ECLI:NL:RBNHO:2017:9107
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de pseudo-eindheffing crisisheffing in loonbelasting en toekenning immateriële schadevergoeding
Eiseres, een besloten vennootschap actief in softwareontwikkeling, betwistte de door haar afgedragen crisisheffing (pseudo-eindheffing) over 2013. Zij stelde dat deze heffing in strijd was met de Wet op de loonbelasting 1964, het Eerste Protocol bij het EVRM en het gelijkheidsbeginsel uit artikel 14 EVRM Pro en artikel 26 IVBPR Pro.
De rechtbank verwijst naar arresten van de Hoge Raad waarin is vastgesteld dat de crisisheffing een wettelijke basis heeft en niet discriminerend is. De rechtbank concludeert dat de crisisheffing niet in strijd is met het wettelijke systeem en dat de heffing voldoet aan de vereisten van rechtmatigheid, legitiem doel en fair balance onder het EVRM.
Eiseres voerde aan dat de crisisheffing een individuele en buitensporige last voor haar vormde, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. De rechtbank oordeelt dat de last op het niveau van de fiscale eenheid moet worden beoordeeld en dat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangetoond.
Verder stelde eiseres dat de redelijke termijn voor de behandeling van haar bezwaar en beroep was overschreden. De rechtbank stelt vast dat de termijn met ruim tweeënhalf jaar is overschreden en kent daarom een immateriële schadevergoeding toe van € 2.500, waarvan € 250 door de Belastingdienst en € 2.250 door de Staat betaald moet worden.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar eiseres wordt schadeloos gesteld voor de overschrijding van de redelijke termijn. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, de crisisheffing is rechtmatig, en eiseres ontvangt een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.