ECLI:NL:RBNHO:2020:5438
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging navorderingsaanslag 2012 en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
De zaak betreft een beroep tegen een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2012, opgelegd door de Belastingdienst. De navorderingsaanslag werd verminderd bij uitspraak op bezwaar, maar eiser stelde beroep in tegen deze beslissing. De rechtbank oordeelt dat eiser terecht een beroep kan doen op het interne correctiebeleid van de Belastingdienst, waardoor de navorderingsaanslag en de bijbehorende belastingrente moeten worden vernietigd.
Daarnaast is in geschil de hoogte van de proceskostenvergoeding en de toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor de uitspraak in eerste aanleg is overschreden met circa dertien maanden, waarvoor een schadevergoeding van € 1.500 passend is. Deze vergoeding wordt naar rato verdeeld tussen verweerder en de Staat.
De rechtbank bepaalt dat de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding gemiddeld (1) is, gelet op de aard en complexiteit van de zaak. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.572 en het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter H. de Jong op 2 juli 2020 te Haarlem.
Uitkomst: De navorderingsaanslag en belastingrente worden vernietigd en eiser ontvangt een schadevergoeding van € 1.269 wegens overschrijding redelijke termijn.