ECLI:NL:RBMNE:2026:4179

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
16/010245-23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 48 SrArt. 46 SrArt. 289 SrArt. 303 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen en medeplichtigheid aan moorden en poging zware mishandeling binnen criminele organisatie

Deze strafzaak betreft het onderzoek Lucifer, waarin de verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij meerdere moorden en een poging tot zware mishandeling binnen een criminele organisatie. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen en medeplichtigheid aan twee moorden en een poging tot zware mishandeling, maar spreekt hem vrij van andere tenlastegelegde feiten.

De bewezenverklaring is gebaseerd op uitgebreid bewijs, waaronder financiële administratie van de criminele organisatie, technische gegevens van bakenapparatuur, TomTom en verkeersregistraties, camerabeelden en DNA-sporen. De verdachte was betrokken bij observaties en voorverkenningen van slachtoffers, waarbij hij informatie verschaft heeft aan de uitvoerders van de geweldsfeiten. De rechtbank oordeelt dat deze bijdrage voldoende gewicht heeft om medeplichtigheid en medeplegen vast te stellen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van dertien jaren en acht maanden, de maximale straf die nog kan worden opgelegd gezien eerdere veroordelingen in onderzoek 26Koper. Daarnaast worden schadevergoedingen aan nabestaanden deels toegewezen, met een totaalbedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente. De verdachte wordt vrijgesproken van de moord op twee andere slachtoffers en de voorbereiding van een moord, evenals van de moord op twee personen in 2011 wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 jaar en 8 maanden gevangenisstraf voor medeplegen en medeplichtigheid aan moorden en poging zware mishandeling; schadevergoedingen deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/010245-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1979] in [geboorteplaats] ,
gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1.
Inleiding
1.1
Onderzoek Lucifer
Deze strafzaak komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend staat onder de naam Lucifer. Dit onderzoek betreft een overkoepelend politieonderzoek naar de betrokkenheid van de verdachte bij de moorden op vijf personen, te weten:
  • De moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 23 december 2011 in Houten (TGO Veste);
  • De (poging tot) moord op [slachtoffer 3] op 11 januari 2014 en 14 april 2014 in Steenbergen (TGO IJsberg);
  • De moord op [slachtoffer 4] op 20 januari 2014 in Amersfoort (TGO Brand);
  • De (voorbereiding op de) moord op [slachtoffer 5] op 1 december 2014 in Amersfoort (TGO Hendrick).
1.2
De zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 2, 7, 9, 14, 20 april en 11 mei 2026. Het onderzoek is gesloten op 13 juli 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.
Op (delen van de) zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officieren van justitie (hierna: het Openbaar Ministerie);
  • de advocaten van de verdachte: mr. S.L.J. Janssen en mr. E.M. Geboers (hierna: de verdediging);
  • mevrouw [nabestaande 1] (de zus van het overleden slachtoffer [slachtoffer 4] ), nabestaande en benadeelde partij;
  • de heer [nabestaande 2] (de broer het overleden slachtoffer [slachtoffer 4] ), nabestaande en benadeelde partij;
  • mevrouw [nabestaande 3] (de dochter van het overleden slachtoffer [slachtoffer 3] ), nabestaande en benadeelde partij;
  • mr. T.G.J. Nevels, slachtofferadvocaat van de familie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 4] ;
  • mr. R.V. Hamers, waarnemend voor mr. F.J.M. Hamers, slachtofferadvocaat van de familie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 5] ;
  • mr. B. Roodveldt, slachtofferadvocaat van de vrouw van het overleden slachtoffer [slachtoffer 5] ;
  • mr. J. Vermaat, slachtofferadvocaat van de familie van het overleden slachtoffer [slachtoffer 1] .
1.3
Tenlastelegging
Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
Zaaksdossier Brand en Hendrick
feit 1
op 20 januari 2014 in Amersfoort met anderen [slachtoffer 4] heeft vermoord of daar in de periode van 3 tot en met 20 januari 2014 medeplichtig aan is geweest;
feit 2
in de periodes van 3 tot en met 20 januari 2014 en/of 1 tot en met 29 november 2014 de moord op [slachtoffer 4] en [nabestaande 11] met anderen heeft voorbereid;
Zaakdossier IJsberg
feit 3
op 11 januari 2014 in Steenbergen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 3] te vermoorden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of daar in de periode van 16 december 2013 tot en met 11 januari 2014 medeplichtig aan is geweest;
feit 4
op 14 april 2014 in Steenbergen met anderen [slachtoffer 3] heeft vermoord of daar in de periode van 16 december 2013 tot en met 14 april 2014 medeplichtig aan is geweest;
feit 5
in de periode van 16 december 2013 tot en met 14 april 2014 samen met samen met anderen de moord op [slachtoffer 3] heeft voorbereid;
Zaakdossier Veste
feit 6
op 23 december 2011 in Houten met anderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft vermoord of daar in de periode van 11 tot en met 23 december 2011 medeplichtig aan is geweest.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
1.4. Opbouw vonnis
Dit vonnis is als volgt opgebouwd:
Hoofdstuk 1: de inleiding
Hoofdstuk 2: algemene overwegingen
Hoofdstuk 3: waardering van het bewijs in zaaksdossiers Brand, IJsberg en Hendrick
Hoofdstuk 4: vrijspraak in zaaksdossier Veste
Hoofdstuk 5: de bewezenverklaring
Hoofdstuk 6: kwalificatie en strafbaarheid
Hoofdstuk 7: motivering van de straf
Hoofdstuk 8: de benadeelde partijen
Hoofdstuk 9: de toepasselijke wettelijke voorschriften
Hoofdstuk 10: de beslissing.
2.
Algemene overwegingen
2.1.
Het criminele samenwerkingsverband van 26Koper
Op 11 maart 2019 is de verdachte door het gerechtshof Amsterdam in onderzoek 26Koper veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren. Het hof heeft in haar arrest bewezenverklaard dat de verdachte zich (onder andere) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor moord in de periode van 1 december 2014 tot en met 15 juli 2015 en het deelnemen aan een criminele organisatie die het voorbereiden van moord tot oogmerk had in de periode van 1 maart 2015 tot en met 15 juli 2015. In diezelfde periode heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan grootschalig wapenbezit. Dit arrest is onherroepelijk.
Het hof oordeelt dat de verdachte samen met onder andere [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) doelbewuste en goed afgestemde voorbereidingshandelingen heeft medegepleegd, welke bestonden uit het voorhanden hebben van gestolen auto’s, voorzien van valse of vervalste kentekenplaten, automatische vuurwapens en patroonhouders, die bestemd waren voor de inzet bij levensdelicten. Het hof baseert haar oordeel (onder andere) op de betrokkenheid van de verdachte bij (de in wisselende samenstellingen) verrichte observaties van personen, de in dat verband gevoerde communicatie en de, nog nader in dit vonnis te bespreken, inbeslaggenomen financiële administratie van de organisatie, waar de verdachte onder de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ in voorkomt.
Volgens het hof is tussen de verdachten sprake geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, of wel een criminele organisatie. Gelet op het bewijs van verrichte voorbereidingshandelingen heeft de criminele organisatie, naar het oordeel van het hof, onmiskenbaar de voorbereiding van moord tot oogmerk gehad.
De tenlastegelegde feiten waar de verdachte in onderzoek Lucifer voor terechtstaat, dateren uit 2011 en 2014 en hebben zich afgespeeld in de periode voorafgaand aan de bewezenverklaarde pleegperioden in onderzoek 26Koper. Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn verdeeld over de vraag wat deze veroordeling en andere bewijsmiddelen over de rol van verdachte binnen de ‘Kopergroep’, die betrekking hebben op de periode na 1 december 2014, betekenen voor de beoordeling van de zaken in het onderzoek Lucifer.
2.1.1.Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de criminele organisatie uit 26Koper (ook) betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten in onderzoek Lucifer. Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdachte binnen de 26Koper-organisatie een coördineerde en sturende rol gehad, en ook ten tijde van de feiten in onderzoek Lucifer. Het Openbaar Ministerie voert daartoe het volgende aan.
De rechtbank Amsterdam heeft in haar vonnis van 27 februari 2024 in onderzoek 26Marengo in de zaak tegen [A] (hierna: [A] ) geoordeeld dat [A] leiding gaf aan een criminele organisatie die zich vanaf 1 juli 2015 op professionele wijze bezighield met moorden. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de ‘Kopergroep’ voor [A] werkte en dat hun werkzaamheden, na hun aanhoudingen in juli 2015, door anderen zijn voortgezet.
Uit onderzoek 26Koper en 26Marengo blijkt volgens het Openbaar Ministerie dat de verdachte een sleutelpositie vervulde binnen de criminele organisatie. In het kader van de voorbereiding van moorden regelde de verdachte wapens, PGP-telefoons en bakenapparatuur, hield hij zich bezig met het rijklaar maken van gestolen voertuigen en communiceerde hij over het wegmaken van wapens, voertuigen en andere sporen. Daarnaast was de verdachte een vertrouweling van [A] , omdat hij, volgens het Openbaar Ministerie, een van de weinigen was die rechtstreeks contact met hem had. In PGP-berichten uit 2015 tussen de verdachte en [A] , die in onderzoek 26Marengo (na het gewezen arrest in 26Koper) naar voren zijn gekomen, wordt gesproken over voorgenomen liquidaties op personen en de voorbereiding daarvan. Uit deze berichten blijkt dat de verdachte zich bezighield met de aansturing van ‘spotters’ en ‘heads’ (of wel schutters) én de uitbetaling van spotters. Daar komt bij dat de verdachte na zijn aanhouding in de daaropvolgende periode, samen met [medeverdachte 1] , vanuit de organisatie aanzienlijk hogere uitbetalingen voor zijn familie ontvangt dan de rest van de aangehouden verdachten in onderzoek 26Koper.
De gedachte dat de organisatie en de posities daarbinnen pas zijn ontstaan op of na de bewezenverklaarde startdatum in het arrest in 26Koper (1 december 2014) gaat volgens het Openbaar Ministerie niet op. Een professionele en beroepsmatige organisatie, zoals de ‘Kopergroep’, is niet binnen enkele weken of maanden gevormd, net zo min als de rollen en posities binnen die organisatie. Wat het Openbaar Ministerie betreft kan het dan ook niet anders dan dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde perioden in onderzoek Lucifer (2011 en eind 2013-2014), net als in de onderzoeksperiode van 26Koper, een prominente rol had binnen de organisatie. Volgens het Openbaar Ministerie moet het dossier in deze zaak tegen die achtergrond worden beoordeeld.
2.1.2.Het standpunt van de verdediging
De verdediging gaat ervan uit dat de rechtbank de vaststellingen gedaan door het hof in onderzoek 26Koper zal aannemen. Wel heeft zij bepleit terughoudend te zijn deze vaststellingen te betrekken bij de beoordeling van de feiten in onderzoek Lucifer.
Volgens de verdediging hield de groep uit 26Koper zich voornamelijk bezig met de handel in verdovende middelen. Niet is gebleken dat de groep zich exclusief richtte op het plegen van liquidaties, laat staan dat de verdachte hierbij een leidende rol had. De verdediging voert aan dat het hof in haar arrest noch in het kader van de bewezenverklaring noch in het kader van de strafmaat, vaststellingen heeft gedaan over de door het Openbaar Ministerie gestelde (vermeende) prominente rol van de verdachte. Volgens de verdediging wijzen de PGP-berichten uit 2015, waarin de verdachte met [A] spreekt over geweldsfeiten, niet op een hogere positie. Nog daargelaten dat dergelijke berichten binnen de omvangrijke hoeveelheid vergaarde berichtgeving veruit in de minderheid zijn, zijn dergelijke berichten niet aanwezig over de periode van vóór 26Koper, waarop de tenlastelegging in deze zaak ziet.
2.1.3.Het oordeel van de rechtbank
Over de betekenis van bewijsmiddelen die gaan over de rol van verdachte binnen de Kopergroep overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank gaat er met het Openbaar Ministerie en de verdediging vanuit dat de criminele organisatie van 26Koper ook al enige tijd bestond voor 1 december 2014, zoals later in dit vonnis aan de hand van bewijsmiddelen uiteen wordt gezet. De verdachte heeft daarover ook zelf op zitting verklaard dat hij zich in de ten laste gelegde periode samen met anderen bezig hield met criminele activiteiten.
De rechtbank overweegt dat de positie van de verdachte binnen de criminele organisatie bij de uiteindelijke beoordeling van de tenlastegelegde feiten van betekenis kan zijn. Vooropstaat echter dat de rechtbank per tenlastegelegd feit moet beoordelen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat de verdachte een strafrechtelijk verwijtbare bijdrage heeft geleverd aan de concrete moord of voorbereiding daarvan. Daarbij zal de rechtbank niet als algemeen uitgangspunt nemen dat de verdachte een leidende rol had binnen de organisatie. Uit het arrest in 26Koper volgt namelijk niet dat de verdachte zo’n leidende rol had, terwijl ook ander bewijs uit bijvoorbeeld de zaak 26Marengo niet ziet op de periode van de hier tenlastegelegde feiten. Zonder voldoende concreet bewijs kan de rechtbank er niet vanuit gaan dat elke deelnemer aan een criminele organisatie altijd dezelfde rol bekleedt en heeft bekleed binnen die organisatie.
2.2. Juridische kaders
2.2.1.Medeplegen
De verdachte is telkens het medeplegen van (poging tot) de moorden en de voorbereiding daarvan ten laste gelegd.
Voor de kwalificatie van medeplegen, als bedoeld in artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr), is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Daartoe dient de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn.
In de regel zal de bijdrage van de medepleger worden geleverd tijdens het begaan van het feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van dat feit. Dit is echter niet noodzakelijk. De omstandigheid dat de verdachte zelf geen uitvoeringshandeling(en) heeft verricht, behoeft aan het bewijs van medeplegen niet in de weg te staan. De bijdrage van een medepleger kan ook zijn geleverd in verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de strafbare bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd.
Indien het tenlastegelegde medeplegen, zoals hiervoor benoemd, in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van een wapen of het verstrekken van inlichtingen), moet de rechter, in het geval hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, dat medeplegen nauwkeurig motiveren. In de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - zal toegelicht moeten worden dat en waarom de (eventueel cumulatieve) bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Voorop staat dat een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de fysieke uitvoering van het delict zal moeten worden gecompenseerd door andere factoren, bijvoorbeeld een grote(re) rol in het kader van het beramen en voorbereiden van het feit (HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3637).
Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte en diens aanwezigheid op belangrijke momenten.
Voor medeplegen (als ook medeplichtigheid) geldt dat het (dubbel) opzet van de verdachte gericht moet zijn geweest op de onderlinge samenwerking én op het begaan van het grondfeit zoals tenlastegelegd.
2.2.2Medeplichtigheid
In het geval de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt, is de medeplichtigheid aan (het medeplegen van) de tenlastegelegde (poging tot) moord(en) tenlastegelegd.
In het geval van medeplichtigheid, als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º Sr, is het verwijt dat de verdachte een door een ander begaan misdrijf bevordert en/of vergemakkelijkt. De medeplichtigheid kan bestaan uit het opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf, dan wel het opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf. Een poging tot medeplichtigheid is niet strafbaar.
Ook voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid is vereist dat bij de verdachte sprake is geweest van dubbel opzet. De verdachte moet opzet hebben gehad op zijn behulpzaamheid opleverende handeling(en) en (al dan niet in voorwaardelijke zin) het gepleegde gronddelict.
2.2.3Voorbereiding
Tot slot is de verdachte onder feit 2 en feit 5 tenlastegelegd dat de verdachte (samen met een ander of anderen) de moord op [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] heeft voorbereid.
Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen van een
misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, als bedoeld in artikel 46 Sr Pro, moet bewezen worden dat een dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen (hierna gezamenlijk aangeduid als: voorwerpen) bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.
In de bewijslevering zijn een objectieve en een subjectieve component te onderscheiden. Zo moet worden beoordeeld of de (aard van de) voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van de verdachte dienstig konden zijn voor het misdadig doel (de objectieve component) dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had (de subjectieve component) (HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213).
Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn verdeeld over de beantwoording van de vraag wanneer een voorwerp is “bestemd tot” het begaan van een misdrijf, het zogenoemde bestemmingsvereiste.
