In deze bestuursrechtelijke zaak staat de afwijzing van een aanvraag voor vergoeding van bijzondere kosten voor pleegzorg, specifiek kinderopvangkosten, centraal. De pleegouders hadden bij de pleegzorgaanbieder Parlan een vergoeding gevraagd, die werd afgewezen met het argument dat deze kosten door de gemeente zouden moeten worden gedragen. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze afwijzing.
De rechtbank stelt vast dat Parlan als pleegzorgaanbieder een bestuursorgaan is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat zij op grond van de Jeugdwet en de Regeling Jeugdwet een publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om eenzijdig de rechtspositie van pleegouders te bepalen. Daarmee zijn de besluiten van Parlan appellabel en kan de bestuursrechter kennisnemen van het beroep.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de vergoeding onvoldoende gemotiveerd is en dat de kinderopvangkosten wel degelijk als bijzondere kosten in de zin van artikel 5.3 van de Regeling Jeugdwet moeten worden beschouwd. De gehanteerde lijst met bijzondere kosten is niet limitatief en de kinderopvangkosten worden expliciet genoemd in relevante handreikingen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt Parlan op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarbij de vergoeding van de kosten moet worden toegekend.
Daarnaast wordt Parlan veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak bevestigt dat pleegzorgaanbieders een wettelijke taak hebben om bijzondere kosten te vergoeden en dat zij deze taak niet kunnen afwentelen op gemeenten of pleegouders.