Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:800

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/5199
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZiektewetArt. 9 Schattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stopzetting Ziektewetuitkering na Eerstejaars Ziektewetbeoordeling

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering stop te zetten na de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling. De beoordeling van het UWV was gebaseerd op een zorgvuldige medische expertise en een arbeidsdeskundige beoordeling, waaruit bleek dat eiser geschikt is voor ander werk waarmee hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.

De rechtbank stelt vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig en zonder tegenstrijdigheden is uitgevoerd en dat eiser geen medische onderbouwing heeft geleverd die het oordeel van de verzekeringsarts in twijfel kan trekken. Ook de door de arbeidsdeskundige geselecteerde voorbeeldfuncties zijn passend, ondanks de door eiser aangevoerde taalbarrière, omdat het gaat om eenvoudige en routinematige functies met een laag opleidingsniveau.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat eiser niet langer recht heeft op een Ziektewetuitkering. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter M. Coenen op 3 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft stopgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5199

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D.F.V. Hein),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: J.A. Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het stopzetten van de Ziektewetuitkering van eiser omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser is het niet eens met de vaststelling van zijn belastbaarheid en acht zichzelf meer beperkt. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de Ziektewetuitkering terecht heeft stopgezet.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft stopgezet. Eiser heeft geen twijfel gezaaid over de juistheid van het oordeel van de verzekeringsarts over zijn belastbaarheid. Ook is er geen reden om de door de arbeidskundige geselecteerde functies te verwerpen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft zich op 1 december 2022 ziekgemeld vanuit de WW. Tot 31 augustus 2022 werkte hij als [functie] voor gemiddeld 34,89 uur per week.
2.1.
Bij de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling heeft het Uwv vastgesteld dat eiser ongeschikt is voor zijn eigen werk als [functie] , maar dat hij nog wel geschikt is voor ander werk. Met dat werk kan hij meer dan 65% van het maatmaninkomen verdienen. Het Uwv heeft met ingang van 13 juli 2024 de Ziektewetuitkering van eiser stopgezet.
2.2.
Eiser heeft bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 31 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het Uwv bij het besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de Ziektewetuitkering van eiser mocht stopzetten. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Toetsingskader
4. In artikel 19aa van de Ziektewet (ZW) is bepaald dat een verzekerde zonder werkgever na 52 weken alleen nog recht heeft op Ziektewetuitkering als hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid én door ziekte niet meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Dat betekent voor eiser dat het Uwv ook kijkt of hij mogelijkheden heeft om in ander werk dan zijn eigen werk aan de slag te gaan, zodat hij met algemeen gangbare arbeid meer dan 65% van zijn eerder verdiende salaris kan verdienen. Deze beoordeling vindt plaats bij de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling en is gebaseerd op een medische beoordeling door de verzekeringsarts en vervolgens een arbeidskundige beoordeling door de arbeidsdeskundige.
4.1.
Het Uwv mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten, en voldoende begrijpelijk zijn. De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiser aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiser zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
De zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
5. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de onder 5.1 genoemde voorwaarden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd en medisch onderzoek verricht. De rechtbank wijst erop dat het Uwv bij de heroverweging in bezwaar een aanvullende psychiatrische expertise heeft gevraagd. De bevindingen uit het psychiatrisch onderzoek zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep kenbaar betrokken bij de heroverweging in bezwaar. In bezwaar zijn aanvullende beperkingen aangenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (fml) van 17 juli 2025. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd hoe de beoordeling tot stand is gekomen. Bovendien heeft eiser geen gronden ingediend tegen de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Het rapport voldoet dus aan de drie voorwaarden. Dat betekent dat het Uwv het bestreden besluit mocht baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De medische beoordeling
6. Eiser voert aan dat hij meer beperkt is dat het Uwv heeft aangenomen. Hij voert aan dat hij beperkt is in zijn duurbelastbaarheid en dat meer beperkingen moeten worden aangenomen vanwege de pijnlijke gewrichten en concentratieproblemen.
6.1.
