ECLI:NL:RBMNE:2026:909

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
UTR 24/4274
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbWet open overheidArt. 8:41, eerste lid, AwbArt. 8:41, zesde lid, AwbArt. 8:41, vijfde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht en onvoldoende betalingsonmacht rechtspersoon

Vereniging Sociaal en Groen verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over de burgerraad, maar het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees dit verzoek af. Na afwijzing van het bezwaar stelde de voorzitter van de vereniging beroep in tegen het besluit en vroeg vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht.

De rechtbank stelde aanvankelijk de voorzitter vrij van betaling, maar na heropening van het onderzoek bleek dat de vereniging zelf eiseres was. De rechtbank vroeg de vereniging aan te tonen dat bestuursleden of andere betrokken natuurlijke personen niet in staat waren het griffierecht te betalen. De vereniging weigerde dit en beriep zich op het feit dat bestuurders niet aansprakelijk zijn voor de lasten van de vereniging.

De rechtbank oordeelde dat ook rechtspersonen onder omstandigheden vrijstelling kunnen krijgen, maar dat de vereniging onvoldoende had onderbouwd dat bestuursleden niet konden betalen. De stelling dat betaling door vrijwilligers de doodsteek zou zijn, was onvoldoende. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en werd de zaak niet inhoudelijk beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep van de vereniging wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en onvoldoende onderbouwing van betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4274

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

Vereniging Sociaal en Groen, gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M. Beumer).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 5 maart 2024 verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) van informatie over de burgerraad. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 13 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 mei 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij deze afwijzing van het verzoek gebleven.
2. De voorzitter van de vereniging, [A] (hierna: de voorzitter) heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft daarbij gevraagd of hij het griffierecht niet hoeft te betalen, omdat de vereniging dit bedrag niet kan betalen. De voorzitter heeft daartoe verwezen naar de inkomensgegevens van de vereniging.
3. In de brief van 13 augustus 2024 is aan de voorzitter medegedeeld dat hij op basis van de verstrekte financiële gegevens van eiseres voorlopig is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
4. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de voorzitter van de vereniging en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek gesloten.
5. Op 9 april 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, omdat gebleken is dat niet de voorzitter in persoon, maar de vereniging de eisende partij is.
6. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of het verzoek om vrijstelling tot betaling van het griffierecht door eiseres als rechtspersoon kan worden toegewezen. In dat kader is eiseres op 9 april 2025 en op 28 april 2025 verzocht om aan te tonen dat de voorzitter, de penningmeester of andere bij eiseres betrokken natuurlijke personen onvoldoende financiële middelen hebben om het griffierecht te kunnen voldoen.
7. Eiseres heeft op 13 april 2025 en op 6 mei 2025 te kennen gegeven dat zij het er niet mee eens is dat haar bestuursleden het griffierecht moeten betalen. Eiseres heeft verzocht om haar voor de betaling van het verschuldigde griffierecht alsnog vrij te stellen.
8. De rechtbank heeft bij brief van 21 mei 2025 het beroep op betalingsonmacht van eiseres afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank een nieuwe nota van 16 mei 2021 voor het griffierecht aan eiseres verzonden en verzocht om deze binnen vier weken alsnog te betalen.
9. Het griffierecht is niet voldaan door eiseres.
10. De rechtbank heeft bepaald dat nadere onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat heden uitspraak wordt gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

11. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiseres (een rechtspersoon) geldt daarvoor een bedrag van € 371,00.
12. Het griffierecht dient binnen vier weken na de verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. [1]
13. Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald voor het einde van de daartoe gestelde termijn. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt een beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. In afwijking van de eerste zin blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien aannemelijk is dat de indiener van het beroepschrift op de datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn bijgeschreven of gestort, in betalingsonmacht verkeert.
14. De rechtbank is van oordeel dat ook voor rechtspersonen de weg openstaat om een beroep te doen op betalingsonmacht en dat ook zij, onder omstandigheden, in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van griffierecht. [2]
15. Eiseres is van mening dat zij in aanmerking komt voor de gevraagde vrijstelling van het griffierecht. Zij voert in dat kader aan dat het ongewoon is dat haar bestuursleden het griffierecht moeten betalen, omdat bestuurders niet aansprakelijk zijn voor de lasten van de rechtspersoon. Volgens eiseres is sprake van een schrijnende situatie, omdat bestuurders van commerciële rechtspersonen inkomsten genieten van hun rechtspersoon, terwijl eiseres een vrijwilligersvereniging is. Betaling van de lasten van een vereniging door vrijwilligers in privé zou de doodsteek zijn van het verengingsleven waaraan de samenleving juist behoefte heeft.
16. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht bepalend is of de betrokkene in de van belang zijnde periode niet in staat was het verschuldigde griffierecht te voldoen, eventueel door bijdragen van belanghebbenden zoals bestuurders of aandeelhouders. Dit volgt ook uit de rechtspraak van 7 juli 2021 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. [3]
17. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar beroep op betalingsonmacht onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel eiseres met de overgelegde financiële gegevens heeft aangetoond dat zij als vereniging onvoldoende middelen heeft om het griffierecht te kunnen voldoen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de voorzitter, de penningmeester of andere bij eiseres betrokken natuurlijke personen onvoldoende financiële middelen hebben om het griffierecht te kunnen voldoen. Eiseres heeft - hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld – hierover geen enkele informatie verschaft. Gelet hierop komt eiseres niet in aanmerking voor de gevraagde vrijstelling. De enkel niet onderbouwde stelling dat betaling van het verschuldigde griffierecht door vrijwilligers in privé de doodsteek is van een vereniging als eiseres, geeft geen aanleiding om het beroep op betalingsonmacht in dit geval toe te wijzen.
18. De stelling van eiseres dat deze uitspraak van de Afdeling niet van toepassing is, omdat de stichting in die zaak, anders dan eiseres, de betalingsonmacht niet aannemelijk had gemaakt, volgt de rechtbank niet. Uit deze uitspraak blijkt dat in het geval een stichting niet beschikt over een toereikend eigen budget om het griffierecht te betalen, de bij die stichting betrokken natuurlijke personen de middelen kunnen aanvullen. Het ligt dan op de weg van de stichting om duidelijk te maken waarom iedere mogelijkheid ontbrak om de noodzakelijke gelden bijeen te brengen. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft eiseres dat in dit geval niet gedaan.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:41, vijfde lid van de Awb.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:354) en de uitspraken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 26 februari 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:706) en van de rechtbank Noord-Nederland van 5 april 2018 (ECLI:NL:RBNNE:2018:1197).
3.Uitspraak van 7 juli 2021 van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaaknummer 202005594/3/R2.