ECLI:NL:RBMNE:2026:94

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/7933
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overname schuld toeslagenaffaire ondanks beroep op hardheidsclausule

Eiser, slachtoffer van de toeslagenaffaire, verzocht de minister van Financiën om overname van een schuld van €14.388,74 aan NR7Finance. De minister weigerde dit omdat de schuld na de peildatum van 1 juni 2021 is ontstaan en daarmee niet voldoet aan de voorwaarden van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).

Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit. Hij voerde aan dat de hardheidsclausule in de Wht toegepast moet worden vanwege zijn schrijnende financiële situatie, veroorzaakt door de nasleep van de toeslagenaffaire, waaronder een problematische schuldensituatie, inkomensterugval en BKR-registratie.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete en verifieerbare bewijsstukken had overgelegd om de toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. Zijn financiële overzicht was onvolledig en niet onderbouwd met bankafschriften of schuldenoverzichten. Ook ontbraken aanwijzingen voor ontwrichtende persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie waarin de hardheidsclausule alleen in bijzondere, actuele schrijnende situaties kan worden toegepast. De aangehaalde eerdere uitspraken van andere rechtbanken boden geen aanleiding tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering tot overname van de schuld bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering tot overname van zijn schuld wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7933

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Polat).

Procesverloop

1. Eiser is slachtoffer van de toeslagenaffaire. Hij heeft verweerder gevraagd om zijn schuld aan NR7Finance van € 14.388,74 met referentie [nummer] over te nemen.
2. Op 15 maart 2024 heeft verweerder dit geweigerd. De leningsovereenkomst is afgesloten op 29 december 2022, dus de schuld is ontstaan of opeisbaar geworden na de peildatum van 1 juni 2021. Daarmee voldoet de schuld volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor overname uit artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
3. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.
4. Bij besluit van 29 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder blijft bij zijn weigering.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

7. Eiser voert in beroep aan dat hij weliswaar niet voldoet aan de voorwaarden voor overname van de schuld, maar dat er voor hem een uitzondering gemaakt moet worden op grond van de hardheidsclausule in de Wht. Er is volgens eiser sprake van een schrijnende situatie. Hij wordt nog steeds geconfronteerd met de nasleep van de kinderopvangtoeslagaffaire, zoals de aflossing van deze schuld, terwijl hij er een streep onder wil zetten en een nieuwe start wil maken. Dat geldt voor hem en zijn hele gezin, dat ook heeft geleden door alle spanning en stress. Eiser staat al heel lang rood op zijn bankrekeningen. Een en ander komt door een problematische schuldensituatie, een inkomensterugval van zijn partner en een BKR-registratie die hem belemmert. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij meer schulden heeft en dat er financieel minder ruimte is dan verweerder concludeert op basis van zijn overzicht. Volgens eiser moet er ruimhartiger naar gekeken worden. Daarbij wijst eiser op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 juli 2024 [1] en de overwegingen van de rechter in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024. [2]
8. Verweerder ziet - kort gezegd – in het overzicht van eiser van 16 september 2024 onvoldoende onderbouwing om de hardheidsclausule toe te kunnen passen. Ook op de zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat er geen ruimte is voor een ruimhartige toepassing.
9. De rechtbank overweegt dat in artikel 9.1, tweede lid, van de Wht een hardheidsclausule is opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van de artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
10. In de uitspraak van 12 februari 2025, rechtsoverweging 7.3 [3] , oordeelt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat deze hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hieraan niet voldaan. Eiser heeft gewezen op zijn financiële situatie, waarvan hij in een e-mail van 16 september 2024 een eigen overzicht heeft gegeven. Dit overzicht heeft eiser niet onderbouwd met concrete en verifieerbare bewijsstukken, zoals bijvoorbeeld bankafschriften. Daarbij komt dat eiser op de zitting ook heeft verklaard dat dit overzicht niet compleet is. Volgens eisers verklaring op zitting heeft hij meer schulden en houdt hij minder ruimte over dan uit het overzicht lijkt. Deze verklaring heeft eiser echter niet onderbouwd met stukken, zoals bijvoorbeeld schuldenoverzichten. De rechtbank kan eisers actuele financiële situatie daarom niet vaststellen. Of sprake is van schrijnende financiële omstandigheden die maken dat de hardheidsclausule moet worden toegepast kan de rechtbank dan ook niet concluderen. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat het niet overnemen van de schuld leidt tot ontwrichtende persoonlijke omstandigheden.
12. De uitspraken waar eiser in beroep op heeft gewezen, leiden voor de rechtbank niet tot een ander oordeel. In de zaak waar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam op ziet, was de actuele financiële situatie onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De overwegingen (ten overvloede) van de rechter in de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die niet tot een gegrond beroep hebben geleid, bieden op zichzelf onvoldoende onderbouwing om de hardheidsclausule anders toe te passen. De rechtbank acht het voorstelbaar dat eiser verder wil met zijn leven en een streep wil zetten onder deze schuld. Maar de rechtbank ziet gelet op de wettekst en de rechtspraak, waaronder de nadien gedane uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, geen ruimte voor een ruimhartigere uitleg van de hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de weigering om eisers schuld over te nemen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Venderbosch, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.
De griffier is verhinderd De rechter is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen. om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.