Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 1 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [plaats] ( [land] ), eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Breda, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Feiten
sea ship loading services (freighting)’. Zij is onderdeel van de [x-groep] en een 100% dochter van [moedermaatschappij] . Deze groep handelt in energieproducten waaronder biodiesel. De groep heeft diverse handelskantoren in de Verenigde Staten, Europa, het Midden Oosten en Verre Oosten. De groep maakt gebruik van opslagterminals in Rotterdam.
- PME (Palm Methyl Ester): CFPP +/- +12 graden Celsius
- SME (Soy Methyl Ester): CFPP +/- - 4 graden Celsius
- RME (Rapeseed Methyl Ester): CFPP +/- -13 graden Celsius
- FAME (Fatty Acid Methyl Ester): CFPP is afhankelijk van de samenstellende biodiesels; in de administratie van [de entrepothouder] komen FAME CFPP’s voor van -5, 0, +5 en +10 graden Celsius.
- UCOME (Used Cooking Oil Methyl Ester): het CFPP is afhankelijk van de grondstof.
.
Groot volume opslag van minerale olie die dusdanige fiscale belangen vertegenwoordigen, dat de douanevergunning gerechtvaardigd is
(…)
.
(…)”
(…)
Het blenden / mengen van partijen vindt plaats in de tanks (alle tanks zijn met leidingen aan elkaar verbonden) of bij het laden van het schip. De lichtste vloeistof wordt als eerste aan boord gepompt, gevolgd door de zwaardere vloeistoffen. Het recept voor de blend wordt door een gespecialiseerd bedrijf ( [bedrijfsnaam 2] ) aangeleverd.
(…)
Purpose of the mission
geheletankinhouden uitgeslagen als T2 goed. Dus de partijen T1 biodiesel werden onttrokken aan het douanetoezicht.
Op papier (administratief volgens de douanedocumenten) zijn de ingeslagen zendingen biodiesel uit de Verenigde Staten (US), Argentinië (AR), Indonesië (ID) en Maleisië (MY) echter als biodiesel met T1 status uitgeslagen naar Noorwegen (NO), Egypte (EG) en Zuid-Korea (KR). Echter er is uiteindelijk geen druppel biodiesel van de in bijlage 03 ‘Berekening navordering biodiesel’ genoemde partijen wederuitgevoerd naar
- verweerder heeft voldaan aan zijn substantiëringsplicht voor de bescheiden die hij op 12 mei 2023 op een usb-stick heeft overgelegd;
- het verdedigingsbeginsel is geschonden;
- verschillende soorten biodiesel gezamenlijk mochten worden opgeslagen;
- [de entrepothouder] een plasadministratie mocht voeren;
- het onderzoek van verweerder voldoende aanknopingspunten biedt voor de verweten onttrekking en of dit onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest;
- er een voorliggende douaneschuld is ontstaan;
- een douaneschuld door onttrekking is ontstaan;
- eiseres terecht op grond van artikel 203, derde lid, tweede gedachtestreepje, van het CDW is aangemerkt als schuldenaar;
- het vertrouwensbeginsel is geschonden;
- het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel zijn geschonden;
- de grondslag van de utb nietig is; en
- eiseres recht heeft op integrale vergoeding van de kosten in bezwaar en de proceskosten in beroep.
Bij brief van 16 mei 2023 heeft verweerder op dit verzoek gereageerd. In deze reactie heeft verweerder een aanduiding gegeven van de bestanden die op de usb-stick staan, waaronder ruwe bestanden uit de tankadministratie van [de entrepothouder] , geautomatiseerde periodieke aangiften met in een ander bestand dezelfde bestanden met toegevoegde kolommen en draaitabellen, accijnsaangiften van [de entrepothouder] met bijbehorende naheffingen/navorderingen, totaaloverzichten van alle tankmutaties in de periode 2013 tot en met 2016 met de originele bestanden die van [de entrepothouder] zijn ontvangen inzake tanks waarvan [de eigenaar van de biodiesel] gebruik maakte en logistieke bestanden per zending. Een deel van de informatie maakte al deel uit van het dossier (waaronder de versie van 21 december 2016 van de tankmutaties en bijlage 04 van de utb). Verweerder licht daarbij toe dat met de overgelegde gegevens per zending (verweerder noemt 33 zendingen en Discovery, de rechtbank begrijpt: 30 zendingen) de beweging van de goederen kan worden gevolgd, waarbij bijlage 03 bij de utb (33 zendingen) in samenhang kan worden gelezen met de logistieke bescheiden per schip/lichter.
De standpunten van eiseres en verweerder sluiten bovendien aan bij de conclusie van de Commissie in de definitieve antidumpingverordening voor biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika over de onderlinge vergelijkbaarheid van de verschillende biodiesels:
Op grond van artikel 203, tweede lid, van het CDW ontstaat de douaneschuld op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Dit tijdstip is naar het oordeel van de rechtbank het moment waarop de onderhavige biodiesel uit het entrepot werd uitgeslagen en feitelijk in een vervoermiddel (schip, trein of vrachtwagen) werd geladen.
