Eiseres, gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van haar private schulden door Sociale Banken Nederland (SBN). Deze aanvraag werd afgewezen omdat de schulden niet opeisbaar waren voor 1 juni 2021, zoals vereist in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister handhaafde deze afwijzing en weigerde toepassing van de hardheidsclausule.
Eiseres voerde aan dat zij zich in een kwetsbare financiële situatie bevindt en dat de strikte toepassing van het opeisbaarheidsvereiste leidt tot onbillijke gevolgen. Zij verwees naar een eerdere uitspraak waarin de hardheidsclausule wel werd toegepast. De rechtbank oordeelde echter dat de hardheidsclausule alleen in bijzondere, actuele situaties kan worden toegepast en dat de omstandigheden van eiseres niet aan deze criteria voldoen.
De rechtbank concludeerde dat de aangeleverde financiële en medische stukken onvoldoende inzicht boden in de structurele financiële nood van eiseres. De schulden zijn deels ontstaan door coronamaatregelen en onbetaalde pensioenpremies, maar het verloop en de impact daarvan zijn onduidelijk. Ook is niet gebleken van ernstige medische omstandigheden of psychosociale druk.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de minister de schulden niet hoeft over te nemen. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 3 maart 2026.