met producties 1-3, ingekomen ter griffie op 27 mei 2016;
- een brief van de zijde van [appellante] met als bijlagen een exemplaar van het beroepschrift, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg en productie 12 van het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 23 mei 2016;
- een brief van de zijde van [appellante] met als bijlagen pagina’s die ontbraken aan producties van het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 27 mei 2016;
- een V6-formulier van de zijde van FNV met producties 46 en 47, ingekomen ter griffie op 9 juni 2016;
3.De beoordeling
Bij e-mail van 11 november 2014 heeft de bedrijfsarts medegedeeld dat los van het feit of [appellante] al dan niet arbeidsongeschikt is, er mediation moet komen en dat het goed is dat daarmee wordt gestart.
Op 9 oktober 2015 heeft FNV een nieuwe uitnodiging voor een gesprek op
14 oktober 2015 gestuurd. FNV kondigt aan over te gaan tot het stopzetten van de loonbetaling als [appellante] niet verschijnt. [appellante] is die dag niet bij FNV verschenen. Wel is zij op die dag bij de bedrijfsarts geweest, die de inzet van mediation adviseert om tot een oplossing te komen. Volgens hem zijn de beperkingen niet veranderd in vergelijking met het vorige spreekuur.
“Werkgever stelt de vraag of werknemer in staat te achten is om voor een gesprek naar kantoor [vestigingsplaats] te komen. Alles overwegende kom ik tot de volgende bevindingen:Werkgever heeft werknemer diverse keren uitgenodigd voor een gesprek om te praten over de re-integratie van werknemer. (…). In de eerste uitnodiging stond vermeld dat de leidinggevende van werknemer kort bij het gesprek aanwezig zou zijn (…). Hoewel werkgever telefonisch aan mij aangeeft dat de leidinggevende bij de 2e en 3e uitnodiging niet aanwezig zou zijn, is dit mijns inziens niet nadrukkelijk kenbaar gemaakt aan werknemer.(…). Werknemer heeft te kennen gegeven dat zij niet komt omwille van medische redenen, maar heeft zelf geen initiatief genomen, zoals bijvoorbeeld een alternatieve locatie. Dit had mijns inziens wel van werknemer verwacht mogen worden.Op de vraag of werknemer in staat te achten was om in oktober 2015 naar kantoor [vestigingsplaats] te gaan voor gesprekken, geeft de verzekeringsarts aan dat het op dat moment aannemelijk is dat werknemer niet naar kantoor [vestigingsplaats] kon gaan.4. CONCLUSIEHet is aannemelijk dat werknemer in oktober 2015 niet in staat te achten was om naar de gesprekken op kantoor [vestigingsplaats] te gaan. Haar re-integratie-inspanningen kunnen ten aanzien van dat aspect dan ook niet als onvoldoende worden beoordeeld.”
“In het vijfde lid wordt als eis gesteld dat de werkgever de werknemer eerst schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW, of om die reden de betaling van het loon heeft gestaakt,alsmededat de werkgever in een dergelijk geval dient te beschikken over een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW.”[onderstreping hof] (Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 107).
- “In deze periode was verweerster ook kwaad op haar manager in [vestigingsplaats] , wilde haar iets aandoen”(punt 10 verweerschrift eerste aanleg);
besluit verweerster voortaan alle gesprekken op te nemen, omdat de manier waarop er met haar wordt omgegaan volgens haar niet kan en alles gebeurd[sic]
altijd onder vier ogen waardoor zij verder geen bewijs heeft”(punt 16 verweerschrift eerste aanleg).
Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 32-33).
4.De beslissing
M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2016.