ECLI:NL:RVS:2026:751

Raad van State

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
202502498/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 4.3 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 9.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenArt. 2.7 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie afgeloste private schuld toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid en ontbreken notariële akte

De zaak betreft een hoger beroep van een gedupeerde van de toeslagenaffaire die compensatie vordert voor een renteloze lening van €22.000, verstrekt door bestuursleden van haar werkgever. De lening is in maandelijkse termijnen afgelost. De minister van Financiën wees de aanvraag af omdat de schuld niet aan de voorwaarden van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voldoet: de schuld was niet opeisbaar vóór 1 juni 2021 en is niet vastgelegd in een notariële akte.

De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat zij het evenredigheidsbeginsel niet mocht toepassen vanwege het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet en dat de minister de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen omdat de wetgever de gevolgen van de vereisten bewust heeft aanvaard.

In hoger beroep betoogde appellante dat de schuld wel degelijk bestond en dat het onredelijk was de schuld niet te compenseren omdat zij geen betalingsachterstanden had. Ook stelde zij dat de schrijnende omstandigheden waaronder zij leefde, waaronder een burn-out en financiële problemen door de toeslagenaffaire, toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

De Raad van State verwierp deze argumenten. De Afdeling bevestigde dat de schuld niet opeisbaar was en dat het bestaan van de schuld niet tot een andere uitkomst leidt. De schrijnende omstandigheden zijn niet actueel in relatie tot de weigering tot compensatie en rechtvaardigen geen toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van compensatie voor de afgeloste private schuld wegens niet-opeisbaarheid en ontbreken van een notariële akte.

Uitspraak

202502498/1/A2.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2025 in zaak nr. 24/2299 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste private schuld afgewezen.
Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 januari 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Shaaban, advocaat in Rotterdam, en de minister van Financiën, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. M. Bouhoud, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Twee bestuursleden van de werkgever van [appellante] hebben haar in 2019 op persoonlijke titel geholpen met haar financiële problemen door de verstrekking van een renteloze lening van € 22.000,00. [appellante] heeft deze lening in maandelijkse termijnen afgelost. Zij heeft de minister verzocht om compensatie van deze afgeloste schuld op grond van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).
2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een regeling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt in dat, kort gezegd en voor zover hier van belang, een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel (zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht) in aanmerking komt voor vergoeding, als deze afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen. Aan de voorwaarden in artikel 4.1 van de Wht moet dus ook zijn voldaan.
3.       Artikel 4.1 van de Wht bepaalt welke private schulden op grond van de Wht worden overgenomen. Deze bepaling houdt kort gezegd in dat een private schuld wordt overgenomen als deze schuld:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar was; en
c. niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
Als de geldschuld niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling, is tevens vereist dat deze schuld is vastgelegd in een notariële akte.
4.       De minister heeft de aanvraag van [appellante] om compensatie van de private schuld afgewezen, omdat het gaat om een informele schuld die niet is vastgelegd in een notariële akte en omdat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De minister heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister terecht heeft vastgesteld dat de schuld van [appellante] niet voldoet aan de vereisten van artikel 4.3 van de Wht. Er zijn geen betalingsachterstanden geweest, zodat de schuld niet opeisbaar is geworden. Daarnaast is de schuld niet vastgelegd in een notariële akte. De rechtbank heeft overwogen dat zij artikel 4.3 van de Wht niet mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Daaraan staat het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet in de weg. De rechtbank heeft overwogen dat de wetgever de gevolgen van de vereisten van de notariële akte en opeisbaarheid uitdrukkelijk heeft onderkend. De uitzondering dat de rechtbank toch aan het evenredigheidsbeginsel mag toetsen, als sprake is van omstandigheden die de wetgever niet heeft voorzien, is daarom niet van toepassing. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. De wetgever heeft beoogd dat gevallen zoals [appellante] niet onder de regeling vallen en daarom is geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van de hardheidsclausule.
Hoger beroep
- evenredigheidsbeginsel
6.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de eisen dat de schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar moet zijn en in een notariële akte moet zijn neergelegd, wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel in haar geval buiten toepassing moeten worden gelaten. Omdat de schuld bij haar werkgever is vastgelegd in een overeenkomst van geldlening en blijkens de bankafschriften de schuld maandelijks is afgelost, valt aan het bestaan van de schuld niet te twijfelen.
Bovendien heeft de minister op de zitting bij de rechtbank bevestigd dat hij niet twijfelt aan het bestaan van de schuld. [appellante] voert ook aan dat zij heeft geprobeerd haar hoofd boven water te houden door een persoonlijke lening af te sluiten en niet te kiezen voor schuldsanering. Het is moeilijk te begrijpen dat de schuld niet wordt overgenomen omdat zij geen betalingsachterstanden heeft laten ontstaan.
6.1.    Op de zitting bij de rechtbank heeft de gemachtigde van de minister kenbaar gemaakt niet te twijfelen aan het bestaan van de schuld. De minister werpt [appellante] wel tegen dat de schuld niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.
6.2.    De gronden die [appellante] aanvoert gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 10 e.v.). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
- hardheidsclausule
7.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Volgens [appellante] zijn er in haar geval bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling of er aanleiding is om de hardheidsclausule toe toepassen moet ook de rol van de Belastingdienst/Toeslagen worden betrokken. [appellante] wijst daarvoor op een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:1516. [appellante] voert ook aan dat zij jarenlang in een schrijnende situatie heeft gezeten. Zij is door factoren buiten haar macht steeds verder in de financiële problemen geraakt en heeft voor hulp moeten aankloppen bij haar werkgever. [appellante] heeft door de situatie een burn-out gehad.
7.1.    In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.3, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan de hardheidsclausule niet alleen in onbillijke situaties worden toegepast, maar ook in situaties waarin sprake is van schrijnende omstandigheden. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend is geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaat om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat de degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen (zie de uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).
7.3.    [appellante] heeft op de zitting toegelicht zij door de terugvorderingen, verrekeningen en loonbeslag door de Belastingdienst/Toeslagen in grote financiële problemen kwam. Haar werkgever schoot haar te hulp met een lening, maar zij moest als alleenstaande ouder veel inleveren om die lening af te lossen en kon niet veranderen van baan. [appellante] kreeg een burn-out en kon haar opleiding niet afmaken. Zij heeft alles gedaan om uit de schulden te komen en vindt het oneerlijk dat haar schuld niet wordt gecompenseerd.
De Afdeling begrijpt dat de situatie waarin [appellante] verkeerde toen zij schulden had, erg moeilijk is geweest. De door [appellante] aangevoerde omstandigheden brengen echter niet met zich dat hardheidsclausule moet worden toegepast. Het zijn geen actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) de weigering om de schuld te compenseren, zoals bedoeld in 7.2. Wat [appellante], onder verwijzing naar de genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 18 april 2025, heeft aangevoerd over de rol van de Belastingdienst/Toeslagen in het ontstaan van de schulden, leidt om die reden niet tot een ander oordeel. Voor het herstel van onrecht in het verleden zijn de compensatieregeling en de O/G-tegemoetkoming de forfaitaire regeling en de aanvullende vergoeding van werkelijke schade bedoeld.
7.4.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jansen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
609