Uitspraak
Rechtbank noord-holland
[eiseres] , gevestigd te [plaats 1] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Breda, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
cosmetics’, ‘andere schoonheidsmiddelen en producten voor de huidverzorging’, ‘topical lubricants’, ‘cosmetics topical lubricant’, ‘schoonheidsmiddelen en producten voor de huidverzorging’ en ‘personal lubricants’.Eiseres heeft deze goederen ingedeeld onder post 3304 99 00 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN). Het bij deze post behorende tarief van douanerechten is 0 procent. Eiseres heeft de aangiften gedaan ten behoeve van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), gevestigd in [plaats 2] , Florida, Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS). Bij de aangiften zijn commercial invoices van [bedrijf 1] gevoegd.
Primairstelt eiseres dat verweerder, op wie ter zake de bewijslast rust, ten onrechte is afgeweken van de aangiften voor wat betreft de indeling van de goederen met de volgnummers 1 tot en met 6 en 8 tot en met 17 onder GN-code 3304 99 00 en het tarief. Verweerder heeft volgens eiseres onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar deze goederen om van de douaneaangiften te mogen afwijken. In plaats van monsteronderzoek heeft verweerder ervoor gekozen zich slechts te baseren op de omschrijvingen van deze goederen op de facturen en een blik op de website van [bedrijf 3] . Alleen met betrekking tot het goed met het volgnummer 7 heeft verweerder advies bij het douanelaboratorium gevraagd. De indeling van de goederen met de volgnummers 1 tot en met 6 en 8 tot en met 17 onder GN-code 3304 99 00 moet daarom volgens eiseres in stand worden gehouden.
subsidiairdat verweerder de goederen met de volgnummers 2, 3, 6 en 8 ten onrechte heeft ingedeeld onder GN-code 3307 90 00. Volgens eiseres hadden deze goederen ingedeeld moeten worden onder GN-code 3006 70 00 00 met een douanetarief van 0%.
Meer subsidiairstelt eiseres dat verweerder ten onrechte is afgeweken van de aangegeven douanewaarde, waarbij eiseres is uitgegaan van de transactiewaarde. Voor het geval de methode waarbij wordt uitgegaan van de transactiewaarde in deze zaak niet kan worden toegepast en er voor de aftrekmethode moet worden gekozen, stelt eiseres
nog meer subsidiairdat verweerder de aftrekmethode niet op de juiste wijze heeft toegepast. Verweerder heeft ten onrechte geen Uniekosten als genoemd in artikel 142 van Pro de Uitvoeringsverordening van het Douanewetboek van de Unie (hierna: UVo. DWU) in aftrek gebracht, terwijl eiseres heeft gesteld dat zij € 67.994 aan Uniekosten heeft gemaakt.
primairtot vernietiging van de utb,
subsidiairtot vermindering van de utb met € 29.235,68 aan douanerechten en € 1.361,56 aan rente op achterstallen,
meer subsidiairtot vermindering van de utb met € 17.771,42 aan douanerechten en € 827,65 aan rente op achterstallen en
nog meer subsidiairtot vermindering van de utb rekening houdend met de gemaakte kosten. In haar ter zitting van 16 augustus 2022 voorgelezen en overgelegde pleitnota geeft eiseres onder meer aan dat de door haar voor het jaar 2016 aan verweerder verstrekte gegevens met betrekking tot de door haar gemaakte EU-kosten moeten leiden tot een vermindering van de utb naar
primairom een integrale proceskostenveroordeling en
subsidiairom een vergoeding van de proceskosten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
“niet in geschil”. Tevens staat in de tweede zin onder de berekening dat deze berekening en de uitwerking daarvan niet in geschil zijn. Ter zitting heeft eiseres opgemerkt dat de op grond van de twee hiervoor genoemde aangiften ontstane douaneschulden verjaard zijn.
kunnen(onderstreping rechtbank) eveneens overgaan tot onderzoek van de goederen en/of tot het nemen van monsters zolang zij daartoe de mogelijkheid hebben. In artikel 46 van Pro het DWU is voorts bepaald dat de douaneautoriteiten elke controlemaatregel kunnen nemen die zij nodig achten. Van een verplichting voor de douaneautoriteiten om de goederen (op een bepaalde wijze) te onderzoeken, is derhalve geen sprake. Het bestaan van een dergelijke verplichting valt ook niet te herleiden uit het door eiseres in haar brief van 4 augustus 2022 gegeven citaat van paragraaf 9.2.1. (de rechtbank begrijpt: onderdeel 9.2.1. van paragraaf 12.00.00) van het Handboek Douane of enige andere informatie uit dit Handboek. Ook in genoemd citaat wordt aangegeven dat de controle achteraf onder meer
kan(onderstreping door rechtbank) plaatsvinden aan de hand van onderzoek van de goederen. Gelet op de omstandigheden in deze zaak had het op de weg van eiseres gelegen om indien zij dat noodzakelijk achtte zelf een door haar gewenst monster- of laboratorium onderzoek in te laten stellen. Verweerder had een dergelijk onderzoek naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet nodig.
‘ [bedrijf 3] silicone lubricant’en
‘ [bedrijf 3] water bases lubricant’zijn toegelaten op de Europese markt als hulpmiddelen als bedoeld in Richtlijn 93/42/EG van het Europese Parlement en de Raad van 14 juni 1993 betreffende hulpmiddelen. Tevens voert eiseres aan dat met aantekening 4, letter ij, IDR op hoofdstuk 30 is bepaald dat alleen de producten die zich volgens de objectieve kenmerken ervoor lenen om bij mens- of dierengeneeskunde toegepast te worden, ingedeeld worden onder GS-post 3006. Dat de producten van [bedrijf 1] zich voor de mens- of dierengeneeskunde lenen, blijkt uit het feit dat deze producten op de Europese markt zijn toegelaten als medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek. Eiseres stelt zich hierdoor op het standpunt dat de goederen tevens voor andere doeleinden gebruikt kunnen worden voor de indeling onder Taric-code 3006 70 00 00.
‘ [bedrijf 3] silicone lubricant’en
‘ [bedrijf 3] water bases lubricant’zijn toegelaten op de Europese markt als hulpmiddelen als bedoeld in Richtlijn 93/42/EG van het Europese Parlement en de Raad van 14 juni 1993 betreffende hulpmiddelen, kan niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling of deze goederen bestemd zijn als glijmiddel bij chirurgische handelingen of medisch onderzoek als koppelmiddel tussen het lichaam en de medische instrumenten en aldus moeten worden ingedeeld onder GN-code 3006 70 00. Het toetsingskader voor deze richtlijn is een andere dan dat voor de indeling van een goed in de GN.