Het Openbaar Ministerie stelt - kort gezegd - dat het bestemmingsvereiste ruim moet worden uitgelegd. Voor de beoordeling of voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf is relevant of de voorwerpen dienstig konden zijn aan het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik ervan, gezien de context, voor ogen stond. Volgens het Openbaar Ministerie is hiervoor niet vereist dat de voorwerpen daadwerkelijk bij de uitvoering van het delict (zouden) zijn ingezet. Elk voorwerp dat op enig moment van betekenis is voor de (latere) uitvoering van het misdrijf, ook als het niet gebruikt is of bedoeld is om te gebruiken bij de feitelijke uitvoering van het misdrijf, valt onder het bereik van artikel 46 Sr Pro, aldus het Openbaar Ministerie.
De verdediging bepleit aansluiting te zoeken bij de (huidige) standaard in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Volgens de verdediging voldoen de in artikel 46 Sr Pro bedoelde voorwerpen slechts aan het bestemmingsvereiste, als deze bedoeld zijn om het misdrijf zelf te begaan. Voorwerpen die uitsluitend zijn gebruikt bij de voorbereiding van een misdrijf, maar die niet zijn gebruikt bij de feitelijke uitvoering daarvan, voldoen niet aan het bestemmingsvereiste, aldus de verdediging.
Ten aanzien van het debat over de interpretatie van het bestemmingsvereiste overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals recent is overwogen en uitgebreid uiteen is gezet door het hof Amsterdam in de zaak Antigo vindt de ruime uitleg die het Openbaar Ministerie aan het bestemmingsvereiste lijkt te willen geven, geen steun in de tekst van artikel 46 Sr Pro en kan deze ook niet uit de rechtspraak van de Hoge Raad worden afgeleid (Gerechtshof Amsterdam 18 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3470).
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt uit de tekst van het wetsartikel dat met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid en niet op de voorbereiding zelf (HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 en HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956). Als het gebruik van voorwerpen zich beperkt tot de voorbereiding en niet komt vast te staan dat deze voorwerpen mede van betekenis zijn (geweest) voor de daadwerkelijke uitvoering van het misdrijf, is niet voldaan aan het bestemmingsvereiste. Zo staat niet het beoogde misdrijf centraal, maar het door de verdachte beoogde gebruik van de voorwerpen.
Bij de beoordeling van de feiten zal de rechtbank uitgaan van voornoemde uitleg van het bestemmingsvereiste van de Hoge Raad. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak niet is gebleven bij de voorbereiding van moorden, maar de moorden daadwerkelijk zijn voltooid. Voor de beoordeling van de subjectieve component kan dan de daadwerkelijke uitvoering van de moord betrokken worden. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat een voorwerp ten tijde van het voorhanden hebben daarvan, bestemd was om te gebruiken bij de uitvoering van de moord, levert het feit dat een voorwerp uitsluitend bij de voorbereiding van die moord is gebruikt wel een sterke aanwijzing op dat de betrokkene(n) met het voorwerp een ander (misdadig) doel had(den) dan het begaan van de moord.
Voorhanden hebben
Het bestanddeel ‘voorhanden hebben’ is een begrip dat in de jurisprudentie nader is ingevuld. Vereist is dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp. Daarnaast moet de verdachte feitelijke macht (beschikkingsmacht) over het voorwerp hebben kunnen uitoefenen. Niet is vereist dat de verdachte te alle tijden onmiddellijk ofwel direct over het voorwerp kan beschikken.
3.
Waardering van het bewijs [1] in zaaksdossiers Brand, IJsberg en Hendrick
3.1.
Betrokkenheid organisatie bij de liquidaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5]
De rechtbank zal voordat zij in zal gaan op de rol van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten, uiteenzetten waarom zij, anders dan de verdediging, van oordeel is dat de criminele organisatie waaraan de verdachte deelnam, betrokken is geweest bij de liquidaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] . De rechtbank baseert haar oordeel op de financiële administratie van die organisatie in combinatie met het feit dat bij de verrichte voorverkenningen en/of observaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] dezelfde technische hulpmiddelen zijn gebruikt.
3.1.1.
De administratie van [medeverdachte 1]
In de woning van [medeverdachte 1] , veroordeelde in onderzoek 26Koper, wordt tijdens een doorzoeking op 15 juli 2015 een handgeschreven notitieboekje met aantekeningen aangetroffen. Deze aantekeningen blijken, zoals door het hof reeds is vastgesteld, de financiële administratie van de criminele organisatie te zijn en bestrijken de periode van 8 januari 2014 tot en met 14 juli 2015. [2] Naast aantekeningen over inkomsten uit de handel in verdovende middelen, zijn gedurende 2014 uitgaven te zien voor onder andere strijkijzer of ijzer (wapens), tracker (peilbaken), spot, spotters, hit en hitter. [3]
In relatie tot de tenlastegelegde feiten in onderzoek Lucifer neemt de rechtbank de volgende betalingen in aanmerking. Op 21 januari 2014, de dag na de liquidatie op [slachtoffer 4] , gaat er een bedrag van 100d (de rechtbank begrijpt 100.000 euro) uit naar ‘mattie’. [4] Op 12 januari 2014, één dag na de poging tot moord dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 3] , is een uitgaande betaling te zien van 50d (de rechtbank begrijpt 50.000 euro) aan ‘ [bijnaam] ’. [5] Aan ‘ [bijnaam] ’ wordt eveneens op 14 april 2014, de dag dat [slachtoffer 3] geliquideerd is, een geldbedrag betaald. Dit keer gaat het (weer) om een bedrag van 100d (100.000 euro). [6] Tot slot wordt op 1 december 2014, de dag dat [slachtoffer 5] geliquideerd is, een betaling gedaan aan ‘hitter’ voor (opnieuw) een bedrag van 100d (100.000 euro). [7] De rechtbank overweegt dat uit deze administratie blijkt dat de criminele organisatie (in ieder geval) in januari 2014 reeds bestond en actief was. Vanwege de grote hoeveelheid (bij)namen genoemd in de administratie, gaat de rechtbank er ook vanuit dat anderen, naast de vijf veroordeelden in onderzoek 26Koper, hebben deelgenomen aan de criminele organisatie.
In de administratie komen termen voor die binnen het criminele milieu doorgaans in verband kunnen worden gebracht met het volgen van een beoogd slachtoffer (of wel het ‘spotten’) van een liquidatie (of wel een ‘hit’). De stellingname dat de criminele organisatie zich voor 26Koper mogelijk alleen bezighield met verdovende middelen en niet met liquidaties, gaat dan ook niet op.
De overeenkomende hoogte van de uitbetalingen van 100.000 euro (waarbij mede de term ‘hitter’ wordt gebruikt) op of daags na de liquidaties van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] wijzen er op dat de criminele organisatie hierbij telkens betrokken is geweest. Nu uit de administratie verder blijkt dat ‘ [bijnaam] ’ 100.000 euro betaald krijgt in verband met de liquidatie van [slachtoffer 3] in april 2014 en hij ook degene is die de dag na de poging tot moord dan wel zware mishandeling van [slachtoffer 3] 50.000 euro betaald krijgt, duidt dit er op dat ook deze beide geweldsfeiten, anders dan de verdediging bepleit, vanuit de(zelfde) criminele organisatie zijn gepleegd.
3.1.2.Overeenkomende gebruikte technische middelen
De bakenapparatuur
Zoals uit dit vonnis zal blijken, hebben voorverkenningen en/of observaties plaatsgevonden gericht op [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (onderzoek Brand) en [slachtoffer 3] (onderzoek IJsberg). Tijdens deze voorverkenningen en bij de observaties is gebruik gemaakt van dezelfde technische hulpmiddelen.
Werking bakenapparatuur en mastgegevens
Voor een beter begrip van de werking van bakenapparatuur en de betekenis van mastgegevens zet de rechtbank dit eerst kort uiteen.
Bakenapparatuur of volgapparatuur werkt - kort gezegd - als volgt. Een bakenset bestaat uit GPS-trackers (bakens) en een bakentelefoon. Een baken en bakentelefoon maken allebei gebruik van een simkaart, gekoppeld aan een telefoonnummer. Ook aan een baken is een IMEI-nummer verbonden. Via het telefoonnetwerk stuurt het baken sms-berichten naar de bakentelefoon. In deze berichten worden de GPS-coördinaten van het baken gegeven, waardoor de gebruiker van de bakentelefoon kan zien waar het baken zich bevindt. [8]
De redengevende feiten en omstandigheden in deze zaak bestaan grotendeels uit historische verkeersgegevens van verschillende bakens, bakentelefoons en telefoonnummers. Deze gegevens bevatten informatie over zendmasten die voornoemde apparatuur op bepaalde tijdstippen aanstraalt en geven daarmee een ruwe inschatting van hun locatie. Op grond van de gegevens dat een baken, bakentelefoon of telefoonnummer op een bepaald tijdstip een specifieke zendmast aanstraalt, kan dus (slechts) worden vastgesteld dat deze zich op dat moment kennelijk bevindt in het gebied waarover de zendmast dekking geeft. Uit de coördinaten die een baken aan een bakentelefoon verzendt, kan wel nauwkeurig worden afgeleid waar het baken zich op dat moment bevond. [9]
Overeenkomsten tussen de gebruikte bakenapparatuur in onderzoek IJsberg en Brand
Op 3 januari 2014 zijn in één Nokia-telefoon achtereenvolgens verschillende simkaarten geactiveerd. Het gaat om (onder andere) de simkaarten met telefoonnummers [telefoonnummer 1] (hierna: [telefoonnummer 1] ), [telefoonnummer 2] (hierna: [telefoonnummer 2] ) en [telefoonnummer 3] (hierna: [telefoonnummer 4] ). [10]
Simkaart [telefoonnummer 1] is op 3 januari 2014 gebruikt in het baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] (hierna: [IMEI-nummer 1] ). [11] Dit baken is, zoals hierna wordt vastgesteld, op 18 en 19 januari 2014 actief bij voorverkenningen in onderzoek Brand en van 11 tot en met 19 februari 2014 gebruikt bij de observatie van [slachtoffer 3] in onderzoek IJsberg. Het baken stuurde deze dagen (dus zowel in onderzoek Brand als in onderzoek IJsberg) berichten naar de bakentelefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] (hierna: [IMEI-nummer 2] ). [12]
Daarnaast zit simkaart [telefoonnummer 1] op 15 januari 2014 in het baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 3] (hierna: [IMEI-nummer 3] ). [13] Dit baken is, zoals hierna wordt vastgesteld, op 15 januari 2014 in onderzoek Brand actief tijdens een voorverkenning. Het baken stuurt die dag berichten naar de bakentelefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 4] (hierna: [IMEI-nummer 4] ). [14] Bakentelefoon [IMEI-nummer 4] is (ook) eerder op 6 en 7 januari 2014 gebruikt bij het volgen van [slachtoffer 3] in onderzoek IJsberg. Op deze 6 en 7 januari 2014 zit in bakentelefoon [IMEI-nummer 4] de simkaart [telefoonnummer 2] en in het baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 5] (hierna: [IMEI-nummer 5] ), waar de bakentelefoon mee correspondeert, de simkaart [telefoonnummer 4] . [15] Deze simkaarten zijn, net als simkaart [telefoonnummer 1] , allemaal op 3 januari 2014 in eenzelfde Nokia geactiveerd. [16]
Kort gezegd waren bij de voorverkenningen en/of observaties van de slachtoffers het baken [IMEI-nummer 1] en bakentelefoons [IMEI-nummer 2] en [IMEI-nummer 4] in gebruik. Een aantal, in relatie tot deze bakenapparatuur, gebruikte simkaarten zijn in eenzelfde Nokia geactiveerd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze bakenapparatuur in handen is geweest van dezelfde groep personen.
Voor de vaststelling dat de geweldsfeiten gericht op [slachtoffer 3] vanuit de(zelfde) criminele organisatie zijn gepleegd, bieden voornoemde gegevens (ook) steun. De drie simkaarten ( [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 4] ) hebben allemaal op enig moment in bakenapparatuur gezeten die ofwel bij de observaties van [slachtoffer 3] op 6 en 7 januari 2014 (voorafgaand aan de poging tot moord dan wel zware mishandeling) ofwel in de periode 11 tot en met 19 februari 2014 (voorafgaand aan de moord) zijn gebruikt.
De TomTom
Bij de doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] , de vaste verblijfplaats van de verdachte zoals hij zelf op zitting verklaart, is een TomTom aangetroffen. [17] Als de TomTom aanstaat, worden in ‘logs’ per seconde de gps-coördinaten, straatnaam en het nummer vastgelegd van de locatie waar de TomTom zich bevond. [18]
Uit dit vonnis zal blijken dat deze TomTom is gebruikt ten behoeve van voorverkenningen gericht op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Ook is met deze TomTom (een deel van) de uiteindelijke vluchtroute van de schutter van de liquidatie van [slachtoffer 3] gereden en is langs het woonadres en werkadressen van [slachtoffer 3] gereden.
3.1.3.Conclusie
Uit de overeenkomende hoogte van genoteerde uitbetalingen op of daags na de schietincidenten en het gebruik van dezelfde TomTom en bakenapparatuur (mede in relatie tot de activatie van gebruikte simkaarten) bij de voorverkenningen en/of observaties van de slachtoffers, leidt de rechtbank af dat dezelfde criminele organisatie, die ten tijde van onderzoek 26Koper actief was, eind 2013 en 2014 reeds bestond en hiervoor verantwoordelijk is. Het verweer van de verdediging dat niet is vast te stellen dat de criminele organisatie uit 26Koper achter de schietincidenten op [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] zit, nu in het dossier meerdere motieven en/of dadergroepen naar voren komen, slaagt, gelet op bovenstaande bevindingen, niet.
3.2.
De positie van de verdachte binnen de organisatie
Onder de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’ staan (onder andere) in de eerder genoemde administratie aangetroffen bij [medeverdachte 1] in de maanden januari tot en met maart 2014 meerdere betalingen genoteerd, zoals:
10-1, 218d, binnen, [bijnaam verdachte] ;
10-1, 10d, binnen, [bijnaam verdachte] ;
11-1, 125d, binnen, [bijnaam verdachte] [19] ;
30-1, 4,5d, uit, verstopplek rijder, piz/dev/ [bijnaam verdachte] ;
8-2, 2,5d, uit aan [bijnaam verdachte] voor hit swa [20] ;
15-2, 32,9d, uit aan [bijnaam verdachte] voor strijkijzer;
22-2, 25d, uit aan [bijnaam verdachte] voor waggie [21] ;
13-3, 17,2d, uit aan [bijnaam verdachte] , strijkijzer. [22]
Door het hof is in onderzoek 26Koper vastgesteld, dat verdachte deel uitmaakte van een criminele organisatie en dat [bijnaam verdachte] de bijnaam van de verdachte is. [23] De rechtbank gaat - mede nu deze identificatie tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen onderwerp van discussie is geweest - in dit vonnis uit van juistheid van deze vaststelling. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij zich óók al voor 2014 bezighield met drugs en dat daar ook wel eens wapens bij betrokken waren. [24]
De rechtbank stelt, op grond van de verklaring van de verdachte, de financiële administratie van [medeverdachte 1] en de na te noemen bevindingen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de observaties van [slachtoffer 3] in december 2013, vast dat de verdachte eind 2013 en 2014 al deelnam aan de criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de geweldsfeiten op [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] .
Zoals eerder benoemd, stelt de rechtbank vast dat de organisatie zich, naast drugshandel, ook richtte op liquidaties gelet op het gehanteerde jargon, zoals het woord ‘hit’, in de administratie. Dit geldt eveneens voor de verdachte zelf. Met de betaling aan de verdachte in februari voor een ‘hit’, wordt zijn verklaring dat hij zich alleen met drugshandel bezig hield, weerlegt.
Zoals eerder overwogen is de enkele vaststelling dat de verdachte in de tenlastegelegde perioden deelnam aan de criminele organisatie die verantwoordelijk is voor de schietincidenten op [slachtoffer 3] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] onvoldoende voor strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte bij deze feiten. Daarvoor dient de verdachte ook een verwijtbare bijdrage aan de tenlastegelegde feiten te hebben geleverd. De rechtbank zal, na de vaststelling van de feiten en omstandigheden, uitleggen waarom dit voor (de voorbereiding van) de moord op [slachtoffer 4] (feit 1 en feit 2), de poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 3] (feit 3) en de moord op [slachtoffer 3] (feit 4) het geval is.
