Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
het bestuur van het Centraal Orgaan uit Den Haag(het COA)
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
het toepassingsbereiken de
rechtsgevolgenvan de verwerkingsgronden verschillen. Een toestemming (de a-grond) kan bijvoorbeeld te allen tijde worden ingetrokken (artikel 7, derde lid, van de AVG), terwijl tegen een gegevensverwerking uit hoofde van een taak van algemeen belang (de e-grond) of de behartiging van gerechtvaardigde belangen (de f-grond) te allen tijde bezwaar kan worden gemaakt (artikel 21, eerste lid, van de AVG). Deze voorbehouden gelden niet als de gegevensverwerking berust op een wettelijke verplichting (de c-grond), maar daarvoor is een basis in het Unierecht of het nationale recht vereist, die aan bepaalde randvoorwaarden voldoet (artikel 6, derde lid, van de AVG). Gezien deze verschillen is het van belang om de verwerkingsgronden van elkaar te onderscheiden, ook al geldt uiteindelijk dat elke gegevensverwerking moet voldoen aan de basisvereisten van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 8 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie. [8]
Ten aanzien van het delen van de bijzondere persoonsgegevens komt daar bij dat nergens uit blijkt dat verweerder heeft afgewogen of het delen van die gegevens evenredig is in verhouding tot het met het delen van die gegevens nagestreefde doel, of de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en of het nodig is om passende en specifieke maatregelen te treffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van eiseres, zoals wel is vereist op grond van artikel 9, tweede lid, onder g, van de AVG.