Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 oktober 2019 in de zaken tussen
[X] , wonende te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil36. In geschil is of verweerder terecht inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen bij het opleggen van de onderhavige aanslagen IB/PVV. Voor het jaar 2014 was daarnaast in geschil of eiser recht heeft op een aftrek wegens uitgaven voor monumentenpanden. Ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat eiser recht heeft op de aftrek voor het aangegeven bedrag van € 116.974, zodat dit punt niet meer in geschil is.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslagen IB/PVV 2011, 2012 en 2013 tot aanslagen berekend naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000 en laat ze voor het overige in stand;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 250.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 529.560;
- vermindert de beschikkingen heffingsrente en belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- verklaart het beroep met zaaknummer HAA 16/4802 voor zover gericht tegen het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op tot betaling van een dwangsom aan eiser ten bedrage van € 200;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.273;
- veroordeelt de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) tot vergoeding van de door eiser geleden immateriële schade tot een bedrag van € 1.727;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.917;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van, in totaal, € 184 aan eiser te vergoeden.