3.3. Zaaksdossier IJsberg (feiten 3, 4 en 5)
Poging tot moord dan wel zware mishandeling en de moord op [slachtoffer 3]
Op 11 januari 2014 krijgt de politie een melding dat in de [straat] in [woonplaats] een man is beschoten en daarbij in zijn been is geraakt. Ter plaatse treffen de verbalisanten een man aan met een schotwond aan de binnenzijde van zijn rechterbeen. [25] De man, [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) verklaart dat hij de [straat] inreed, zijn auto parkeerde en in de richting van zijn woning liep. Vervolgens zag hij een man met een pistool in zijn hand, dat de man op hem richtte. [slachtoffer 3] hoorde één schot en zag de man weglopen. Vervolgens zag hij bloed, voelde pijn en merkte dat hij geraakt was. [26]
Op 14 april 2014 krijgt de politie opnieuw een melding over een schietpartij in de [straat] in [woonplaats] . Ter plaatse treffen de verbalisanten [slachtoffer 3] op de grond aan. [slachtoffer 3] heeft een rond gat in zijn gelaat, meerdere gaten in zijn hals en verliest een grote hoeveelheid bloed. [27] Hij wordt overgebracht naar het ziekenhuis, waar hij later die middag komt te overlijden. Na onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 3] , stelt het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI) vast dat [slachtoffer 3] is overleden aan de gevolgen van meerdere schotverwondingen in zijn hoofd en romp. [28]
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis worden de poging tot moord dan wel de poging tot zware mishandeling op 11 januari 2014 en de moord op 14 april 2014 hierna aangeduid als de schietincidenten dan wel geweldsfeiten op [slachtoffer 3] .
In het dossier is vermeld dat op 9 december 2013 een partij drugs in de haven van Rotterdam in beslag is genomen. Uit PGP-berichten die op de telefoon van [slachtoffer 3] zijn aangetroffen, kan worden afgeleid dat [slachtoffer 3] verantwoordelijk werd gehouden voor de inbeslagname van deze drugspartij (
pagina’s 448 tot en met 454 van IJS2). De reden voor de schietincidenten op [slachtoffer 3] lijkt dan ook een conflict in de drugsmilieu te zijn geweest. In het dossier wordt niet alleen benoemd dat de criminele organisatie, waar de verdachte deel van uitmaakte, achter de schietincidenten van [slachtoffer 3] zit, maar worden ook andere (mogelijke) dader(groepen) genoemd. Zoals eerder in dit vonnis is overwogen, oordeelt de rechtbank (op basis van de betalingen in de administratie en de gebruikte bakenapparatuur) echter dat de criminele organisatie waar de verdachte deel vanuit maakte, voor beide geweldsfeiten op [slachtoffer 3] verantwoordelijk is geweest. Dat ook (een) ander(en) dan de criminele organisatie een motief zouden hebben, maakt dit niet anders.
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte, al dan niet samen met (een) ander(en), betrokken is geweest bij de poging tot moord dan wel de poging tot zware mishandeling op 11 januari 2014 (feit 3) en (de voorbereiding van) de moord op 14 april 2014 op [slachtoffer 3] (feiten 4 en 5).
3.3.1.De standpunten
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat feit 3, primair (medeplegen van de poging tot moord), feit 4, primair (medeplegen van de moord) en feit 5 (medeplegen van de voorbereidingshandelingen op de moord) bewezen kunnen worden verklaard.
De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte bij deze feiten betrokken is geweest.
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.2 en 3.3.3.
3.3.2.Vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank komt hieronder tot de vaststelling dat de verdachte, samen met anderen, bij voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] betrokken is geweest. Bij deze observaties en voorverkenningen is gebruik gemaakt van bakenapparatuur en van de TomTom, die op 7 augustus 2014 bij een doorzoeking van de woning aan de [adres] in [woonplaats] is gevonden.
Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de observaties en voorverkenningen is relevant dat de registraties van de bezitter van de bakenapparatuur en de TomTom op meerdere dagen overeenkomen met de registraties van een Peugeot met kenteken [kenteken] (hierna: de Peugeot). Deze informatie wijst er namelijk op dat de Peugeot, de bakenapparatuur en/of de TomTom op die dagen gebruikt zijn door dezelfde persoon. De rechtbank komt in paragraaf 3.3.2.1. tot de vaststelling dat de verdachte de gebruiker van deze Peugeot is geweest. Dit maakt dat de rechtbank bij overeenkomende registraties van de Peugeot en de technische hulpmiddelen tot de conclusie komt dat de verdachte (ook) de gebruiker van de bakenapparatuur en/of de TomTom is geweest. Op momenten dat de registraties van de Peugeot niet passen bij de registraties van de technische hulpmiddelen, gaat de rechtbank ervan uit dat (een) onbekende derde(n) uit de criminele organisatie betrokken is of zijn bij de voorverkenningen en de observaties van [slachtoffer 3] .
3.3.2.1. De verdachte was de gebruiker van de Peugeot met kenteken [kenteken]
Uitleg werking VID-registraties
De rechtbank leidt de betrokkenheid van de verdachte af uit de registraties van de Peugeot van de Verkeersinformatie Dienst (VID). Voor een beter begrip van de betekenis van deze registraties, zet de rechtbank dit eerst kort uiteen.
De VID kan door middel van bluetooth-kastjes langs de weg verkeerstromen in kaart brengen. Deze bluetooth-kastjes detecteren de MAC-adressen van passerende voertuigen.
Als een voertuig langs een bluetooth-kastje rijdt, wordt het MAC-adres van dat voertuig geregistreerd (hierna: VID-registratie). Aan de hand van de VID-registraties van een bepaald voertuig kunnen de locatiegegevens van het desbetreffende voertuig worden achterhaald. Daarbij dient opgemerkt te worden dat VID-registraties geen totaal overzicht geven van de verplaatsingen van een voertuig, omdat dit afhankelijk is van waar de VID-kastjes staan.
Het MAC-adres van de Peugeot is [MAC-adres] . [29]
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker van de Peugeot is geweest. Dat baseert de rechtbank op de volgende redengevende feiten en omstandigheden.
De verdachte was op meerdere momenten de bestuurder van de Peugeot. Hij is op 12 juli 2013, 16 december 2013 en 19 januari 2014 als bestuurder van de Peugeot door de politie staande gehouden. [30] Op 18 januari 2014 is een grijze Peugeot, type 508, met het kenteken
[kenteken] op camerabeelden van het benzinestation de Total in Amersfoort te zien. Uit onderzoek volgt dat slechts één kenteken past bij het deels zichtbare kenteken in combinatie met het type en de kleur van de personenauto, te weten [kenteken] . [31] Op de camerabeelden van het benzinestation is de bestuurder van de personenauto te zien. [32] De verdachte bekent dat hij op de camerabeelden van de Total te zien is. [33] De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte ook op 18 januari 2014 de bestuurder van de Peugeot is geweest. Ook op 19 januari 2014 omstreeks 00:30 uur is verdachte gezien op de bestuurdersplaats van de Peugeot. [34]
Voor de vaststelling dat de verdachte de gebruiker van de Peugeot was, acht de rechtbank ook de volgende berichten van belang:
27 oktober 2015 [35]
Verzender
Ontvanger
Inhoud
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
Popo
(de rechtbank begrijpt: de politie [36] )zijn bij me zwager geweest over [bijnaam verdachte] , over die waggie
(de rechtbank begrijpt: de auto) [37] die [bijnaam verdachte] had en of ie hem kent en al
17 november 2015 [38]
Verzender
Ontvanger
Inhoud
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
K heb u toen ze bij hem zijn geweest vertelt wat ie heeft gezegd over die auto. Hij heeft gezegd dat die auto van hem was. Hij heeft in [bijnaam verdachte] voordeel gepraat.
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
Ja k weet wat u bedoelt, hij heeft gezegd dat die auto van hem is. Hij moest zo we'll praten sir anders hadden ze hem klem gepraat. Hij heeft gezegd dat ie [bijnaam verdachte] nooit zag alleen met kinderfeestjes, want ze weten is auto van [bijnaam verdachte] . Maar kunnen ze niet bewijzen.
21 november 2015 [39]
Verzender
Ontvanger
Inhoud
[B] [medeverdachte 3]
[D] [E]
Verder over die auto: momenteel ziet hij geen gevaar, ze willen die auto linken aan [bijnaam verdachte] maar zoals het er uit ziet is dat nog lastig omdat zwager heeft gezegt is mijn auto ik leen m uit aan iedereen. Als hij had gezegd ik heb hem aan [bijnaam verdachte] uitgeleend dan zou het er anders uit zien, ik zei mij zwager wist niet dat de auto van [bijnaam verdachte] was die hij op naam had dus dat is voordeel!
In deze berichten wordt meerdere malen gesproken over de auto/waggie van ‘ [bijnaam verdachte] ’/’ [bijnaam verdachte] . Zoals hiervoor overwogen is ‘ [bijnaam verdachte] ’ de bijnaam van de verdachte. In deze berichten wordt dus over een auto en over de verdachte gesproken.
Voor de interpretatie van de berichten is van belang dat de Peugeot in de periode van 19 april 2013 tot en met 21 februari 2014 op naam van [F] stond. [40] Dit is de zwager van de verdachte. [41] Op 27 oktober 2015 is [F] door de politie gehoord over het gebruik van de Peugeot. [42] Op dezelfde dag stuurt [medeverdachte 3] een bericht naar [E] over dat de politie bij zijn zwager is geweest over de waggie van [bijnaam verdachte] . Evident is dan ook dat over de Peugeot wordt gesproken, die (blijkens de berichtgeving) van de verdachte is.
Verder weegt mee dat in de periode van 19 december 2013 tot 14 april 2014 de meeste registraties van de Peugeot in [woonplaats] zijn geweest, terwijl [F] woonachtig is in [woonplaats] . [43] Daarbij heeft de Peugeot op verschillende dagen zowel startregistraties en eindregistraties in [woonplaats] [44] , hetgeen past bij dat de verblijfplaats van de gebruiker van de Peugeot in [woonplaats] is. Uit de verklaring van de verdachte op de zitting volgt dat zijn vaste verblijfplaats in voornoemde periode op de [adres] in [woonplaats] was. [45]
Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat op 22 februari 2014 in de administratie van de criminele organisatie een betaling aan [bijnaam verdachte] (de verdachte) te zien is met als omschrijving ‘waggie’, en dat de Peugeot een dag daarvoor, op 21 februari 2014, op naam van een andere persoon is overgeschreven, en dus is verkocht. [46]
De verdachte verklaart op de zitting de Peugeot in de tenlastegelegde periode gebruikt te hebben, maar geeft aan niet de enige gebruiker te zijn geweest. De verdediging voert aan dat de mogelijkheid bestaat dat anderen, naast de verdachte, ook in de ten laste gelegde periode gebruik hebben gemaakt van de Peugeot. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker van de Peugeot is geweest, en dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Peugeot in die periode ook door anderen werd gebruikt. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte in de tenlastegelegde periode de enige gebruiker van de Peugeot was. De verdediging heeft in zijn algemeenheid gesteld dat ook anderen de Peugeot gebruikt kunnen hebben, maar heeft deze enkele stelling niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. De rechtbank verwerpt daarom dat verweer.
3.3.2.2. Observaties van [slachtoffer 3] en voorverkenningen

11.tot en met 19 februari 2014: TomTom, baken [IMEI-nummer 1] en bakentelefoon [IMEI-nummer 2]

De rechtbank stelt hieronder vast dat de verdachte, samen met anderen, in de periode van 11 tot en met 19 februari 2014 bij de voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] betrokken is geweest. Deze observaties en voorverkenningen hebben bestaan uit het (digitaal en fysiek) observeren van [slachtoffer 3] , het verrichten van voorverkenningen bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] en het verkennen van de vluchtroute vanaf de locatie waar [slachtoffer 3] is neergeschoten (zijn woonadres) naar de locatie waar de vluchtscooter in brand is gestoken (het Potterbos). De rechtbank komt tot deze conclusie op basis van technische gegevens van bakenapparatuur en een TomTom, die in onderstaande paragrafen (met bijbehorende tussenconclusies) worden besproken.
Observaties met de bakenapparatuur (bakentelefoon [IMEI-nummer 2] en baken [IMEI-nummer 1] )
In de periode van 11 februari 2014 tot en met 19 februari 2014 correspondeert baken [IMEI-nummer 1] met bakentelefoon [IMEI-nummer 2] . [47]
In de nacht van 11 februari 2014 gebruiken zowel bakentelefoon [IMEI-nummer 2] als het baken [IMEI-nummer 1] zendmasten op de route naar [woonplaats] , de woonplaats van [slachtoffer 3] . Zo stralen de bakentelefoon en het baken om 00:58 uur aan bij Werkendam. [48] Om 01:45 uur straalt de bakentelefoon aan in de omgeving van Bergen op Zoom en om 01:47 uur ook het baken. [49]
Van 01:50 uur tot 02:04 uur gebruiken het baken en de bakentelefoon allebei zendmasten in Steenbergen. [50] Hierna gebruiken de bakentelefoon en het baken zendmasten op verschillende plaatsen. Zo straalt het baken om 02:20 uur en 02:50 uur (nog steeds) in Steenbergen aan, terwijl de bakentelefoon om 02:28 uur in Zevenbergen en om 02:57 in Meerkerk aanstraalt. [51]
Het telefoonnummer van [slachtoffer 3] is [telefoon slachtoffer 3] (hierna: het telefoonnummer van [slachtoffer 3] ). [52] Vanaf 09:15 uur blijkt dat het telefoonnummer van [slachtoffer 3] en het baken zendmasten in dezelfde omgeving van elkaar gebruiken. [53] Zo straalt om 09:15 uur het telefoonnummer van [slachtoffer 3] uit in Halsteren en het baken in Lepelstraat. Lepelstraat is een dorp dat direct grenst aan Halsteren. Om 10:58 uur gebruiken zowel het baken als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Bergen op Zoom. [54] Om 12:07 uur stralen het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] allebei weer aan in Steenbergen. [55] Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat in de nacht van 11 februari 2014 een baken onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst en de volgende ochtend dus onder de auto van [slachtoffer 3] zat.
In de opvolgende dagen is te zien dat baken [IMEI-nummer 1] en de telefoon van [slachtoffer 3] ook op overeenkomende tijdstippen in dezelfde steden of dorpen aanstralen. Zo gebruiken op 12 februari 2014 zowel de telefoon van [slachtoffer 3] als het baken rond 07:00 uur zendmasten in Steenbergen. [56] De telefoon van [slachtoffer 3] straalt vervolgens om 11:28 uur aan bij Lepelstraat en het baken om 11:29 uur ook. Om 11:48 uur en om 11:49 uur gebruiken (respectievelijk) de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken weer een zendmast in Steenbergen. [57]
Ook in de ochtend van 13 februari 2014 stralen zowel de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken aan in Steenbergen. [58] De telefoon van [slachtoffer 3] gebruikt om 12:03 uur een zendmast in Barendrecht en het baken om 12:06 uur ook. Om 14:46 uur en om 14:47 uur stralen (respectievelijk) de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken allebei aan bij Willemstad. [59] Het baken gebruikt om 15:53 uur een zendmast in Steenbergen en de telefoon van [slachtoffer 3] om 15:58 uur. Dit is ook het geval op 14 februari 2014, waarbij de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken (respectievelijk) om 10:28 uur en om 10:31 uur een zendmast in Steenbergen aanstralen. [60]
Op 15 februari 2014 stralen de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken om 11:23 uur aan in Rotterdam. Het baken gebruikt om 13:29 uur een zendmast bij Barendrecht en de telefoon van [slachtoffer 3] om 13:30 uur. [61] Ook in de nacht van 16 februari 2014 (rond 00:30 uur) stralen het baken en de telefoon van [slachtoffer 3] op dezelfde locatie aan, te weten in Steenbergen. [62]
Op 17 februari 2014 stralen de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken om 9:39 uur en om 11:24 uur allebei in Steenbergen aan. [63] Dit is ook het geval op 18 februari 2014. Dan gebruiken het baken en de telefoon van [slachtoffer 3] allebei om 10:15 uur en (respectievelijk) om 17:02 uur en 17:04 uur zendmasten in Steenbergen. [64]
Op 19 februari 2014 om 00:30 uur en 00:31 uur maken de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken (respectievelijk) gebruik van een zendmast aan de [straat] in [woonplaats] . Op dat moment zijn het baken en de telefoon van [slachtoffer 3] dus (nog steeds) in dezelfde omgeving van elkaar. Het baken blijft tot 02:18 uur gebruik maken van de voornoemde zendmast. Vanaf 02:01 uur tot 02:18 uur maakt ook de bakentelefoon gebruik van deze zendmast. Vervolgens heeft het baken om 02:18 uur zijn laatste registratie. [65] Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat op dit moment het baken onder de auto van [slachtoffer 3] is verwijderd en uit gezet.