Het Uwv vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep goed heeft gemotiveerd waarom er geen medische grond is om verdergaande beperkingen aan te nemen. Het Uwv wijst erop dat eiser geen medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat de beperkingen niet juist zijn vastgesteld.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat het de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts is om de klachten van eiser te vertalen in arbeidsbeperkingen. De rechtbank overweegt dat vanwege de psychische problemen van eiser beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en werktijden. Vanwege zijn fysieke klachten zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken dynamische handelingen en statische handelingen. De verzekeringsarts kan een urenbeperking aannemen als iemand niet voltijds kan werken op energetische gronden, om preventieve redenen, of vanwege verminderde beschikbaarheid. De verzekeringsarts heeft conform de standaard ‘Duurbelastbaarheid in arbeid’ beoordeeld dat er, rekening houdend met de in de fml opgenomen beperkingen, geen medische gronden zijn om een verdergaande urenbeperking aan te nemen voor eiser. In beroep heeft eiser geen medische informatie overgelegd, die aanleiding geeft tot twijfel aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling of de fml wat betreft de duurbelastbaarheid, psychische klachten en fysieke (pijn)klachten van eiser. Aan de manier waarop eiser zelf zijn klachten ervaart, hoe begrijpelijk ook, kan in de systematiek van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling geen doorslaggevende betekenis toekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidsdeskundige beoordeling
7. Eiser voert aan dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld en dat hij daarom ook de door de arbeidskundige geduide voorbeeldfuncties niet kan uitvoeren. Uit wat hiervoor is overwogen volgt echter dat ervan uit moet worden gegaan dat de beperkingen die in de fml van 17 juli 2025 voor eiser zijn opgenomen, juist zijn. De grond dat eiser de functies niet kan vervullen omdat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld, kan daarom niet slagen.
7.1.
Ook de beroepsgrond dat bij het selecteren van functies ten onrechte geen rekening is gehouden met de taalbarrière slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Het Uwv voert in het verweerschrift aan dat mondelinge beheersing van de Nederlandse taal op grond van artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit wordt aangemerkt als een bekwaamheid die algemeen gebruikelijk is en binnen zes maanden kan worden verworven. De rechtbank overweegt dat op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep onder de werking van dit artikel alleen functies met opleidingsniveau 1 zijn begrepen. [1] In dit geval zijn door de arbeidsdeskundige de functies assemblagemedewerker elektrotechnische producten (SBC-code 267041), wikkelaar (SBC-code 267053) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) geselecteerd. Deze functies vereisen opleidingsniveau 2 en vallen dus niet binnen de veronderstelde bekwaamheid van artikel 9, onder a, van het Schattingsbesluit. In tegenstelling tot wat het Uwv aanvoert, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de enkele verwijzing naar artikel 9 van Pro het Schattingsbesluit in dit geval op zich geen toereikende motivering biedt voor de geschiktheid van de geselecteerde functies voor eiser. Toch is de rechtbank van oordeel dat deze functies terecht passend zijn geacht. Daarvoor is het volgende van belang. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep kan ook iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat worden geacht om eenvoudige productiematige functies te vervullen. [2] Alle geselecteerde functies hebben opleidingsniveau 2, wat voltooid basisonderwijs veronderstelt en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma of andere opleiding van dit niveau. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser niet voldoet aan dit opleidingsniveau. Eiser heeft het basisonderwijs voltooid. Eiser is bovendien in het bezit van een diploma dat vergelijkbaar is met een Nederlands HAVO-diploma, behaald in het land van herkomst, waardoor zijn opleidingsniveau is bepaald op niveau 5. De geselecteerde functies vereisen echter opleidingsniveau 2. Het betreft eenvoudige en routinematige functies, waarvan de instructies ook mondeling gegeven kunnen worden. [3] Uit de functiebeschrijvingen van de geselecteerde functies komt naar voren dat geen groot beroep wordt gedaan op de beheersing van de Nederlandse taal. Ook het feit dat voor een van de functies een interne opleiding IPC moet worden gevolgd, is geen reden om te oordelen dat de functie niet passend is voor eiser. Uit de functiebeschrijving volgt dat dit een theorieles aan de hand van foto’s en voorbeelden betreft, met afsluitend een meerkeuze eindtoets. Ook hierbij wordt geen groot beroep gedaan op de beheersing van de Nederlandse taal.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de geschiktheid van de geduide voorbeeldfuncties. In het arbeidsdeskundig rapport van 25 juli 2025 is deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiser, zoals vastgelegd in de fml van 17 juli 2025, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het verdienvermogen van eiser ten grondslag mogen leggen. Eiser heeft hiermee een verdienvermogen van 94,36%. Dat is meer dan 65% van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. De Ziektewetuitkering van eiser is dus terecht stopgezet. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de Ziektewetuitkering van eiser terecht heeft stopgezet. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van de uitspraak van 8 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1616 en de uitspraak van 7 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1120.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2064, r.o. 4.6.2.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1616, r.o. 4.7.