ECLI:NL:RVS:2026:751
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie afgeloste private schuld toeslagenaffaire wegens niet-opeisbaarheid en ontbreken notariële akte
De zaak betreft een hoger beroep van een gedupeerde van de toeslagenaffaire die compensatie vordert voor een renteloze lening van €22.000, verstrekt door bestuursleden van haar werkgever. De lening is in maandelijkse termijnen afgelost. De minister van Financiën wees de aanvraag af omdat de schuld niet aan de voorwaarden van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voldoet: de schuld was niet opeisbaar vóór 1 juni 2021 en is niet vastgelegd in een notariële akte.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en wees het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat zij het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet moet respecteren en het evenredigheidsbeginsel niet mag toepassen op de wettelijke vereisten. Ook zag de rechtbank geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen, omdat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze criteria.
In hoger beroep betoogde appellante dat de schuld wel degelijk bestond en dat het onredelijk is dat geen compensatie wordt toegekend omdat zij geen betalingsachterstanden had. Tevens stelde zij dat haar schrijnende persoonlijke omstandigheden en de rol van de Belastingdienst/Toeslagen aanleiding geven tot toepassing van de hardheidsclausule. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze argumenten, bevestigde het toetsingsverbod en oordeelde dat de omstandigheden niet actueel genoeg zijn om de hardheidsclausule toe te passen.
De Afdeling bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van compensatie voor de afgeloste private schuld wegens niet-opeisbaarheid en ontbreken van een notariële akte.