Tussenconclusie
Op 11 februari 2014 is het baken onder de auto van [slachtoffer 3] geplaatst en op 19 februari 2014 weer verwijderd. Van 11 tot en met 19 februari 2014 is
met behulp van het baken informatie verkregen over de dagelijkse patronen en (regelmatige) verblijfplaatsen van [slachtoffer 3] .
Voorverkenningen met de TomTom
12 februari 2014
Voorverkenningen werkadressen [slachtoffer 3]
In de TomTom staan als recente bestemmingen de [adres] in [plaats] en de [adres] in [plaats] opgeslagen. [66] Het kantoor van [slachtoffer 3] is gevestigd op het adres de [adres] in [plaats] . [67] [straat] is een zijstraat van de [straat] . Op 12 februari 2014 rijdt de TomTom door [straat] in [plaats] , en daarmee ook langs het kantoor van [slachtoffer 3] . [68]
De politie relateert dat de TomTom op 12 februari 2014 ook langs de [bedrijf 1] is gereden. [69] [slachtoffer 3] is de eigenaar van de [bedrijf 1] . [70] Het adres van de [bedrijf 1] is [adres] in [plaats] en bevindt zich volgens de politie op hetzelfde industrieterrein als het kantoor van [slachtoffer 3] . [71] Uit de triploggegevens volgt dat de TomTom over de [straat] is gereden om vervolgens rechtsaf te slaan naar de [straat] . [72] Uit de afbeelding in het dossier [73] leidt de rechtbank af dat de [straat] op een gegeven moment splitst in twee andere straten, de [straat] en de [straat] . Daarbij is de [straat] de doorgaande weg en de weg naar rechts de [straat] . Dit maakt dat de rechtbank ook tot de conclusie komt dat op 12 februari 2014 met de TomTom langs de [bedrijf 1] is gereden.
Voorverkenningen van de vluchtroute
In de TomTom staat ook als recente bestemming de Moerstraatsebaan in Moerstraten opgeslagen. [74] Tussen de Moerstraatsebaan en Luienhoekweg ligt het Potterbos, waar op de dag van de moord op [slachtoffer 3] een uitgebrande scooter is aangetroffen. [75]
Meerdere getuigen verklaren dat de schutter na de moord op [slachtoffer 3] op een scooter is weggereden. Zo verklaart een buurtbewoonster dat zij op de dag van de moord een man op een scooter in de brandgang voor haar woning zag zitten. Omstreeks 9:50 uur stapte de man van de scooter, haalde een pistool uit zijn zak en liep in de richting van de auto van [slachtoffer 3] . De getuige hoorde vervolgens vier of vijf schoten en zag de man op een scooter wegrijden. [76] Om 10:18 uur meldt een getuige een verdachte situatie bij het Potterbos en omstreeks 10:25 uur belt deze getuige (opnieuw) naar de politie om te melden dat er een scooter die in brand staat in het Potterbos in Moerstraten. [77] De politie gaat ervan uit dat de uitgebrande scooter de vluchtscooter van de schutter van de moord op [slachtoffer 3] is geweest.
De politie heeft daarom de mogelijke route(s) van de locatie waar [slachtoffer 3] is neergeschoten (
zijn woonadres) naar de locatie waar de (vlucht)scooter in brand is gestoken (
het Potterbos)onderzocht. De politie beschrijft dat er twee routes zijn vanaf het woonadres van [slachtoffer 3] naar het Pottersbos: een korte route en een langere route, waarbij de meest logische route de korte route zou zijn. De korte route bedraagt 12 minuten en loopt vanaf het Potterbos via de [straat] in Moerstraten naar Steenbergen. De langere route bedraagt 14 minuten en loopt (parallel) langs de A4 in de richting van Steenbergen. [78]
De politie relateert dat de gereden routes van de TomTom op 12 februari 2014 (deels) overeenkomen met deze twee routes. [79] Zo is de TomTom op de A4 bij de afslag Bergen op Zoom Noord, in de richting van Steenbergen, aangezet. De TomTom verplaatst zich over de Moerstraatsebaan, waar gekeerd wordt, en de TomTom verplaatst zich vervolgens parallel aan de A4 (
de rechtbank begrijpt: de langere route). Hierna keert de TomTom opnieuw en wordt tot aan de Moerstraatsebaan dezelfde weg terug gevolgd. De TomTom verplaatst zich vervolgens over de Moerstraatsebaan in de richting van Moerstraten, waarbij de TomTom langs het Potterbos beweegt. [80] Hierna verplaatst de TomTom zich vanaf de [straat] door de plaats Moerstraten in de richting van Steenbergen
(de rechtbank begrijpt: de korte route). [81] Vervolgens rijdt de TomTom, zoals hierboven beschreven, langs voornoemde werkadressen van [slachtoffer 3] .
Tussenconclusie
Voornoemde feiten, in samenhang bezien, maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de uitgebrande scooter, die op de dag van de moord op [slachtoffer 3] in het Potterbos is aangetroffen, de vluchtscooter van de schutter is geweest. Daarmee heeft de gebruiker van de TomTom op 12 februari 2014 niet alleen voorverkenningen verricht bij de werkadressen van [slachtoffer 3] , maar ook mogelijke vluchtroutes van Steenbergen naar het Potterbos verkend.
19 februari 2014
De telefoon van [slachtoffer 3] gebruikt op deze dag alleen zendmasten in Steenbergen. [82]
Uit de triploggegevens volgt dat de TomTom zich om 10:30 uur in de [straat] in [plaats] bevindt. [83] Vanaf 10:40 uur bevindt de TomTom zich ter hoogte van de [straat] in [plaats] . [84] [slachtoffer 3] woonde op de [adres] in [woonplaats] . Vervolgens verplaatst de TomTom zich naar de kruising van de [straat] met [straat] in [plaats] . [85] Zoals hiervoor vermeld, is het kantoorpand van [slachtoffer 3] op de [adres] gevestigd.
De TomTom bevindt zich op 19 februari 2014 vier uur lang in de omgeving van het kantoorpand van [slachtoffer 3] . In die tijd rijdt de TomTom meerdere malen langs het kantoorpand en meerdere rondjes in de omgeving van het kantoorpand. Zo staat de TomTom van 10:46 uur tot en met 11:20 uur stil op de kruising van de [straat] met [straat] , waarna de TomTom om 11:21 uur voor de eerste keer door [straat] rijdt. [86] Hierna rijdt de TomTom rondjes in de omgeving van [straat] . [87] Van 11:30 uur tot 11:55 uur stopt de TomTom opnieuw op de [straat] . Vervolgens rijdt de TomTom weer een rondje in de omgeving, waarna hij weer op de [straat] stilstaat. [88] Om 12:19 uur rijdt de TomTom opnieuw door [straat] . Hierna staat de TomTom tot 13:15 uur weer stil op de [straat] . De TomTom rijdt voor de derde keer door [straat] en stopt vervolgens op de kruising van de [straat] met [straat] . Hier staat de TomTom tot 14:21 uur stil. [89] Vervolgens rijdt de TomTom weer rondom [straat] , waarna hij voor de vierde keer door [straat] rijdt. Van 14:32 uur tot 15:05 uur staat de TomTom weer stil op de [straat] . [90]
De TomTom verplaatst zich vervolgens in de richting van de [straat] in [woonplaats] . Zo rijdt de TomTom om 15:10 uur over de [straat] . [91] De [straat] is een zijstraat van de [straat] . [92] Om 15:13 uur rijdt de TomTom [woonplaats] uit en om 15:18 uur rijdt de TomTom over de [straat] richting Moerstraten. De politie relateert dat de TomTom hierbij vlak langs het Potterbos rijdt. [93]
Tussenconclusie
Op 19 februari 2014 bevindt de TomTom zich urenlang in de omgeving van het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] . Vervolgens wordt over de [straat] in Moerstraten gereden, vlak langs het Pottersbos. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de gebruiker van de TomTom niet alleen voorverkenningen bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] heeft verricht, maar ook mogelijke vluchtroutes van [woonplaats] naar het Potterbos heeft verkend.
De gebruiker(s) van de bakenapparatuur en de TomTom
In de voorgaande paragraaf heeft de rechtbank vastgesteld dat observaties en verkenningen zijn verricht met behulp van bakenapparatuur en een TomTom. De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is wie de gebruiker(s) van de bakenapparatuur en/of de TomTom is/zijn geweest in de periode van 11 februari 2014 tot en met 19 februari 2014.
De standpunten
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden dat de verdachte in deze periode de gebruiker van de bakenapparatuur en de TomTom is geweest. Daarbij voert het Openbaar Ministerie aan dat de registraties van de technische hulpmiddelen overeenkomen met de registraties van de Peugeot. De verdachte is de gebruiker van de Peugeot, waardoor hij – gelet op deze overeenkomende registraties – ook de gebruiker van de bakentelefoon en de TomTom moet zijn geweest.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat de Peugeot, de TomTom en de bakentelefoon door eenzelfde persoon gebruikt werden. Zo zijn er meerdere momenten, waarop de registraties van de technische hulpmiddelen niet overeenkomen met de registraties van de Peugeot, en daarmee niet in gebruik van dezelfde perso(o)n(en) kunnen zijn. Over de momenten dat de registraties wel overeenkomen, merkt de verdediging op dat deze registraties geen verband houden met de voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] . Het is daarom mogelijk dat de registraties toevalligerwijs overeenkomen, terwijl de Peugeot en de technische hulpmiddelen niet in handen van dezelfde persoon zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt hieronder tot de vaststelling dat de registraties van de bakentelefoon en/of de TomTom op 11, 12, 17 en 18 februari 2014 overeenkomen met de registraties van de Peugeot. Deze registraties komen op meerdere dagen en op meerdere momenten met elkaar overeen, waarbij de overeenkomende registraties ook in onderlinge samenhang met elkaar moeten worden bezien. Dit maakt dat, anders dan de verdediging stelt, geen sprake (meer) kan zijn van toevallige overeenkomstige registraties tussen de technische hulpmiddelen en de Peugeot. Daarbij weegt ook mee dat er op deze dagen (telkens) geen registraties zijn die uitsluiten dat de Peugeot, de bakentelefoon en/of de TomTom door eenzelfde persoon zijn gebruikt. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de Peugeot, de bakentelefoon en/of de TomTom op deze dagen door eenzelfde persoon zijn gebruikt. Het klopt dat verkregen locatiegegevens van de Peugeot niet precies overeen komen met locatiegegevens van bakentelefoons. Dat is ook niet mogelijk, omdat de locaties van bakentelefoons alleen globaal bepaald kunnen worden aan de hand van mastgegevens én de bluetooth-kastjes die de aanwezigheid van de Peugeot registreren beperkt aanwezig waren. Het totale beeld dat de technische gegevens schetsen past echter volledig bij de Peugeot die meerdere keren vertrekt bij de woning van de verdachte en een bakentelefoon die ook op dat moment daar vertrekt. Gelet op de veelheid van momenten is de kans op toeval verwaarloosbaar klein en daarmee een onvoldoende aannemelijk scenario. Gelet op de eerdere vaststelling dat de verdachte in de tenlastegelegde periode de (vaste) gebruiker van de Peugeot is geweest, komt de rechtbank ook tot de conclusie dat de verdachte op 11, 12, 17 en 18 februari 2014 de gebruiker van de bakentelefoon en/of de TomTom is geweest.
Naast de overeenkomende registraties van de Peugeot, de TomTom en de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] , zijn er meer aanwijzingen dat de verdachte de gebruiker van bakentelefoon [IMEI-nummer 2] is geweest. Zo volgt uit de administratie van [medeverdachte 1] dat er op 18 februari 2014 een bedrag van 4.6d (de rechtbank begrijpt € 4.600) uitgaat aan [bijnaam verdachte] voor 2 PGP’s en een foto telf. [94] Volgens de politie worden hiermee PGP-telefoons en een telefoon bedoeld. [95] Uit zendmastgegevens blijkt dat de bakentelefoon op 18 februari 2014 een zendmast dichtbij het adres [adres] in [plaats] gebruikt. Op dit adres is [bedrijf 2] B.V. gevestigd. De bakentelefoon straalt in de relevante periode verder niet aan in Arnhem, de rechtbank ziet daarom een betekenisvol verband tussen de betaling aan [bijnaam verdachte] en de aanwezigheid van de bakentelefoon in Arnhem. Het is een feit van algemene bekendheid dat in spyshops PGP-telefoons te koop zijn. Uit het dossier volgt ook dat leden van de criminele organisatie, waaronder de verdachte, gebruik maakten van de diensten van de [bedrijf 2] . [96] Deze betaling aan de verdachte voor (PGP)telefoons, waarvan het aannemelijk is dat deze bij [bedrijf 2] worden verkocht, vormt, naast de overeenkomende registraties, een aanwijzing voor het bezit van de bakentelefoon van de verdachte op 18 februari 2014. Ook merkt de rechtbank in dit verband op dat, zoals uit onderzoek Brand zal blijken, de verdachte ook op dagen in januari 2014 als de gebruiker van deze bakentelefoon kan worden aangemerkt.
Locatiegegevens van de bakenapparatuur en de TomTom
11 februari 2014
Op 11 februari 2014 komen de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon en de registraties van de Peugeot op meerdere momenten met elkaar overeen. Zo straalt de bakentelefoon om 14:40 uur en om 14:55 uur aan in IJsselstein. Om 14:46 uur, 14:51 uur en om 14:59 uur heeft de Peugeot ook registraties in IJsselstein. [97] De bakentelefoon gebruikt om 17:44 uur een zendmast in Utrecht en de Peugeot wordt om 17:49 uur ook in Utrecht geregistreerd. [98] Om 20:14 uur heeft de Peugeot opnieuw een registratie in Utrecht en om 20:15 uur straalt ook de bakentelefoon in Utrecht aan. [99]
Om 21:48 uur start de triplog van de TomTom op de [straat] in [woonplaats] . De TomTom rijdt vervolgens via de [straat] naar de [straat] . De politie merkt op dat de [straat] (zeer) dicht in de buurt van de [adres] in [woonplaats] ligt, hetgeen destijds het verblijfadres van de verdachte was. [100]
In de avond komen de registraties van de TomTom en de Peugeot op twee momenten exact met elkaar overeen. Zo hebben de TomTom en de Peugeot allebei op de N210 bij IJsselstein om 22:11:30 uur, ter hoogte van hectometerpaal 46,4 en om 22:13:55 uur, ter hoogte van hectometerpaal 49,1 registraties. [101] Tien minuten later, komen de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon met elkaar overeen. Zo verplaatst de TomTom zich om 22:21 uur op de A12 bij De Meern. Op hetzelfde moment gebruikt bakentelefoon [IMEI-nummer 2] een zendmast in De Meern. Om 22:23 uur bevindt de TomTom zich op de A12 tussen Harmelen en Woerden. Op dat tijdstip gebruikt de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] een zendmast in Woerden. [102] De laatste registratie van de Peugeot is om 23:35 uur bij IJsselstein. [103]
Tussenconclusie
Gelet op de start van de TomTom vlakbij de woning van de verdachte en de
overeenkomende registraties van de TomTom, de Peugeot en de bakentelefoon, stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 11 februari 2014 de gebruiker van de bakentelefoon en TomTom is geweest. Aangezien het baken onder de auto van [slachtoffer 3] correspondeerde met de bakentelefoon, betekent dit dat de verdachte op 11 februari 2014 informatie van het baken over de verblijflocaties van [slachtoffer 3] heeft ontvangen.
12 februari 2014
Ook op deze dag is te zien dat zowel de registraties van de Peugeot als de bakentelefoon én de registraties van de TomTom en de bakentelefoon met elkaar overeenkomen, waaruit geconcludeerd kan worden dat de Peugeot, de bakentelefoon en de TomTom in gebruik waren bij eenzelfde persoon. Dit blijkt uit de volgende technische gegevens.
