Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de heffingsambtenaar van de gemeente Purmerend, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Ik verzoek u bij niet volledige tegemoetkoming aan het bezwaar, op basis van artikel 40 van Pro de Wet WOZ de opbouw van de kavelwaarde, de zogenoemde grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren van het onderhavige object en van de door u opgevoerde vergelijkingsobjecten tijdig voor het plaatsvindenvan de hoorzitting te verstrekken.”
Een deel van het perceel is in gebruik als brandgang. Dit deel van het perceel kan niet privé door eiseres worden gebruikt en dient dan ook buiten de waardering te worden gelaten. Verweerder heeft in onvoldoende mate rekening gehouden met de gedateerde voorzieningen in de woning. De woning beschikt op de situatiedatum over een keuken en sanitair die gemoderniseerd dienen te worden. Verweerder heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden zodat de waarde te hoog is vastgesteld. Ook het in eigen opdracht opgestelde taxatierapport onderbouwt een waarde van € 220.000, aldus eiseres. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van het bestreden besluit en verlaging van de waarde.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1316) en de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:2780) met deze handelwijze in strijd heeft gehandeld met artikel 7:4, tweede lid, voornoemd. Immers, “indien (echter) een door het bestuursorgaan genomen besluit geheel of ten dele het resultaat is van een geautomatiseerd proces – zoals de modelmatige waardebepaling in het kader van de uitvoering van de Wet WOZ – en de belanghebbende de juistheid van de bij dat geautomatiseerde proces gemaakte keuzes en van de daarbij gebruikte gegevens en aannames wil controleren en zo nodig gemotiveerd betwisten, moet het bestuursorgaan zorgdragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van die keuzes, aannames en gegevens. Zonder die inzichtelijkheid en controleerbaarheid dreigt een ongelijkwaardige procespositie van partijen te ontstaan.” (vgl. ECLI:NL:HR:2018:2018:1316, r.o. 2.3.3.). Verweerder had dus voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar informatie moeten verstrekken betreffende onder meer de KOUDV- en liggingsfactoren van de woning en de vergelijkingsobjecten.
De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen dus worden gebruikt ter onderbouwing van de waarde van de woning. Dat er verschillen zijn tussen de woning en de vergelijkingsobjecten maakt dit niet anders. Het gaat er om dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met die verschillen.
De woning heeft op het vergelijkingsobject [adres 4] na de meeste grond, te weten 130 m². Niet in geschil is dat van dit oppervlak, aan de zijkant van de woning een gedeelte van 12 m² als brandgang is gelegen, waarop een recht van overpad rust. Verweerder heeft deze brandgang blijkens de matrix en naar het oordeel van de rechtbank terecht niet in de waardering betrokken.
Naast deze aan de zijkant gelegen brandbrandgang, bevindt zich achter de woning nog een brandgang. Deze brandgang dient, naar het oordeel van de rechtbank, nu verweerder ter zitting onweersproken heeft verklaard dat de vergelijkingsobjecten [adres 3] en [adres 2] eveneens aan de achterzijde zijn voorzien van een soortgelijke brandgang, geacht te zijn verdisconteerd in de verkoopprijzen van laatstgenoemde vergelijkingsobjecten. Gelet op het voorgaande alsmede gelet op de overige verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten, een en ander zoals vermeld in de matrix, kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde in een onjuiste verhouding staat tot de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.050 en
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 48 te vergoeden.
[jw.sys.1.naam_zit_grf], griffier. Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.