ECLI:NL:RBMNE:2026:783

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/5852
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op overname private schulden in kinderopvangtoeslagaffaire

Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van haar private schulden door Sociale Banken Nederland (SBN). Deze aanvraag werd afgewezen omdat de schulden niet opeisbaar waren voor 1 juni 2021, zoals vereist in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister handhaafde deze afwijzing en weigerde toepassing van de hardheidsclausule.

Eiseres voerde aan dat zij zich in een kwetsbare financiële situatie bevindt en dat de strikte toepassing van het opeisbaarheidsvereiste leidt tot onbillijke gevolgen. Zij verwees naar een eerdere uitspraak waarin de hardheidsclausule wel werd toegepast. De rechtbank oordeelde echter dat de hardheidsclausule alleen in bijzondere, actuele situaties kan worden toegepast en dat de omstandigheden van eiseres niet aan deze criteria voldoen.

De rechtbank concludeerde dat de aangeleverde financiële en medische stukken onvoldoende inzicht boden in de structurele financiële nood van eiseres. De schulden zijn deels ontstaan door coronamaatregelen en onbetaalde pensioenpremies, maar het verloop en de impact daarvan zijn onduidelijk. Ook is niet gebleken van ernstige medische omstandigheden of psychosociale druk.

De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de minister de schulden niet hoeft over te nemen. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 3 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de overname van haar schulden is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5852

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. K. Bingöl en mr. N. Tursucu).

Waar gaat deze zaak over?

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor de overname van haar schulden. Sociale Banken Nederland (SBN) heeft deze aanvraag met het besluit van 27 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast
.Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanvraag
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Hiervoor heeft zij compensatie gekregen. In dit kader heeft eiseres een schuldenlijst toegezonden aan de Sociale Banken Nederland (SBN) met het verzoek om overname van haar schulden.
Bestreden besluitvorming
3. De SBN heeft besloten om de schulden van eiseres niet over te nemen. De schulden zijn ontstaan na 1 juni 2021 waardoor niet wordt voldaan aan artikel 4.1., tweede lid, sub b, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In het bestreden besluit is de minister bij dit standpunt gebleven. Verder heeft de minister toegelicht dat er geen reden is om de hardheidsclausule toe te passen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat eiseres nog voldoende middelen heeft om naast de vaste lasten, schulden te kunnen aflossen. Ook is niet gebleken dat eiseres onder psychosociale druk staat.
Gronden beroep
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Daarvoor heeft zij aangevoerd dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen en de schuld van in totaal € 86.799,27 over had moeten nemen. Eiseres zit namelijk in een kwetsbare financiële situatie. Een strikte toepassing van het opeisbaarheidsvereiste leidt ertoe dat eiseres met een zeer grote schuldenlast blijft zitten. Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025 waar wel de hardheidsclausule is toegepast. [1] Ter onderbouwing van dit beroep heeft eiseres op 9 januari 2026 aanvullende stukken ingediend.
Rechtsvraag
5. De rechtbank stelt vast dat de minister de schulden van eiseres niet heeft overgenomen omdat die schulden niet opeisbaar zijn geworden voor 1 juni 2021. Daarmee voldoet eiseres niet aan de voorwaarden voor overnemen van private schulden zoals opgenomen in artikel 4.1., tweede lid, van de Wht. Dat staat tussen partijen ook niet ter discussie. Ter beoordeling staat of de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen.
Oordeel van de rechtbank
6. De hardheidsclausule kan alleen worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Het gaat niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Bij het overnemen van de private schulden is niet van belang of die schulden zijn ontstaan door de toeslagenaffaire. De schuldenaanpak in de Wht is voor gedupeerde ouders gericht op het zo veel mogelijk realiseren van een nieuwe start, niet op het herstellen van het verleden. [2]
7. Uit het dossier volgt dat eiseres schulden heeft en dat zij die situatie al langere tijd als erg belastend ervaart en dat zij er alles aan doet op het hoofd boven water te houden. De rechtbank is niettemin van oordeel dat de minister de hardheidsclausule terecht niet heeft toegepast. Het is op basis van de aangeleverde stukken en de verklaringen op de zitting niet inzichtelijk geworden hoe die schulden ingrijpen in de structurele financiële situatie van eiseres ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank heeft in beroep een gefragmenteerd beeld gekregen van de financiële situatie van eiseres. Op grond daarvan kan de rechtbank niet de conclusie trekken dat ten tijde van het bestreden besluit sprake was van een zodanige serieuze of structurele financiële nood dat de minister niet kon weigeren de hardheidsclausule toe te passen. De rechtbank gaat hierna in op de overgelegde financiële en medische stukken.
8. In beroep heeft eiseres de volgende stukken overgelegd: een aankondiging van een dwangbevel van 6 november 2024 gericht aan de onderneming van eiseres [bedrijf 1] in verband met niet afgedragen pensioenbijdragen aan de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds Beroepsvervoer, een medische staat van de huisarts, een afschrift van betaalrekening, een mail van Syncasso, bevestiging van afspraken met een psycholoog. Uit die stukken volgt slechts een beperkt beeld van de financiële situatie van eiseres. Zo blijkt uit het afschrift van een betaalrekening niet alle in- en uitgaven die eiseres heeft. Ook is gebleken dat dit niet enige betaalrekening is die eiseres heeft. Uit dit rekeningafschrift blijkt dat er verschillende overschrijvingen naar [bedrijf 2] zijn gedaan. Op de zitting heeft eiseres daarover uitgelegd dat dit een nieuwe onderneming is die zij wil uitbaten en dat daarvoor investeringen nodig zijn, maar daarover is niet meer inzicht gegeven. Verder blijkt uit dit rekeningafschrift dat eiseres naar Armenië is geweest. Hierover heeft eiseres op de zitting toegelicht dat zij daarheen is geweest voor een medische behandeling omdat die behandeling daar goedkoper is. Hiervan heeft zij alleen geen onderbouwing overgelegd. Naast de rekeningafschriften heeft eiseres stukken overgelegd over de schulden die zij heeft. Deze schulden zien op een schuld die is ontstaan door de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) in verband met coronamaatregelen en op een schuld die is ontstaan door onbetaalde pensioenpremies. Het verloop van deze schulden is onduidelijk; eiseres heeft verklaard dat die schulden op dit moment niet worden geïnd én dat die schulden zijn ontstaan in een B.V., waardoor de schulden (wellicht) niet op eiseres worden verhaald. Ook blijkt uit de medische stukken die eiseres heeft overgelegd niet dat er sprake is van ernstige medische omstandigheden.
9. Eiseres beroept zich op de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin is geoordeeld dat bij de beoordeling van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht, een rol is weggelegd voor het eigen aandeel van de Dienst Toeslagen in de ontstane situatie. Als het gaat over de rol van de Dienst Toeslagen bij de ontstane schulden van eiseres, heeft zij echter niet duidelijk gemaakt wat die rol is. Daarnaast betreft een eventuele rol van de Dienst Toeslagen bij de ontstane schulden geen actuele omstandigheid die samenhangt met (de gevolgen van) de weigering om de schuld over te nemen. Wat eiseres op dit punt aanvoert, treft dus geen doel. Voor het herstel van onrecht in het verleden zijn de compensatieregeling en de O/G-tegemoetkoming, de forfaitaire regeling en de aanvullende vergoeding van werkelijke schade bedoeld. [3]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de schulden van eiseres niet over hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:751.