Gedurende de middag komen de registraties van de bakentelefoon en de Peugeot met elkaar overeen. Zo gebruikt de bakentelefoon om 11:49 uur en 11:51 uur zendmasten in IJsselstein, en wordt de Peugeot om 12:00 uur en 12:03 uur ook in IJsselstein geregistreerd. Om 13:12 uur en 13:40 uur heeft de Peugeot opnieuw registraties in IJsselstein. De bakentelefoon straalt om 13:29 uur ook aan in IJsselstein. Vervolgens wordt de Peugeot om 13:55 uur weer geregistreerd in IJsselstein en maakt de bakentelefoon om 13:59 uur ook gebruik van een zendmast in IJsselstein. [104]
Om 14:28 uur wordt de Peugeot geregistreerd op de N210 in IJsselstein, ter hoogte van hectometerpaal 49.1. [105] Om 14:29 uur maakt de bakentelefoon verbinding met een zendmast in Nieuwegein. [106] Uit de visuele weergave van de VID-kastjes in het dossier [107] , leidt de rechtbank af dat het VID-kastje langs de N210 in IJsselstein, ter hoogte van hectometerpaal 49.1, zich nabij Nieuwegein bevindt. Vanaf 14:29 uur is te zien dat de bakentelefoon zich in de richting van Bergen op Zoom verplaatst. [108] De Peugeot heeft tot 17:38 uur geen registraties. [109]
Vervolgens is te zien dat de bakentelefoon en de TomTom op overeenkomstige momenten in Bergen op Zoom zijn, waarna zij beide naar Steenbergen verplaatsen. De bakentelefoon gebruikt om 15:19 uur zendmasten in Bergen op Zoom, en de TomTom is vanaf 15:20 uur in Bergen op Zoom. Hierna bevinden zowel de bakentelefoon als de TomTom zich (afwisselend) in Bergen op Zoom en Halsteren. [110] Vervolgens verplaatsen zowel de TomTom als de bakentelefoon naar Steenbergen. De TomTom bevindt zich tussen 15:41 uur en 15:47 uur in Steenbergen. De bakentelefoon gebruikt om 15:55 uur een zendmast in Steenbergen. [111] Zoals hierboven uitgewerkt, wordt de TomTom deze dag gebruikt om (mogelijke) vluchtroutes te verkennen en voorverkenningen bij de werkadressen van [slachtoffer 3] te verrichten. Doordat de TomTom hierna wordt uitgezet, zijn er geen registraties meer van de TomTom op deze dag. [112] Om 17:38 uur en 17:41 uur heeft de Peugeot weer registraties in IJsselstein. Enkele minuten hierna (om 17:49 uur) gebruikt ook de bakentelefoon weer een zendmast in IJsselstein. Om 19:13 uur straalt de bakentelefoon weer een zendmast in IJsselstein aan en om 19:20 uur wordt de Peugeot ook weer in IJsselstein geregistreerd. De Peugeot en de bakentelefoon hebben (respectievelijk) om 19:48 uur en 19:49 uur opnieuw registraties in IJsselstein. [113]
Tussenconclusie
De registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon komen op deze dag op meerdere momenten met elkaar overeen. Opvallend daarbij is dat zowel de laatste registratie voor het vertrek uit IJsselstein, als de eerste registratie bij de terugkomst in IJsselstein, overeenkomen met de registraties van de Peugeot. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte op 12 februari 2014 ook de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.
Ook de locatiegegevens van de bakentelefoon en de TomTom komen met elkaar overeen, wat erop wijst dat de gebruiker van de bakentelefoon (de verdachte) op deze dag ook de gebruiker van de TomTom is geweest. Eerder is vastgesteld dat de TomTom op 12 februari 2014 gebruikt is bij het verrichten van voorverkenningen en het verkennen van de vluchtroute. Dit maakt dat de verdachte op 12 februari 2014 niet alleen informatie van het baken over de dagelijkse routine en (regelmatige) verblijflocaties van [slachtoffer 3] heeft ontvangen, maar ook voorverkenningen heeft verricht en de vluchtroute heeft verkend.
17 februari 2014
Ook op 17 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon met elkaar overeen. Zo wordt de Peugeot om 09:34 uur in IJsselstein geregistreerd en gebruikt de bakentelefoon om 09:36 uur ook een zendmast in IJsselstein. De bakentelefoon en de Peugeot hebben (respectievelijk) om 10:27 uur en 10:28 uur registraties in IJsselstein. [114] Om 10:34 uur hebben zowel de bakentelefoon als de Peugeot registraties in Benschop. [115]
Vanaf 15:25 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. De bakentelefoon maakt op dat moment gebruik van een zendmast, die de telefoon van [slachtoffer 3] en het baken (respectievelijk) om 14:27 uur en 15:30 uur ook gebruiken. [116] Om 16:38 uur gebruikt het baken een zendmast in een ander deel van Steenbergen. Deze zendmast wordt even later ook door de bakentelefoon (om 16:46 uur) en de telefoon van [slachtoffer 3] (om 17:07 uur) gebruikt.
Om 18:59 uur gebruiken de bakentelefoon en het baken verschillende zendmasten. Zo straalt de bakentelefoon in Utrecht aan, terwijl het baken op dat moment nog in Steenbergen is. [117]
Tussenconclusie
Gelet op de overeenkomende registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte op 17 februari 2014 ook de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.
Gedurende ongeveer anderhalf uur straalt de bakentelefoon in Steenbergen dezelfde zendmasten aan als het baken en [slachtoffer 3] , hetgeen past bij fysieke observatie van [slachtoffer 3] . Daarmee heeft de verdachte op 17 februari 2014 niet alleen informatie van het baken ontvangen, maar ook [slachtoffer 3] fysiek geobserveerd.
18 februari 2014
Ook op 18 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon op meerdere momenten overeen. Zo maakt de bakentelefoon om 16:09 uur gebruik van een zendmast in Utrecht en wordt de Peugeot om 16:16 uur ook in Utrecht geregistreerd. Om 17:02 uur straalt de bakentelefoon aan in Nieuwegein. Dit is nabij IJsselstein. Een minuut later (om 17:03 uur) wordt de Peugeot in IJsselstein geregistreerd. Om 18:58 uur wordt de Peugeot bij het verkeersplein richting Nieuwegein en Utrecht (wijk Lunetten) geregistreerd. Om 19:02 uur gebruikt de bakentelefoon een zendmast in Utrecht Lunetten. [118] De politie merkt op dat dit vlakbij de plek is waar de Peugeot vier minuten eerder werd geregistreerd. [119]
Van 20:32 uur tot 21:02 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. [120] De telefoon van [slachtoffer 3] gebruikt de gehele dag ook zendmasten in Steenbergen. [121]
Vanaf 21:02 uur gebruikt de bakentelefoon weer zendmasten langs de route van Steenbergen naar IJsselstein. Zo straalt de bakentelefoon aan in Roosendaal, Rotterdam en Gouda. Om 23:02 uur gebruikt de bakentelefoon weer een zendmast in IJsselstein, op datzelfde moment wordt de Peugeot ook in IJsselstein geregistreerd. [122]
Tussenconclusie
De registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon komen op deze dag op meerdere momenten met elkaar overeen. Opvallend daarbij is dat zowel de laatste registratie voor het vertrek uit IJsselstein, als de eerste registratie bij de terugkomst in IJsselstein, overeenkomen met de registraties van de Peugeot. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de verdachte op 18 februari 2014 ook de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.
Gedurende een halfuur lang straalt de bakentelefoon in Steenbergen uit, terwijl [slachtoffer 3] zich deze (gehele) dag ook in Steenbergen bevindt. Dit past zowel bij het verrichten van voorverkenningen als het fysiek observeren van [slachtoffer 3] . Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte (als bezitter van de bakentelefoon) op 18 februari 2014 niet alleen informatie over [slachtoffer 3] van het baken heeft ontvangen, maar daarnaast ook voorverkenningen heeft verricht dan wel [slachtoffer 3] fysiek heeft geobserveerd.
19 februari 2014
Op 19 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot niet overeen met de bakentelefoon en de TomTom, waardoor deze niet in gebruik bij dezelfde persoon kunnen zijn.
Zo worden (zoals hierboven vastgesteld) met de TomTom van 10:30 uur tot 15:18 uur voorverkenningen verricht bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] in [plaats] . De Peugeot heeft om 14:26 uur een registratie in IJsselstein, om 15:20 uur bij Kerk-Avezaath en vanaf 15:40 uur weer in IJsselstein. [123]
Ook op het moment dat het baken onder de auto van [slachtoffer 3] wordt verwijderd, kan niet worden vastgesteld dat dit door de gebruiker van de Peugeot (en dus de verdachte) is gebeurd. Zo gebruikt de bakentelefoon vanaf 00:21 uur zendmasten van IJsselstein naar Steenbergen. [124] De Peugeot had geen registraties rond dit tijdstip of in het uur daaraan voorafgaand [125] , zodat niet gesteld kan worden dat de bakentelefoon en de Peugeot door eenzelfde persoon worden gebruikt.
Tussenconclusie
Op 19 februari 2014 komen de registraties van de Peugeot, de bakentelefoon en de TomTom niet met elkaar overeen. Nu er geen (andere) aanwijzingen zijn dat de verdachte op deze dag de gebruiker van de bakentelefoon of de TomTom is geweest, komt de rechtbank tot de conclusie dat (een) ander(en) dan de verdachte op 19 februari 2014 gebruiker(s) van de bakentelefoon én de TomTom is/zijn geweest.
In de periode 6 en 7 januari 2014: bakentelefoon [IMEI-nummer 4] en baken [IMEI-nummer 5]
De rechtbank stelt hieronder vast dat [slachtoffer 3] ook op 6 en 7 januari 2014 is geobserveerd. Doordat de Peugeot op de relevante momenten op deze dagen geen registraties heeft en op deze dagen geen andere leden uit de criminele organisatie in beeld komen, kan niet worden vastgesteld welk lid van de criminele organisatie op 6 en 7 januari 2014 de gebruiker van de bakenapparatuur is geweest. Wel acht de rechtbank deze dagen van belang, omdat de bakenapparatuur evident gebruikt is bij de observaties van [slachtoffer 3] en de voorverkenningen in Steenbergen voorafgaand aan het schietincident op 11 januari 2014. Deze apparatuur is eveneens gebruikt dan wel (indirect) te linken (zie paragraaf 3.1) aan gebruikte bakenapparatuur bij de moord op [slachtoffer 3] en onderzoek Brand. De rechtbank komt tot deze conclusie op basis van technische gegevens van bakenapparatuur, die in onderstaande paragrafen (met bijbehorende tussenconclusies) worden besproken.
6 januari 2014: plaatsing van het baken en digitale observatie [slachtoffer 3]
Vanaf 01:04 uur gebruiken zowel baken [IMEI-nummer 5] als bakentelefoon [IMEI-nummer 4] op dezelfde tijdstippen overeenkomende zendmasten langs de route naar Steenbergen. Zo stralen de bakentelefoon en het baken allebei om 01:04 uur aan bij Bosschenhoofd en om 01:17 uur bij Bergen op Zoom. Van 01:27 uur tot 01:47 uur gebruiken zowel het baken als de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. In de ochtend gebruiken de bakentelefoon en het baken zendmasten op verschillende plaatsen. Zo maakt het baken om 10:46 uur (nog steeds) gebruik van een zendmast in Steenbergen, terwijl de bakentelefoon om 11:07 uur een zendmast in Utrecht gebruikt. [126]
Vanaf 12:02 uur is te zien dat het baken [IMEI-nummer 11] en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] op (ongeveer) dezelfde tijdstippen aanstralen in overeenkomende plaatsen. Zo stralen het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] (respectievelijk) om 12:02 uur en 12:03 uur aan in Willemstad. Om 12:25 uur gebruiken zowel het baken als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Barendrecht. [127] Het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] stralen (respectievelijk) om 15:07 uur en 15:08 uur weer aan in Steenbergen. [128] Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat in de nacht van 6 januari 2014 een baken onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst, waarna met behulp van het baken informatie is verkregen over de dagelijkse routine en (regelmatige) verblijfadressen van [slachtoffer 3] .
7 januari 2014: digitale observatie [slachtoffer 3] en voorverkenningen in Steenbergen
Ook op 7 januari 2014 is te zien dat het telefoonnummer van [slachtoffer 3] en baken [IMEI-nummer 11] op dezelfde tijdstippen aanstralen in dezelfde steden/dorpen. Zo gebruiken om 09:43 uur zowel het baken als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Steenbergen. [129] Het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] stralen vervolgens allebei op hetzelfde tijdstip (om 10:48 uur) aan in Heinenoord. [130] Om 13:53 uur stralen het baken en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] beide aan in Rotterdam. [131] Dit maakt dat rechtbank ervan uitgaat dat het baken op 7 januari 2014 zich nog onder de auto van [slachtoffer 3] bevond.
Van 14:45 uur tot 14:57 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen. De bakentelefoon verplaatst zich vervolgens naar Roosendaal. Van 16:03 uur tot 16:18 uur maakt de bakentelefoon opnieuw gebruik van zendmasten in Steenbergen. De bakentelefoon verplaatst zich weer naar Roosendaal, om vervolgens om 19:20 uur weer terug in Steenbergen te komen. Van 19:20 uur tot 19:28 uur gebruikt de bakentelefoon zendmasten in Steenbergen, waar het baken ook gebruik van maakt. [132] Het telefoonnummer van [slachtoffer 3] straalt rond dit tijdstip (19:41 uur) ook aan in Steenbergen. [133]
Tussenconclusie
De gebruiker van de bakentelefoon heeft op 7 januari 2014 met behulp van het baken informatie verkregen over de dagelijkse routine en (regelmatige) verblijfadressen van [slachtoffer 3] . Daarnaast is te zien dat de bakentelefoon in de middag meerdere malen in Steenbergen komt, wat erop wijst dat de gebruiker van de bakentelefoon voorverkenningen in de Steenbergen heeft verricht.

19.tot en met 23 december 2013: observaties met bakentelefoon [IMEI-nummer 6]

Dat de verdachte ook een bijdrage heeft geleverd aan de observaties van [slachtoffer 3] en voorverkenningen in Steenbergen voorafgaand aan het geweldsfeit op 11 januari 2014, blijkt uit het gebruik van bakenapparatuur op 21 en 22 december 2013.
De rechtbank komt hieronder tot de vaststelling dat [slachtoffer 3] in de periode van 19 tot en met 22 december 2013 met behulp van bakenapparatuur is geobserveerd. Bij deze observaties is gebruik gemaakt van een bakenset met bakentelefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer 6] (hierna: bakentelefoon [IMEI-nummer 6] ), een baken met IMEI-nummer [IMEI-nummer 7] (hierna: baken [IMEI-nummer 7] ) en een onbekend baken (waarin simkaart [IMEI-nummer 8] (hierna: [IMEI-nummer 8] ) zat). [134] Dit blijkt uit de volgende technische gegevens.
19 december 2013: activatie van baken [IMEI-nummer 7] en bakentelefoon [IMEI-nummer 6]
Op 19 december 2013 worden bakentelefoon [IMEI-nummer 6] en het baken [IMEI-nummer 7] (respectievelijk) om 13:17 uur en 13:50 uur geactiveerd in Utrecht. Om 14:20 uur stralen de bakentelefoon en het baken allebei aan in Utrecht. De bakentelefoon en het baken verplaatsen vervolgens beide naar Nieuwegein, waar zij gelijktijdig dezelfde zendmast aanstralen. Zo gebruikt de bakentelefoon tussen 15:01 uur tot en met 15:28 uur de zendmast aan de Rembrandthage in Nieuwegein Noord, en het baken van 15:02 uur tot en met 15:25 uur. [135]
Ook later op dag gebruiken de bakentelefoon en het baken zendmasten in dezelfde steden. Zo stralen de bakentelefoon en het baken om 17:12 uur aan in Abcoude en rond 17:30 uur en 18:11 uur aan in Amsterdam. [136]
De registraties van de Peugeot passen op deze dag niet bij de registraties van het baken en de bakentelefoon. Zo heeft de Peugeot om 11:16, 13:42 en 13:44 uur registraties in Kerk-Avezaath en Tiel, en om 15:04, 15:07, 15:16 en 15:19 uur in IJsselstein. [137] De Peugeot heeft vanaf 17:25 uur meerdere registraties in IJsselstein, terwijl de bakentelefoon en het baken vanaf (ongeveer) 17:30 uur tot 00:12 uur zendmasten in Amsterdam gebruiken. [138]
Tussenconclusie
Gelet op de overeenkomende registraties van de bakentelefoon en het baken, gaat de rechtbank ervan uit dat de bakenapparatuur in bezit van dezelfde persoon waren op 19 december 2013. De bakentelefoon [IMEI-nummer 6] en het baken [IMEI-nummer 7] worden beide in Utrecht geactiveerd. Enkele minuten voor de activatie van het baken, was de Peugeot (nog) in Tiel. Dit maakt dat het een ander dan de verdachte het baken moet hebben geactiveerd. Ook de daaropvolgende registraties van de gebruikte zendmasten van de bakenapparatuur en de Peugeot passen niet bij gebruik door eenzelfde persoon, waardoor een ander dan verdachte die dag de gebruiker van de bakenapparatuur moet zijn geweest.
