Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , eiser, en [eiseres] , eiseres, uit [plaats 1] , tezamen: eisers
Inleiding
.Het teruggevorderde bedrag wordt vastgesteld op (in totaal) € 148.432,72.
Totstandkoming van het besluit
Standpunt eisers
Eiser was er niet van op de hoogte dat hij slechts vier weken per jaar op vakantie mocht gaan. Sinds zijn faillissement heeft hij een curator gehad en heeft hij verantwoording moeten afleggen. Hij heeft steeds toestemming van zijn curator gevraagd om naar het buitenland te mogen afreizen. Daartoe heeft eiser ook toestemming van de rechter-commissaris gekregen. Verder blijkt ook uit zijn facebookprofiel, wat openbaar is, dat hij zijn reizen documenteerde en dat hij dus niets wilde verbergen. Volgens eiser zijn er ook wel degelijk reizen geweest die hij aan verweerder heeft doorgegeven. Maar na zoveel jaren kan hij dat niet meer bewijzen. [naam 3] heeft het dossier geschoond, op enkele stukken na.
Standpunt verweerder
Ten aanzien van giften/stortingen merkt verweerder op dat het bijzonder te noemen is dat eisers nu wel de giften en/of stortingen aannemelijk zouden kunnen maken. Verder wijst verweerder erop dat uit het onderzoek van de sociale recherche blijkt dat er diverse geldstromen zijn dan wel moeten zijn, bijvoorbeeld omdat er nauwelijks een uitgavepatroon zichtbaar is op de rekening waar de bijstandsuitkering op gestort werd. Zo werd er nauwelijks geld voor boodschappen gepind, soms werd een hele maand overgeslagen. Eisers hebben verklaard dat de vader van eiser contante betalingen heeft gedaan, maximaal € 3.000 per jaar. Dat komt neer op € 30.000 in de gehele periode. Eiser heeft dit niet onderbouwd. Het zou ook zo maar veel meer kunnen zijn, aldus verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Intrekking en terugvordering van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. In dit geval betekent dit dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiser(s) in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft (hebben) geschonden door niet te melden dat eiser (langer dan vier weken) in het buitenland verbleef, eiser bedragen (onder andere van zijn vader) ontving en eiser werkzaamheden verrichtte in het bedrijf [naam bedrijf] .
Verder bleek eiser bij de bezoeken van de rapporteur aan het bedrijf op 18 en 21 februari 2020 zeer goed op de hoogte van de prijzen en de kenmerken van de verschillende steensoorten. Daarnaast heeft eiser onder meer verklaard dat hij zijn zoon adviezen geeft, dat hij af en toe in het bedrijf is en dat hij dan informatie geeft als er iemand komt. Verder heeft eiser een beurs in [land 2] bezocht en een steengroeve in [land 3] . Uit de gegevens van de bankrekening van het bedrijf volgt bovendien dat ten tijde van die bezoeken aldaar betalingen zijn verricht. Eiser heeft niet gemeld dat hij deze werkzaamheden verrichte. Ook hierdoor heeft eiser zijn inlichtingenplicht geschonden.
Er is sprake van een aanzuivering van de bankrekening in 2012 met ruim € 14.000,- waarover geen controleerbare verklaring is gegeven. Eiser heeft weliswaar ten aanzien van de door hem gemaakte reizen geprobeerd te reconstrueren welke perioden hij in het buitenland heeft verbleven, maar dat is onvoldoende controleerbaar. Nu niet is betwist dat eiser in november 2012 naar [land 4] is gereisd en dat niet heeft gemeld, heeft verweerder kunnen uitgaan van de datum 1 november 2012 als moment van schending van de inlichtingenplicht waar het gaat om het niet melden van de buitenlandse reizen. Daarnaast heeft (hebben) eiser(s) geen concrete verifieerbare gegevens overgelegd ten aanzien van de (contant) ontvangen bedragen van de vader van eiser, dat betreft zowel data als omvang van de bedragen. Eiser heeft voorts geen administratie bijgehouden van de uren voor [naam bedrijf] . Voor verweerder is het daarom niet mogelijk de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Hierdoor kan het recht op bijstand van eisers vanaf 22 maart 2017 ook niet worden vastgesteld.