ECLI:NL:RBNHO:2020:6622

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 september 2020
Publicatiedatum
27 augustus 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 374
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag gemeentelijke heffingen en dwangsom bij niet tijdig beslissen

In deze zaak heeft eiseres, wonende te [Z], beroep ingesteld tegen de beslissing van de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, die haar een aanslag gemeentelijke heffingen heeft opgelegd, waaronder onroerende-zaakbelastingen, afvalstoffenheffing en rioolheffing. De rechtbank Noord-Holland heeft op 9 september 2020 uitspraak gedaan in deze zaak, waarbij de vraag centraal stond of de heffingsambtenaar het juiste bedrag aan dwangsom aan eiseres heeft uitbetaald. Eiseres stelde dat er drie bezwaarschriften waren ingediend tegen drie heffingen, en dat de heffingsambtenaar niet tijdig had beslist, waardoor driemaal de maximale dwangsom verschuldigd zou zijn. De heffingsambtenaar betwistte dit en stelde dat er sprake was van één bezwaar, omdat de heffingen op één aanslagbiljet waren vermeld.

De rechtbank overwoog dat volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin werd bevestigd dat in dergelijke gevallen slechts één dwangsom verschuldigd is. De rechtbank concludeerde dat eiseres slechts één bezwaarschrift en één ingebrekestelling had ingediend, en dat de heffingsambtenaar derhalve eenmaal het bedrag van € 1.442 aan dwangsom verschuldigd was. Op basis van deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep van eiseres ongegrond en zag zij geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/374

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2020 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Vrolijk),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 februari 2018 een WOZ-beschikking over 2018 vastgesteld alsmede een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd (afvalstoffenheffing, onroerende-zaakbelasting eigenaar en rioolheffing). De beschikkingen en heffingen zijn op één aanslagbiljet vermeld.
Verweerder heeft op 12 april 2018 een bezwaarschrift gericht tegen deze heffingen ontvangen.
Verweerder heeft op 15 februari 2019 een ingebrekestelling ontvangen.
Verweerder heeft bij beschikking van 13 mei 2019 bepaald dat eiseres recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 juni 2019 de bezwaren ongegrond verklaard.
Verweerder heeft op 25 juni 2019 een bezwaarschrift ontvangen gericht tegen het dwangsombesluit.
Op 20 augustus 2019 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 oktober 2019 het bezwaar tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 16 oktober 2019.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020 te Haarlem.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [A] .

Overwegingen

1. In geschil is of verweerder het juiste bedrag aan dwangsom aan eiseres heeft uitbetaald, in het bijzonder of verweerder eenmaal dan wel driemaal de maximale dwangsom is verschuldigd.
2. Eiseres stelt dat sprake is van drie bezwaarschriften gericht tegen drie heffingen. Ten aanzien van alle drie de bezwaarschriften heeft verweerder niet tijdig beslist zodat driemaal de maximale dwangsom is verschuldigd.
3. Verweerder voert aan dat sprake is van meerdere op één aanslagbiljet vermelde heffingen zodat ook sprake is van één bezwaar. Overigens heeft eiseres ook slechts één bezwaarschrift ingediend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
4. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
5. Voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is sprake van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten; een andersluidende uitleg van deze bepalingen en het Bpb zou te veel afbreuk doen aan de door de wetgever om dit verband beoogde eenvoud (zie HR 13 juli 2012, nr. 11/01222, ECLI:NL:HR:2012:BX0892, onderdeel 3.3.3).
6. De Hoge Raad heeft beslist
(Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822 en Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:19) dat voor de toepassing van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht sprake is van één bezwaar indien dit is gericht tegen meerdere op één aanslagbiljet vermelde besluiten. Deze arresten van de Hoge Raad zien op een situatie waarin bezwaar wordt gemaakt tegen op één aanslagbiljet vermelde WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerende-zaakbelastingen die betrekking hebben op meerdere onroerende zaken die zijn gelegen binnen dezelfde gemeente.
7. Anders dan eiseres heeft betoogd, kan uit de door eiseres genoemde jurisprudentie niet worden afgeleid dat op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb in ieder geval waarin het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist over meerdere besluiten, evenzovele dwangsommen verschuldigd zijn als er besluiten hadden moeten worden genomen. In lijn met de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad (arrest van 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1352) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1870) overweegt de rechtbank dat een uitzondering op het beginsel, dat per niet tijdig genomen besluit een dwangsom verschuldigd is, behoort te gelden in de situatie waarin aanvragen - inclusief bezwaarschriften - (nagenoeg) gelijktijdig zijn gedaan en inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen dat een redelijke toepassing van artikel 4:17 van de Awb met zich brengt dat slechts één dwangsom wordt verbeurd. Voorts heeft voor ieder besluit te gelden dat sprake moet zijn geweest van een desbetreffende schriftelijke ingebrekestelling. Mede met inachtneming van dit toetsingskader ziet de rechtbank geen aanleiding om voor de berekening van de dwangsom af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad dat in geval van op één aanslagbiljet vermelde besluiten sprake is van één bezwaarschrift. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu ook sprake van voldoende inhoudelijke samenhang. Eiseres heeft bovendien één bezwaarschrift alsmede slechts één ingebrekestelling ingediend. Verweerder is derhalve eenmaal het bedrag van € 1.442 verschuldigd.
8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is gedaan op 9 september 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.