20 december 2013: plaatsing baken en voorverkenningen / observatie van [slachtoffer 3]
In de nacht van 20 december 2013 gebruikt de bakentelefoon van 04:06 uur tot 04:36 uur zendmasten in Steenbergen, de woonplaats van [slachtoffer 3] . [139] Deze dag ontvangt en stuurt de bakentelefoon 324 sms-berichten van en naar het telefoonnummer [IMEI-nummer 8] (hierna: [IMEI-nummer 8] ). De politie relateert dat een grote hoeveelheid sms-berichten kenmerkend is bij het gebruik van een baken. [140]
Vanaf 10:36 uur gebruikt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten langs de route naar Rotterdam. [141] Te zien is dat de bakentelefoon deze dag steeds zendmasten in dezelfde plaatsen als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] gebruikt, echter steeds met enige vertraging. Zo maakt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] om 10:35 uur gebruik van een zendmast in Dinteloord, en de bakentelefoon om 11:20 uur. Om 11:20 uur straalt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] aan in Willemstad, de bakentelefoon straalt daar om 12:58 uur aan. [142] Om 13:52 uur straalt het telefoonnummer van [slachtoffer 3] bij Barendrecht aan en de bakentelefoon om 14:23 uur. [143] Om 15:58 uur gebruiken zowel de bakentelefoon als het telefoonnummer van [slachtoffer 3] zendmasten in Rotterdam. [144] Hierna komen de registraties van de bakentelefoon en het telefoonnummer van [slachtoffer 3] niet meer overeen.
De registraties van de Peugeot en de bakentelefoon komen deze dag niet met elkaar overeen. Zo heeft de Peugeot om 11:32 uur en 11:34 uur registraties in de omgeving van Tiel, terwijl de bakentelefoon (zoals hierboven weergegeven) zich om 11:20 uur in Dinteloord bevindt. [145]
Tussenconclusie
Op 20 december 2013 bevindt de bakentelefoon zich steeds (met enige vertraging) op locaties waar [slachtoffer 3] zich even daarvoor bevond. Deze vertraging wijst erop dat de gebruiker van de bakentelefoon over de locatiegegevens van [slachtoffer 3] beschikte, zoals in de situatie waarbij er een baken onder zijn voertuig is geplaatst. Ook de grote hoeveelheid sms-berichten die van en naar de bakentelefoon worden gestuurd en het feit dat [slachtoffer 3] in januari en februari 2014 met behulp van bakenapparatuur is geobserveerd passen bij de plaatsing van een baken onder zijn voertuig. Nu de gebruiker van de bakentelefoon in de vroege ochtend naar [plaats] is gereisd, gaat de rechtbank ervan uit dat op dat moment een (onbekend) baken onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst. Met behulp van dit baken heeft de gebruiker van de bakentelefoon op 20 december 2013 [slachtoffer 3] (fysiek) geobserveerd en voorverkenningen verricht op locaties waar [slachtoffer 3] kwam.
De registraties van de Peugeot en de gebruikte zendmasten van de bakentelefoon in de ochtend van 20 december 2013 passen niet bij het gebruik door eenzelfde persoon. Nu er geen (andere) aanwijzingen zijn dat de verdachte op deze dag de gebruiker van de bakentelefoon is geweest, komt de rechtbank tot de conclusie dat (een) ander(en) dan de verdachte op 20 december 2013 de gebruiker(s) van de bakentelefoon is/zijn geweest.
21 en 22 december 2013
De rechtbank stelt hieronder vast dat de verdachte op deze dagen de gebruiker van de bakentelefoon is geweest. Nu de feiten, in onderlinge samenhang, met elkaar moeten worden bezien, zal na de bespreking van beide dagen één (tussen)conclusie getrokken.
21 december 2013
Op 21 december 2013 communiceert de bakentelefoon met baken [IMEI-nummer 7] . Om 03:40 uur, om 23:41 uur en om 23:47 uur gebruikt het baken zendmasten in Oud-Gastel, een dorpje op ongeveer 10 kilometer afstand van [woonplaats] . [146] In het baken komt het adres [adres] in [woonplaats] meerdere malen voor. [147] Dit adres is zeer dichtbij het woonadres van [slachtoffer 3] , de [adres] in [woonplaats] . Gelet op de omstandigheid dat het baken zendmasten in de omgeving van [woonplaats] gebruikt en een adres in de directe omgeving van het woonadres van [slachtoffer 3] meerdere malen in het baken staat opgeslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat baken [IMEI-nummer 7] op 21 december 2013 onder de auto van [slachtoffer 3] zat.
In het baken zit op dat moment een simkaart met het telefoonnummer [IMEI-nummer 9] (hierna: [IMEI-nummer 9] ). De simkaart van [IMEI-nummer 9] is op 15 juli 2015 op de [adres] in [woonplaats] aangetroffen. [148] De ex-vrouw en de kinderen van de verdachte stonden vanaf 3 februari 2015 op dit adres ingeschreven en de verdachte is op 15 juli 2015 in deze woning aangehouden. [149] Bovendien blijkt uit onderzoek 26Koper dat [verdachte] in 2015 veelvuldig verbleef op de [adres] in [woonplaats] . [150] Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat dit een (regelmatig) verblijfadres van de verdachte was. De rechtbank ziet het aantreffen van de simkaart, in onderlinge samenhang bezien met de navolgende feiten, als een aanwijzing voor de betrokkenheid van de verdachte bij de observaties van [slachtoffer 3] .
Daarnaast wordt door de politie gerelateerd dat uit de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon blijkt dat deze beide in de nacht van 20 op 21 december 2013 actief waren en zich van IJsselstein naar Tiel en vervolgens (in de richting van) Steenbergen verplaatsten. Zo wordt de Peugeot om 01:15 uur geregistreerd bij de oprit van de A2 in IJsselstein. [151] De bakentelefoon straalt om 01:51 uur ook in IJsselstein aan. Om 03:33 uur gebruikt de bakentelefoon een zendmast in Tiel. [152] De Peugeot wordt om 04:49 uur ook in Tiel geregistreerd en om 05:47 uur in Kerk-Avezaath, nabij Tiel. [153] Om 06:49 uur straalt de bakentelefoon aan in Steenbergen. [154] Om 07:23 uur wordt de Peugeot geregistreerd in Breda en vanaf 07:57 uur heeft de Peugeot gedurende de dag meerdere registraties in IJsselstein. [155] Vanaf 13:50 uur maakt de bakentelefoon gebruik van een zendmast in IJsselstein. [156]
22 december 2013
Op 22 december 2013 ontvangt de bakentelefoon tussen 16:53 uur en 17:43 uur opnieuw meerdere sms-berichten van telefoonnummer [IMEI-nummer 8] . [157] De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat deze simkaart in het onbekende baken zat, dat op 20 december 2013 onder de auto van [slachtoffer 3] is geplaatst. Nu er geen aanwijzingen zijn dat het onbekende baken (in de tussentijd) is verwijderd, gaat de rechtbank ervan uit dat het baken tot en met 22 december 2013 nog onder de auto van [slachtoffer 3] zat.
De bakentelefoon maakt de hele dag gebruik van de zendmast aan de [straat] in IJsselstein. [158] Deze zendmast ligt nabij het verblijfadres van de verdachte, de [adres] in [woonplaats] . [159]
Tussenconclusie
De overeenkomende reisbewegingen van de Peugeot en de bakentelefoon wijzen er, net als in februari 2014 op, dat de Peugeot en de bakentelefoon op 21 december 2013 door eenzelfde persoon worden gebruikt. Ook zijn er (opnieuw) geen registraties die het gebruik van de Peugeot en de bakentelefoon door eenzelfde persoon uitsluiten. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om in de tijd die tussen de registraties van de Peugeot en de bakentelefoon zit van Kerk-Avezaath naar Steenbergen en vervolgens naar Breda te rijden. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat er ook andere aanwijzingen zijn voor het gebruik van de bakentelefoon door verdachte. Zo is de simkaart [IMEI-nummer 9] , die deze nacht in baken [IMEI-nummer 7] zat en communiceerde met de bakentelefoon, op het regelmatige verblijfadres van de verdachte in [woonplaats] aangetroffen. Eén dag later, op 22 december 2013, gebruikt de bakentelefoon de gehele dag een zendmast nabij het verblijfadres van de verdachte in IJsselstein. Deze feiten, in samenhang bezien, maken dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte op 21 december 2013 en 22 december 2013 de gebruiker van de bakentelefoon is geweest.
Gelet op de rol die de verdachte bij de observaties van [slachtoffer 3] in februari 2014 heeft gehad, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte in de nacht van 21 december 2013 in Steenbergen was om inlichtingen over (de verblijfplaats van) [slachtoffer 3] te verkrijgen. Ook heeft de verdachte als gebruiker van de bakentelefoon op 21 december 2013 en 22 december 2013 informatie over de dagelijkse routine en verblijflocaties van [slachtoffer 3] van baken [IMEI-nummer 7] en het (onbekende) baken ontvangen.
Eindconclusie over de observaties en voorverkenningen
In de periodes van 19 december 2013 tot en met 22 december 2013, 6 en 7 januari 2014 en 11 tot en met 19 februari 2014 hebben (digitale en fysieke) observaties van [slachtoffer 3] en voorverkenningen bij het woonadres en de werkadressen van [slachtoffer 3] plaatsgevonden.
De verdachte is op 21 en 22 december 2013 en 11, 12, 17 en 18 februari 2014 betrokken geweest bij de observaties van [slachtoffer 3] . Hierbij was de verdachte telkens de gebruiker van de bakentelefoon, die correspondeerde met het baken dat onder de auto van [slachtoffer 3] geplaatst was. De verdachte ontving daarbij informatie over de dagelijkse patronen en (regelmatige) verblijflocaties van [slachtoffer 3] . Daarnaast was de verdachte op 21 december 2013 en 12, 17 en 18 februari 2014 betrokken bij voorverkenningen in Steenbergen en/of het verkennen van mogelijke vluchtroutes. In ieder geval op 20 december 2013 en op 19 februari 2014 is/zijn (een) ander(en) dan de verdachte betrokken geweest bij de voorverkenningen en observaties van [slachtoffer 3] .
3.3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.3.1.Vrijspraak poging moord (feit 3, primair en subsidiair)
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat op 11 januari 2014 is geprobeerd om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Dat slechts éénmaal door de schutter is geschoten, en dat [slachtoffer 3] daarbij enkel in zijn been is geraakt, doet daar wat het Openbaar Ministerie betreft niet aan af. De schutter heeft namelijk in een dynamische situatie geschoten, waardoor hij het risico heeft genomen dat de kogel in een vitaal onderdeel van het lichaam van [slachtoffer 3] terecht had kunnen komen. De schutter had dan ook (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 3] volgens het Openbaar Ministerie.
De rechtbank volgt het standpunt van het Openbaar Ministerie niet en is – in lijn met het standpunt van de verdediging – van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de schutter op 11 januari 2014 tot doel had om [slachtoffer 3] dood te schieten. Uit het dossier blijkt dat de schutter éénmaal op [slachtoffer 3] heeft geschoten. Dit terwijl de schutter, zoals [slachtoffer 3] zelf ook heeft verklaard, alle mogelijkheid had om hem dood te schieten. De schutter stond namelijk op korte afstand van [slachtoffer 3] , terwijl [slachtoffer 3] , doordat hij struikelde, (op enig moment) weerloos op de grond lag. Het slechts éénmaal schieten op [slachtoffer 3] , waarbij hij enkel in zijn been is geraakt, past naar de uiterlijke verschijningsvorm niet bij een liquidatie in het drugsmilieu. Zo blijkt uit onderzoek Lucifer dat bij andere liquidaties (waaronder de latere liquidatie op [slachtoffer 3] ) slachtoffers met meerdere schoten om het werden leven gebracht en niets aan het toeval werd overgelaten. Naar uiterlijke verschijningsvorm valt dit feit aan te merken als een waarschuwing voor [slachtoffer 3] , zoals ook door [slachtoffer 3] zelf is verklaard. Die waarschuwing zou zinledig worden als het schot tot de dood had geleid. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de schutter [slachtoffer 3] bewust niet heeft willen doden. Van (voorwaardelijk) opzet is dus geen sprake.
Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat niet bewezen kan worden dat de schutter (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer 3] had. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen van en de medeplichtigheid aan de poging tot moord op [slachtoffer 3]
(feit 3, primair en subsidiair).
Het schieten op [slachtoffer 3] , en hem daarbij in zijn been raken, levert wel een poging tot zware mishandeling op.
3.3.3.2.Medeplegen of medeplichtigheid?
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de rol van de verdachte bij de voorbereiding en de totstandkoming van de geweldsfeiten van zodanig gewicht is geweest dat hij als medepleger moet worden beschouwd. Volgens het Openbaar Ministerie heeft de verdachte niet alleen voorverkenningen verricht en observaties uitgevoerd, maar hierbij ook een leidende/coördinerende rol gehad. Daarbij regelde hij de TomTom, de bakenapparatuur en wapens, en stuurde hij anderen uit de criminele organisatie aan. Het Openbaar Ministerie ziet de verdachte daarom als een moordmakelaar en meewerkend voorman, en niet enkel als een spotter, waardoor het handelen van de verdachte (veel) verder gaat dan medeplichtigheid.
Het standpunt van de verdediging
Volgens de verdediging is geen bewijs dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de uitvoering van de geweldsfeiten op [slachtoffer 3] . Van een grote of zelfs doorslaggevende rol in de totstandkoming van de delicten dan wel de afwikkeling daarvan, ter compensatie van zijn afwezigheid bij de uitvoering, is ook niet gebleken. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het medeplegen van de geweldsfeiten op [slachtoffer 3] .
Het oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat de criminele organisatie, waar de verdachte eind 2013 en begin 2014 onderdeel van uitmaakte, verantwoordelijk is voor de schietincidenten op [slachtoffer 3] . Door het observeren van [slachtoffer 3] en verrichten van voorverkenningen heeft de verdachte met anderen informatie verkregen over de dagelijkse routine en de (regelmatige) verblijfplaatsen van [slachtoffer 3] en mogelijke vluchtroutes vanaf de woning van [slachtoffer 3] . Deze verkregen informatie moet, anders dan de verdediging stelt, ook verstrekt zijn aan (een) derde(n), mogelijk de schutter(s). Zo zijn op 12 en op 19 februari 2014 vluchtroutes verkend vanaf (de omgeving van het) het woonadres van [slachtoffer 3] (waar de schietincidenten plaatsgevonden) naar het Potterbos (de locatie waar de vluchtscooter na de moord op [slachtoffer 3] in [straat] is gestoken), die daadwerkelijk door de schutter is gebruikt. Daarnaast is niet goed denkbaar dat de verdachte en mededaders de uitgebreide voorverkenningen verrichten zonder vervolgens iets te doen met de verkregen informatie. Het kan daarom niet anders dan dat de verschafte informatie (uiteindelijk) bij de schutter terecht is gekomen.
Dat de verdachte, naast de voornoemde rol in de voorbereiding, ook een rol bij de uitvoering van de geweldsfeiten op [slachtoffer 3] zou hebben gehad, blijkt niet uit het dossier. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de rol van de verdachte in de voorbereiding van voldoende gewicht is geweest om hem desalniettemin als medepleger aan te merken, gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader.
Werkzaamheden van spotters voorafgaand aan een liquidatie worden in de praktijk niet zelden gekwalificeerd als medeplichtigheid aan moord. Afhankelijk van de intensiteit van de samenwerking met andere betrokkenen bij een uitgevoerde liquidatie kunnen de gedragingen van de verkenners/spotters medeplegen van, dan wel medeplichtigheid aan, de liquidatie opleveren. De voornoemde gedragingen (observeren en verrichten van voorverkenningen) betreffen in beginsel gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, te weten het verstrekken van inlichtingen.