Voor zover per tank meer communautaire biodiesel is uitgeslagen dan zich communautaire biodiesel in die tank bevond, heeft verweerder deze biodiesel kunnen aanmerken als te zijn onttrokken. Wanneer zich in de betreffende tank op het moment van lossen van het schip al biodiesel bevond, heeft verweerder deze aangemerkt als communautaire biodiesel waarmee de biodiesel uit het betreffende schip gezamenlijk werd opgeslagen. De rechtbank acht dit een acceptabel uitgangspunt, mede omdat dit uitgangspunt in het voordeel van eiseres is.
- C: het casenummer (van de inkomende zending) van verweerder en geeft daarmee de link tussen het excelbestand en bijlage 03 en 04 bij de utb;
- D: of een mutatie T1 of T2 biodiesel betreft;
- E: het land van oorsprong;
- H: of de betrokken mutatie in de utb is opgenomen;
- AA: de cumulatie per tank, waarover verweerder heeft toegelicht dat deze kolom aangeeft hoeveel biodiesel er (fictief) in een tank zit (Theor. Stand), gebaseerd op de mutaties.
Ter illustratie van de wijze waarop verweerder bij de betrokken zendingen biodiesel tot de conclusie is gekomen dat onttrekking heeft plaatsgevonden, heeft verweerder in bijlage 1 van de uitspraak op bezwaar voorbeelden uitgewerkt van twee zendingen, namelijk van casenummer 77 (Everhard Schulte) en 96 (Matrix). In die beschrijvingen geeft verweerder aan welke documenten de basis vormen voor de analyse van de zending, inclusief de logistieke bescheiden van binnenbrengen en uitslag van de zendingen. Deze bescheiden heeft hij bij het verweerschrift overgelegd.
Verweerder constateert dat er geen douane-aangiften zijn voor het in het vrije verkeer brengen van de biodiesel van oorsprong uit de Verenigde Staten (of een andere opvolgende douaneregeling). Voor zover T1 biodiesel als niet-communautair goed wordt uitgeslagen, heeft verweerder deze niet in de utb of uitspraak op bezwaar betrokken.
anonimisering door rechtbank]
:
(which will blend with T2 3826001099). Resulting product will be 8420 mts of T2 — 3826001099
we will blend 250 mts of cargo under CN code 3826009019 out of tank 210 (T1 status)
Resulting cargo is 3826001099 (80% T1 and 20% T2)”
In opdracht van [de eigenaar van de biodiesel] is de volledige scheepslading van de Ivory Ray (van 14.926.599 MT biodiesel van oorsprong uit de VS) met 8 zeeschepen verscheept als T1 product vanaf [de entrepothouder] naar andere terminals.”
(…)
De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres schuldenaar is in de zin van artikel 203, derde lid, tweede gedachtestreepje, van het CDW. De rechtbank acht het onaannemelijk dat eiseres als logistiek verantwoordelijke voor de betrokken biodiesel niet wist welke biodiesel zich op welk moment en in welke verhoudingen in welke tanks bevond. Uit het voornoemde excelbestand, correspondentie tussen werknemers van eiseres en [de entrepothouder] en de eigen verklaringen van eiseres ter zitting is gebleken, dat en hoe in het entrepot van [de entrepothouder] verschillende biodiesels werden gemengd en bewerkt, dat werknemers van eiseres daar ten behoeve van [de eigenaar van de biodiesel] opdracht toe gaven en dat deze werknemers daarbij weet hadden van de douanestatus van de biodiesel: communautair (T2) of niet-communautair (T1). Werknemers van eiseres hadden ten behoeve van [de eigenaar van de biodiesel] nauw contact met [de entrepothouder] over de aankomst, de opslag, het vertrek en de bestemming van de biodiesel. Gelet op de door partijen beschreven taakverdeling tussen eiseres en [de eigenaar van de biodiesel] gaat de rechtbank ervan uit dat de werknemers van eiseres in naam en voor rekening, binnen de grenzen van de hun door eiseres opgedragen taken en dus binnen hun bevoegdheden, namens eiseres handelden. De handelingen van deze werknemers kunnen dus aan eiseres worden toegerekend (vgl. Hof van Justitie 25 januari 2017, zaak C-679/15 (Ultra-Brag AG), ECLI:EU:C:2017:40, punt 34). Eiseres heeft dus deelgenomen aan de onttrekkingen van de zendingen biodiesel aan het douanetoezicht: zij wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de biodiesel in geding, de niet-communautaire (T1) biodiesel die als communautaire (T2) biodiesel is uitgeslagen, feitelijk niet fysiek gezamenlijk opgeslagen is geweest met de communautaire biodiesel waarmee deze niet-communautaire biodiesel van status is gewisseld. In overweging 76 heeft de rechtbank bovendien geoordeeld dat het in het Handboek Douane gepubliceerde beleid waarop eiseres zich beroept (de plasadministratie), gezien de bewoordingen ervan, niet van toepassing is op biodiesel. Er is dus geen sprake van een vergissing van verweerder. De handelingen van verweerder waarop eiseres zich beroept ter ondersteuning van haar betoog dat sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, zien bovendien niet op actieve handelingen van verweerder. Uit de entrepotvergunning kan niet worden afgeleid dat verweerder het [de entrepothouder] toestond een plasadministratie te voeren. Alleen al om deze redenen kan het beroep op het vertrouwensbeginsel, wat er ook zij van de vraag of dit een eerste boeking is of een boeking achteraf in de zin van artikel 220 van Pro het CDW, niet slagen.