Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen
[X] N.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Geschil11. In geschil is de hoogte van de verschuldigde overdrachtsbelasting. Meer specifiek is in geschil of de artikelen 7 en 12 van de Wet BRV, dan wel de zogenoemde ‘doorkijkarresten’ van de Hoge Raad van 23 februari 2007 (nr. 41591, ECLI:NL:HR2007:AU8559) en van 10 juni 2011 (nr. 10/00498, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580) toepassing vinden.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Rechtsbescherming) tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 501;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 331 aan eiseres te vergoeden.