Zoals eerder overwogen, kan (in zijn algemeenheid) niet vastgesteld worden dat de verdachte in (eind) 2013 en 2014 een leidende en coördinerende rol had binnen de criminele organisatie. Dat de verdachte bij de geweldsfeiten op [slachtoffer 3] een coördinerende rol had, waarbij hij andere leden uit de criminele organisatie aanstuurde, is evenmin gebleken. De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier niet is gebleken dat de verdachte de technische hulpmiddelen en de gebruikte vuurwapens heeft geregeld. Zo blijkt niet dat de verdachte de regelmatige gebruiker van de TomTom en de bakenapparatuur was of dat hij deze heeft aangeschaft. Ook staat vast dat deze technische hulpmiddelen door verschillende leden uit de criminele organisatie werden gebruikt. Nu er geen aanwijzingen zijn dat de technische hulpmiddelen aan een specifiek individu toebehoorden, gaat de rechtbank ervan uit dat deze van de criminele organisatie waren. Dat de verdachte, gelet op de betaling aan [bijnaam verdachte] voor strijkijzer (vuurwapens) in de periode voorafgaand aan de moord op [slachtoffer 3] , de bij de geweldsfeiten gebruikte vuurwapens zou hebben geregeld, is ook niet gebleken. Zo blijkt uit het dossier niet dat er enig verband bestaat tussen deze betalingen en de vuurwapens die bij de schietincidenten zijn gebruikt.
Nu niet gebleken is dat de verdachte andere of meer gedragingen heeft verricht, kan slechts vastgesteld worden dat de gedragingen van de verdachte hebben bestaan uit het observeren van [slachtoffer 3] en het verrichten van voorverkenningen. De rechtbank oordeelt dat deze bijdrage van de verdachte in de voorbereiding van onvoldoende gewicht is om hem als medepleger aan te merken. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het medeplegen van de poging tot zware mishandeling en de moord op [slachtoffer 3]
(feit 3, meer subsidiair, en feit 4, primair).
De verdachte heeft zich wel schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan de poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en de moord op [slachtoffer 3] door eerdergenoemde gedragingen te verrichten en daarmee inlichtingen te verschaffen.
Bewezenverklaring: medeplegen van de medeplichtigheid
Vastgesteld is dat de voorverkenningen en observaties niet enkel door de verdachte zijn verricht, maar ook door (onbekende) derde(n). De rechtbank gaat er, gelet op het gemeenschappelijke doel (het verschaffen van inlichtingen over [slachtoffer 3] ) en de gebruikte technische hulpmiddelen, vanuit dat dit (een van) de leden van de organisatie moet(en) zijn geweest. Dit maakt dat de rechtbank tot de conclusie komt dat de verdachte nauw en bewust met (een) (onbekende) ander(en) heeft samengewerkt bij het verschaffen van inlichtingen over [slachtoffer 3] .
Opzet en voorbedachten rade?
Voor opzet is vereist dat de verdachte wist dat de bedoeling van de observaties en het verstrekken van de inlichtingen was om [slachtoffer 3] te doden en dat de verdachte dat ook wilde (feit 4) en dat hij bewust het aanmerkelijke risico heeft aanvaard dat [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen (feit 3). Dat de verdachte dit opzet had, blijkt uit de aard van zijn bijdrage en het doel dat deze observaties en de voorverkenningen hadden. In het algemeen geldt dat met voorverkenningen en observaties zicht wordt verkregen op de bewegingen en routine van een beoogd slachtoffer, waarbij naar een geschikte locatie en een geschikt tijdstip voor een liquidatie wordt gezocht. Ook gelet op het lidmaatschap van de verdachte aan de criminele organisatie, die verantwoordelijk is voor de geweldsfeiten op [slachtoffer 3] , kan het niet anders dan dat de verdachte wist met welk doel de voorverkenningen plaatsvonden. Een andersluidende verklaring voor de door hem verrichte handelingen is door verdachte ook niet gegeven. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte zowel opzet had op zijn eigen gedragingen als op de poging tot zware mishandeling en de dood van [slachtoffer 3] . Uit de wijze waarop geweldsfeiten op [slachtoffer 3] zijn voorbereid en uitgevoerd, blijkt dat de dader(s) met voorbedachten rade heeft/hebben gehandeld.
3.3.3.3.Voorbereidingshandelingen (feit 5)
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verdachte in het kader van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 3] samen met anderen opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, die waren bestemd tot het begaan van moord.
Zoals benoemd, gaat het Openbaar Ministerie uit van een ruime interpretatie van het bestemmingsvereiste, in die zin dat elk voorwerp dat enige betekenis heeft voor de voorbereiding of uitvoering van het misdrijf hieronder valt.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet bewezen kan worden dat de bakensets, de Peugeot, de TomTom en de PGP-telefoons bestemd waren voor het plegen van de moord op [slachtoffer 3] . Te meer nu niet is vastgesteld dat deze bij de daadwerkelijke uitvoering van de liquidaties zijn gebruikt.
Het oordeel van de rechtbank
Zoals in paragraaf 2.2.3. uiteen is gezet, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen bestemd waren tot - met andere woorden: gebruikt zouden worden tijdens - het begaan van het grondfeit, te weten de moord op [slachtoffer 3] .
De rechtbank spreekt de verdachte vrij voor alle tenlastegelegde voorwerpen in relatie tot de moord op [slachtoffer 3] . De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De bakensets (peilbakens, telefoons en simkaarten die hiermee corresponderen), de Peugeot en de TomTom
Vaststaat dat de bakensets, de Peugeot en de TomTom een rol hebben gespeeld bij de observaties van [slachtoffer 3] en de voorverkenningen in Steenbergen en Moerstraten. Dat deze voorwerpen gebruikt (zouden) zijn of worden bij de uitvoering van de moord blijkt echter niet uit het dossier. Zo zijn er op de dag van de liquidatie geen gegevens bekend over enige activiteit van bakensets, de Peugeot en de TomTom. Hoewel deze middelen wel gebruikt zijn ten behoeve van de voorbereiding van de moord (het verschaffen van inlichtingen), en op zich ook gebruikt zouden kunnen worden bij een moord, blijkt niet dat deze gebruikt (zouden) zijn bij het daadwerkelijk begaan (dus de uitvoering) van de moord of dat die intentie heeft bestaan, zodat niet aan het (subjectieve) bestemmingsvereiste is voldaan. Daar komt bij dat de Peugeot ten tijde van de moord al niet meer in het bezit was van de verdachte, maar was verkocht.
Kort voor de poging tot zware mishandeling was er wel een bakenset actief in de omgeving van de woning van [slachtoffer 3] , waar het feit ook heeft plaatsgevonden. Uit de tekst van de tenlastelegging en uit het requisitoir blijkt echter dat niet bedoeld is om deze bakenset in dit verband ten laste te leggen.
PGP-telefoons
Aannemende dat de criminele organisatie en de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode beschikten over PGP-telefoons, maakt dat nog niet dat deze als voorbereidingsmiddel kunnen worden aangemerkt. Anders dan het Openbaar Ministerie stelt, is ook van deze voorwerpen niet gebleken dat deze enige rol (zouden) hebben bij de uitvoering van de liquidatie, zodat ook hierbij niet aan het bestemmingsvereiste is voldaan.
Vuurwapen
Het vuurwapen dat bij de moord op [slachtoffer 3] is gebruikt, is niet gevonden, en daarmee ook niet onderzocht. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte op enig moment over het gebruikte vuurwapen heeft beschikt. De rechtbank overweegt dat de enkele vaststelling dat de verdachte zich blijkens de administratie bezighield met vuurwapens, onvoldoende is om te concluderen dat hij de beschikkingsmacht heeft gehad over het vuurwapen dat bij de moord is gebruikt. Het is zeer wel denkbaar dat de schutter op andere wijze dan via de verdachte aan het gebruikte vuurwapen is gekomen. Nergens blijkt uit dat het de bedoeling is geweest dat de verdachte het te gebruiken vuurwapen zou leveren.
3.4.
Onderzoek Brand en Hendrick (feit 1 en feit 2)
3.4.1.
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat feit 1, primair (medeplegen van de moord van [slachtoffer 4] ) en feit 2 (medeplegen van de voorbereidingshandelingen op de moord van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] ) bewezen kunnen worden verklaard.
De verdediging verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte bij deze feiten betrokken is geweest.
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – in onderstaande paragrafen besproken.
3.4.2.
Vaststelling feiten en omstandigheden
3.4.2.1. De moorden op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]
20 januari 2014 (onderzoek Brand)
In de avond van 20 januari 2014 is door getuige [getuige 1] gezien dat [slachtoffer 4] door twee personen, beiden gebruikmakend van een vuurwapen, op de parkeerplaats bij de sportschool [sportschool] , gelegen aan [adres] in [plaats] , is beschoten. [160] Als de politie, na melding te hebben gekregen van het schietincident, ter plaatse komt, verneemt zij van de verpleegkundige dat [slachtoffer 4] geen hartslag meer heeft. Om 22:25 uur wordt vastgesteld dat [slachtoffer 4] is overleden. [161] Na onderzoek aan zijn lichaam, stelt het NFI vast dat [slachtoffer 4] is overleden aan de gevolgen van meerdere schotverwondingen in de borstkas en de buik. [162] Het onderzoek naar het gewelddadig overlijden van [slachtoffer 4] kreeg de naam Brand.
1 december 2014 (onderzoek Hendrick)
Op 1 december 2014 hoort een getuige omstreeks 02:35 uur meerdere schoten op de Hendrick de Keyserlaan in Amersfoort. De getuige is naar buiten gegaan en treft een stilliggende man in een voertuig aan. De getuige ziet gaten in de voorruit van het voertuig en voelt vervolgens of de man een hartslag heeft. Dit blijkt niet het geval. De getuige doet melding en als de politie ter plaatste komt, wordt de man ambtshalve herkend als zijnde [slachtoffer 5] . Uit het onderzoek van het NFI aan het lichaam van [slachtoffer 5] blijkt dat zijn dood is ingetreden ten gevolge van meerdere schotverwondingen. Zowel het gezicht als de romp en buik van [slachtoffer 5] zijn geraakt. Het onderzoek naar het gewelddadig overlijden van [slachtoffer 5] kreeg de naam Hendrick.
3.4.2.2. De opbouw van de bewijswaardering op grond van onderzoek Brand
De rechtbank zal allereerst ingaan op de betrokkenheid van de criminele organisatie bij de feitelijke uitvoering van de moord op [slachtoffer 4] . Zij zal (vervolgens) chronologisch stilstaan bij het verloop van het gebeurde én de redengevende feiten en omstandigheden op basis van het dossier vaststellen, om vervolgens (telkens) in een tussenoverweging en -conclusie in te gaan op de betrokkenheid van de verdachte en/of medeverdachten. Ten slotte zal de rechtbank overwegingen wijden aan de vermeende deelnemingsvormen die de verdachte worden verweten en concluderen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 4] (feit 1, subsidiair), als ook dat hij deze moord samen met anderen heeft voorbereid (feit 2). De rechtbank zal de verdachte gedeeltelijk vrijspreken van feit 2, aangezien zij (het medeplegen van) de voorbereiding op de moord op [slachtoffer 5] niet bewezen acht.
3.4.2.3. Betrokkenheid criminele organisatie bij de feitelijke uitvoering van de moord
Zoals eerder in paragraaf 3.1 in dit vonnis is overwogen, oordeelt de rechtbank dat de criminele organisatie uit 26Koper betrokken is geweest bij de liquidaties op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Dit blijkt (onder andere) uit de opgenomen betalingen in de administratie van [medeverdachte 1] - in samenhang bezien - met de actieve bakenapparatuur, die overeenkomsten kent met de bakenapparatuur gebruikt ter observatie van [slachtoffer 3] (zoals baken [IMEI-nummer 4] en bakentelefoon [IMEI-nummer 2] ) en dezelfde gebruikte TomTom.
Dat de criminele organisatie betrokken is geweest bij de feitelijke uitvoering van de liquidatie op [slachtoffer 4] blijkt daarnaast uit onderstaande bevindingen dat de organisatie heeft beschikt over gestolen kentekenplaten en kogelpatronen die gebruikt zijn bij de moord.
De vluchtauto en vluchtroute
Kort na het schietincident op [slachtoffer 4] op 20 januari 2014 neemt [getuige 1] (gebruikmakend van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer getuige 1] ) om 22:20 uur telefonisch contact op met de politie en vertelt getuige te zijn geweest van het voorval. [163] [getuige 1] had die avond bij [sportschool] een afspraak met [slachtoffer 4] om cocaïne van hem af te nemen. Aangekomen bij [sportschool] belt [getuige 1] [slachtoffer 4] dat hij ter plaatse is. [164] Uit de historische verkeersgegevens blijkt dat dit telefoongesprek tussen [getuige 1] en [slachtoffer 4] om 22:06 uur heeft plaatsgevonden. [165] [slachtoffer 4] is daarna naar buiten gelopen en beschoten. [166]
Getuige [getuige 2] loopt diezelfde avond iets na 22:00 uur, samen met getuige [getuige 3] , over de parkeerplaats bij [sportschool] als hij knallen hoort. Hij ziet vervolgens twee figuren over de parkeerplaats rennen en in een zwarte auto springen. Volgens [getuige 2] is dit een BMW 5 of 7 serie. [167] [getuige 3] heeft het (ook) over een donkere BMW Sedan, type 5. [168] [getuige 2] verklaart dat het voertuig hard wegrijdt en de Rondweg Oost oprijdt, waarbij rode stoplichten worden genegeerd. Als de getuige zelf op de Rondweg Oost rijdt, ziet hij het voertuig (al), in tegemoetkomende richting, ‘woest hard’ op de Rijksweg A1 naar Hoevelaken rijden. [169]
Om 22:14 krijgt de politie een melding binnen van een brand op de [adres] in [plaats] . [170] Ter plaatse treft de politie een donkere BMW, type 5, uitgebrand aan. [171]
Tijdens het opsporingsonderzoek en het onderzoek ter terechtzitting is de vraag gerezen of de weggereden BMW van de plaats delict, dezelfde BMW is die is aangetroffen op de [straat] . De politie heeft onderzoek gedaan naar de snelste route van de parkeerplaats van [straat] in Amersfoort naar de [straat] in Leusden. Het betreft een route via de A1 en A28 van ongeveer 8,79 kilometer, waarbij het grootste gedeelte van de route snelweg of een meerbaansweg is. De politie relateert dat de route, gereden met de maximum geldende snelheid, 9 minuten bedraagt. [172]
Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
Het Openbaar Ministerie stelt zich, mede op basis van voornoemde bevindingen, op het standpunt dat de in brand gestoken BMW in Leusden het vluchtvoertuig is. Volgens de verdediging geeft het beschikbare tijdspad tussen de liquidatie en de melding van de brand , in combinatie met het ontbreken van geconstateerde verhoogde snelheden op de A1 kort na 22:00 uur, daar te weinig bevestiging voor.
Tussenconclusie
Tussen het telefoongesprek van [slachtoffer 4] en [getuige 1] van 22:06 uur en de eerste melding van de brand op de [straat] zitten 8 minuten. De rechtbank concludeert dat het in dit gegeven tijdsbestek en onder voornoemde omstandigheden, mede in acht genomen dat [slachtoffer 4] kort na het telefoongesprek naar buiten is gelopen, mogelijk is geweest met de vluchtauto naar Leusden te rijden (via de snelste route) en deze in de brand te steken. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat het vluchtvoertuig fors harder heeft gereden dan de maximale snelheid, dat een (groot) gedeelte van de route, zoals de politie relateert, bestaat uit snelweg en het geen spitsuur was.
Dat uit de verrichte snelheidsanalyse geen zichtbaar algemeen patroon van een (gemiddeld) hoge gereden snelheid op de A1 naar voren komt, zoals aangevoerd, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Op grond van de snelheidsanalyse kunnen geen aannames worden gedaan over gereden snelheden van individuele voertuigen. Slechts de gemiddelde snelheid van (vermoedelijk meerdere) gepasseerde voertuigen wordt weergegeven. Het ontbreken van een patroon, zo ook kort na 22:00 uur, sluit niet uit dat een voertuig met een hogere snelheid op dat moment op de snelweg heeft gereden.
Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het vluchtvoertuig niet de uitgebrande BMW kan zijn of dat hier gerede twijfel over kan zijn. Gelet op de overeenkomsten tussen de door getuigen beschreven vluchtauto en de aangetroffen uitgebrande auto, het gegeven dat vluchtauto’s na gebruik in brand plegen te worden gestoken, dat niet gebleken is dat die avond meer auto’s zijn uitgebrand en de locatie van de aangetroffen auto, stelt de rechtbank vast dat hier om dezelfde auto gaat.
