De zaak betreft een geschil tussen een schoonmaakmedewerkster en haar werkgever, een vennootschap onder firma actief in interieurreiniging. De werkneemster was sinds mei 2017 in dienst, aanvankelijk op basis van een oproepovereenkomst. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 29 november 2019, stellende dat het een tijdelijk contract betrof dat niet verlengd zou worden.
De werkneemster betwistte dit en stelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, onderbouwd met een overeenkomst die zij als zodanig aanvoerde. De werkgever stelde dat het contract voor bepaalde tijd was en meerdere malen was verlengd, waarna het rechtsgeldig was geëindigd. De kantonrechter oordeelde dat het contract juridisch als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden gekwalificeerd, omdat het eindtijdstip niet objectief was vastgesteld.
De opzegging werd daarom als onrechtmatig beoordeeld en vernietigd. De werkneemster heeft recht op wedertewerkstelling zodra zij weer arbeidsgeschikt is. Het verzoek om een dwangsom werd afgewezen vanwege onduidelijkheid over het herstel.
Het tegenverzoek van de werkgever tot ontbinding wegens disfunctioneren en verstoorde arbeidsverhouding werd afgewezen. De kantonrechter vond onvoldoende bewijs dat de werkneemster onvoldoende was aangesproken op haar functioneren of dat er een verstoorde arbeidsverhouding bestond. De proceskosten werden aan de werkgever opgelegd.