ECLI:NL:RBNHO:2017:4924
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt rechtmatigheid forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3 over 2015
Eiser betwistte de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) over 2015, omdat de forfaitaire vermogensrendementsheffing hoger zou zijn dan het feitelijk behaalde rendement, wat volgens hem een inbreuk maakt op het recht op ongestoord genot van eigendom zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP EVRM).
De rechtbank overwoog dat het forfaitaire stelsel van box 3 sinds 2001 is gebaseerd op een rendement van 4%, dat niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement. Dit stelsel is volgens eerdere arresten van de Hoge Raad niet in strijd met artikel 1 EP Pro, tenzij zou komen vast te staan dat het forfaitaire rendement voor een lange reeks van jaren niet meer haalbaar is en belastingplichtigen daardoor een buitensporig zware last wordt opgelegd.
In deze zaak heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het rendement van 4% in 2015 niet meer haalbaar was. Hoewel het rendement op spaartegoeden onder de 4% lag, was het rendement op aandelen, obligaties en onroerende zaken over een langere periode gemiddeld 5,5%. De rechtbank concludeerde dat het forfaitaire rendement het totale box-3 vermogen nog steeds benaderde en dat de vermogensrendementsheffing niet leidde tot een schending van artikel 1 EP Pro.
Eiser voerde ook aan dat de wetgever belastingplichtigen dwingt risicovol te beleggen, maar de rechtbank vond geen sprake van dwang en geen schending van het recht. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de motivering van de uitspraak op bezwaar werden verworpen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de forfaitaire vermogensrendementsheffing over 2015 wordt ongegrond verklaard.