Gestolen kentekenplaten van de vluchtauto
Bovengenoemde vaststelling is van belang in verband met de bevindingen rond de aangetroffen kentekenplaten op de in de brand gestoken BMW in Leusden, hierna: de vluchtauto. Het kenteken op de platen van de vluchtauto betreft [kenteken] . [173] De politie heeft onderzoek gedaan naar dit kenteken en gebleken is dat het toebehoorde aan een BMW geregistreerd in [plaats] . In [plaats] ziet de politie vervolgens ter plaatse een BMW, voorzien van twee kentekenplaten met het nummer [kenteken] , geparkeerd staan. [174] De eigenaar van de BMW verklaart dat het voertuig en de kentekenplaten niet gestolen zijn geweest. [175]
Nader onderzoek naar de kentekenplaten van de vluchtauto bevestigt dat deze niet aan het voertuig toebehoren. Op de kentekenplaten treft de politie namelijk een code aan beginnend met de cijferreeks [code] . Op 29 april 2006 zijn er vanuit een vrachtauto op een parkeerplaats in de Meern 1500 blanco kentekenplaten ontvreemd van firma [bedrijf 3] . Op de kentekenplaten van [bedrijf 3] zijn destijds unieke laminaatcodes aangebracht, die starten met voornoemde cijferreeks [code] . Omdat op de kentekenplaten van de vluchtauto een dergelijke laminaatcode is aangetroffen, relateert de politie dat deze van voornoemde ontvreemde partij afkomstig zijn, en dus vals zijn. [176]
Doorzoeking [straat]
Op 7 augustus 2014 wordt de woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] doorzocht. Dit betreft volgens de gemeentelijke basisadministratie het verblijfadres van (onder andere) [medeverdachte 3] [177] , die, zoals hieronder zal blijken, betrokken is bij de verrichtte voorverkenningen in onderzoek Brand. [medeverdachte 3] is de broer van [G] , de ex-vrouw van de verdachte.
Tijdens de doorzoeking werden in de woning twee tassen met in totaal 32 blanco kentekenplaten aangetroffen. [178] Deze kentekenplaten zijn alle voorzien van laminaatcodes die beginnen met voornoemde unieke cijferreeks [code] en zijn dus afkomstig uit voornoemde gestolen partij. [179]
DNA-onderzoek naar de hulzen gevonden op plaats delict
Op de parkeerplaats bij [sportschool] zijn rondom het lichaam van [slachtoffer 4] meerdere hulzen aangetroffen. [180] Een aantal hulzen zijn in 2023 (nader) door het NFI onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat op twee hulzen, met het SIN-nummer AAFK2264NL en AAFK2265, DNA is aangetroffen van minimaal één man, welke overeenkomt met het DNA van de verdachte. Deze DNA-matches hebben respectievelijk een matchkans van 1 op 1 miljoen en 1 op 340 duizend. [181]
Eindconclusie betrokkenheid criminele organisatie bij feitelijke uitvoering van de moord op [slachtoffer 4]
De rechtbank concludeert dat de criminele organisatie, waar de verdachte deel van uitmaakte, betrokken is geweest bij de feitelijke uitvoering van de moord. Naast de betalingen in de administratie van [medeverdachte 1] , in samenhang bezien - met de gebruikte bakenapparatuur, die overeenkomsten kent met de bakenapparatuur gebruikt ter observatie van [slachtoffer 3] en dezelfde gebruikte TomTom, is er DNA van de verdachte aangetroffen op de gebruikte hulzen en kan de gebruikte vluchtauto in verband worden gebracht met de criminele organisatie, omdat daar valse kentekenplaten op zaten waarover de organisatie beschikte. Hoewel goed mogelijk is dat ook anderen over een deel van de gestolen partij kentekenplaten beschikten, acht de rechtbank het, gelet op al het bewijs dat in de richting van deze criminele organisatie wijst tezamen genomen, uitgesloten dat anderen hebben beschikt over de vluchtauto en de daarop aangebrachte kentekenplaat.
3.4.2.4Voorverkenningen in januari 2014
Voorverkenningen gericht op zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 5]
Uit het navolgende blijkt dat in januari 2014 voorverkenningen in Amersfoort hebben plaatsgevonden. Het doel van een voorverkenning kan zijn het bekijken van de omgeving, het zicht proberen te krijgen op de aanwezigheid of de patronen van een beoogd slachtoffer en het ‘plakken’ van een baken.
In januari zijn (de omgeving van) plekken waar zowel [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] volgens (onder andere) getuigenverklaringen (vaak) kwamen, zoals coffeeshop [coffeeshop] (hierna: [coffeeshop] ) [182] , de [naam] (hierna: de [naam] ) [183] , de Sportschool [sportschool] [184] (waar [slachtoffer 4] uiteindelijk is doodgeschoten) en hun ouderlijke woningen tevens verblijfadressen, (meerdere malen) verkend. De woning van de ouders van [slachtoffer 4] is gelegen aan de [straat] in [woonplaats] en de woning van de ouders van [slachtoffer 5] aan de [straat] in [woonplaats] . [185] Daarnaast is ook gebleken dat [slachtoffer 5] in januari 2014 een dag gevolgd en geobserveerd is.
Uit het navolgende blijkt dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] bekenden waren van elkaar en contact hadden over criminele aangelegenheden.
Op 26 december 2013 heeft rond 00:00 uur een woninginbraak plaatsgevonden bij de ouderlijke woning van [slachtoffer 4] gelegen aan de [adres] in [woonplaats] . [186] Om 00:57 uur, kort na de inbraak, blijkt uit geïntercepteerde gesprekken dat [slachtoffer 5] wordt gebeld door ‘ [H] ’. [H] vertelt dat net bij hem, bij zijn moeder, is ingebroken. [slachtoffer 5] vraagt of alles weg is. [H] zegt dat hij dit niet weet, waarop [slachtoffer 5] hem opdracht geeft te gaan kijken en hem terug te bellen. [187] Uit de getuigenverklaringen van [getuige 4] , een kennis van [slachtoffer 4] , blijkt dat [getuige 4] in de nacht van de inbraak is gebeld door [slachtoffer 4] over een inbraak in de woning van zijn ouders. Op diens verzoek is [getuige 4] naar de woning gegaan waar hij uit de slaapkamer van [slachtoffer 4] een kluis met daarin, zoals [slachtoffer 4] aan hem heeft verteld, cocaïne en geld heeft moeten veiligstellen. [188] Om 01:35 uur vindt er opnieuw een telefoongesprek plaats tussen [slachtoffer 5] en [H] , waarin [H] aan [slachtoffer 5] doorgeeft dat er niets weg is. [189] Gelet hierop is het aannemelijk geworden dat de persoon die met ' [H] ’ wordt aangeduid [slachtoffer 4] betreft, dat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] elkaar kenden en dat zij (onder andere) contact hebben over cocaïne. De rechtbank wordt hierin gesterkt door getuigenverklaringen, die bevestigen dat [slachtoffer 4] dealde in verdovende middelen, en dat hij (ook) drugs voor [slachtoffer 5] heeft verkocht. [190] .
In het vervolg gaat de rechtbank in op voorbereidende handelingen, zoals observaties en voorverkenningen, die door de criminele organisatie zijn verricht in Amersfoort. Soms is daarbij duidelijk dat de handeling gericht was op [slachtoffer 5] , in een ander geval is duidelijk dat de handeling betrekking had op [slachtoffer 4] . In veel gevallen is niet duidelijk of de handeling was gericht op één van deze personen of op beiden. Het gaat dan bijvoorbeeld om verkenningen van plekken waar zowel [slachtoffer 5] als [slachtoffer 4] regelmatig kwamen. Wel staat vast dat uiteindelijk [slachtoffer 4] in januari 2014 is vermoord bij [straat] , een plek die veel terugkomt bij de hierna beschreven voorbereidende handelingen. De rechtbank heeft geen concrete aanleiding om te veronderstellen dat daar sprake is geweest van een vergismoord en het toen de bedoeling was om [slachtoffer 5] te doden. De activiteiten rond [straat] hebben daarom in ieder geval betekenis gehad voor de moord op [slachtoffer 4] . Omdat er daarnaast activiteiten zijn verricht die evident op [slachtoffer 5] zagen, en dus niet op [slachtoffer 4] , gaat de rechtbank ervan uit dat de organisatie toen ook al [slachtoffer 5] in het vizier had. Omdat [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] contacten met elkaar hadden over criminele activiteiten, gaat de rechtbank ervan uit dat beiden een gezamenlijk doelwit hebben gevormd voor de organisatie. Dat de organisatie zich op beide personen heeft gericht om redenen die niets met elkaar te maken hebben, is niet goed denkbaar. Daarom vindt de rechtbank handelingen die gericht waren op [slachtoffer 5] ook van betekenis voor de moord op [slachtoffer 4] en vice versa en zal hierna, daar waar niet duidelijk is op wie een handeling specifiek was gericht, geschreven worden dat die op beiden zag.
Telefoonnummers in gebruik bij medeverdachten
Gedurende onderzoek Lucifer is van een aantal telefoonnummers de historische verkeersgegevens opgevraagd. De politie heeft een aantal telefoonnummers aan medeverdachten toegeschreven. De rechtbank gaat op grond van de bewijsmiddelen en - mede nu hier geen discussie over is geweest op de zitting - uit van de juistheid van de toeschrijvingen, zoals gedaan door het onderzoeksteam.
[medeverdachte 3] maakte gebruik van de telefoonnummers eindigend op [telefoonnummer 1 C] en [telefoonnummer 2 C] (hierna: de telefoonnummer(s) van [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 2] maakte gebruik van het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer medeverdachte 2] (hierna: het telefoonnummer van [medeverdachte 2] ). [191]
Niet bekend is welk(e) telefoonnummer(s) ten tijde van de tenlastegelegde periode in gebruik was of waren bij de verdachte, zodat geen historische verkeersgegevens in relatie tot de verdachte bekend zijn.
14 januari 2014: baken [IMEI-nummer 10] en bakentelefoon [IMEI-nummer 4]
Op 14 januari 2014 zijn de bakentelefoon [IMEI-nummer 4] en het baken met IMEI [IMEI-nummer 10] (hierna: [IMEI-nummer 10] ) aan het einde van de middag en/of avond actief in Amersfoort. De bakentelefoon gebruikt vanaf 21:30 uur tot 21:59 uur zendmasten in Amersfoort, te weten de [adres] , de [adres] en het Sportpark de [adres] . Het baken straalt vanaf 18:07 uur tot 20:46 uur zendmasten in Amersfoort aan. Eerder deze dag, tot 09:00 ’s ochtends stuurt het baken berichten naar bakentelefoon [IMEI-nummer 2] . [192]
Tussenconclusie
De rechtbank ziet de aanwezigheid van de bakenapparatuur in Amersfoort, de omgeving waar [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] veelal verbleven, als een aanwijzing dat een voorverkenning is verricht door de criminele organisatie. Bakentelefoons [IMEI-nummer 4] en [IMEI-nummer 2] zijn door de organisatie ook gebruikt bij de voorbereiding van geweldsfeiten op [slachtoffer 3] .
15 januari 2014: baken [IMEI-nummer 3] , bakentelefoon [IMEI-nummer 4] en de TomTom
De TomTom, eveneens gebruikt ter observatie van [slachtoffer 3] , en voornoemde bakentelefoon [IMEI-nummer 4] zijn op 15 januari (opnieuw) actief.
Actieve bakenapparatuur en de TomTom
De rechtbank zal hieronder vaststellen dat met de TomTom, twee uur lang locaties (en de buurt daaromheen) zijn bezocht waar [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] in en rond de tenlastegelegde periode vaker kwamen, waaronder de parkeerplaats bij [sportschool] . De bakenapparatuur bevindt zich rond dezelfde tijdstippen in eenzelfde omgeving (het Soesterkwartier) als de TomTom. Ook hebben de bakenapparatuur en de TomTom omstreeks hetzelfde moment in dezelfde omgeving de laatste registraties. De rechtbank komt tot deze conclusie op basis van de volgende technische gegevens.
De triplog van de TomTom laat zien dat deze vanaf 15:21 uur naar Amersfoort verplaatst en om 15:51 uur aankomt op [straat] . Dit betreft de parkeerplaats van [sportschool] . De TomTom staat van 15:51 uur tot en met 15:55 uur (zo’n 4 minuten) op [straat] stil en rijdt om 15:56 uur weg, om vervolgens om 15:57 uur de parkeerplaats weer op te rijden. [193] Een minuut later, om 15:58 uur, verplaatst de TomTom zich vanaf [straat] naar de [straat] en de [straat] in Amersfoort. [194] De TomTom wordt dan uitgezet. [195]
De ouderlijke woning van [slachtoffer 5] ligt in de nabijheid van voornoemde straten. [196]
Vanaf 16:38 uur wordt de TomTom weer aangezet op de [straat] en deze verplaatst zich opnieuw richting de parkeerplaats [straat] . [197] Vanaf 16:45 uur tot en met 16:56 uur staat de TomTom voor de deur van [sportschool] stil. [198] Via (opnieuw) de [straat] en de [straat] , gaat de TomTom tussen 16:57 uur en 17:11 uur naar het centrum van Amersfoort. [199] Tussen 17:08 uur en 17:11 uur bevindt de TomTom zich op de [straat] in Amersfoort ter hoogte van het perceel [perceel] . Hier bevond zich toentertijd de coffeeshop [coffeeshop] . [200]
Baken [IMEI-nummer 3] en bakentelefoon [IMEI-nummer 4] worden aan het einde van de middag om 17:44 uur (weer) actief in Amersfoort. Het baken en de bakentelefoon stralen vanaf dat moment tussen 17:44 uur en 19:45 uur soortgelijke zendmasten aan, zoals de zendmasten gelegen aan de [adres] , de [adres] en [adres] . Laatstgenoemden liggen binnen het Soesterkwartier, in de buurt van [coffeeshop] . [201]
De Tomtom bevindt zich tussen 17:57 uur tot en met 19:43 uur ook in het Soesterkwartier, (veelal) op de Noordewierweg. Op de [adres] is de [naam] gevestigd. [202] In totaal passeert de TomTom negen keer de [naam] . [203] Om 17:56 uur komt de TomTom het Soesterkwartier ingereden en passeert om 17:58 uur voor de eerste keer de [naam] . De Tomtom keert om en komt om 17:59 uur opnieuw langs de [naam] , waarna deze om 18:00 uur een minuut in de buurt (op de Leliestraat) stilstaat. Vervolgens rijdt de TomTom om 18:01 uur en 18:04 uur, met een korte tussenstop, langs de [naam] . Om 18:05 uur stopt de TomTom (opnieuw) op de Leliestraat, rijdt een rondje, en staat hier tot 18:24 uur stil. Daarna rijdt de TomTom om 18:25 uur en 18:31 uur, opnieuw met een korte tussenstop (nabij de Noordewierweg), langs de [naam] . [204] Om 18:31 uur rijdt de TomTom, de [naam] passerend, de wijk uit. Via diverse straten in de wijk komt de TomTom uiteindelijk om 19:08 uur weer langs de [naam] gereden. [205] De TomTom rijdt vervolgens weer door diverse straten in de wijk, om 19:12 uur langs de [naam] , en staat rond 19:15 uur opnieuw stil op de Leliestraat. [206] Om 19:39 uur komt de TomTom voor de laatste keer langs de
[naam] en gaat de wijk uit. [207]
Om 19.43 uur is de laatste registratie van de TomTom bij het Soesterkwartier. Twee minuten later, om 19:45 uur, zijn de laatste registraties van baken [IMEI-nummer 3] en bakentelefoon [IMEI-nummer 4] , zoals eerder benoemd, gebruikmakend van zendmasten in het Soesterkwartier. [208]
Tussenconclusie
Nu vaststaat dat de bakenapparatuur en de TomTom in handen zijn geweest van de criminele organisatie en deze zich op 15 januari 2014 rond dezelfde tijd in dezelfde omgeving bevinden, gaat de rechtbank ervan uit dat ze gebruikt werden door dezelfde perso(o)n(en). Niet vastgesteld kan worden wie deze perso(o)nen is of zijn geweest. De rechtbank ziet het (gezamenlijke) gebruik van de bakenapparatuur en de TomTom en de zichtbare bewegingen langs (onder andere) [sportschool] , [coffeeshop] en de [naam] , in samenhang met de overige bevindingen en vaststellingen in onderzoek Brand en IJsberg, als een kennelijke voorverkenning gericht op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .
18 januari 2014 en 19 januari 2014 tot 00:30 uur: de observatie van [slachtoffer 5] bij de McDonald’s en de Total en de controle op de [straat]
Camerabeelden McDonald’s en de Total op 18 januari 2014
Op 18 januari 2014 verklaart [slachtoffer 5] een Surinaams Marokkaans uitziende man met baard te hebben gezien bij de McDonalds. De man reed volgens [slachtoffer 5] in een Peugeot en zou steeds naar hem aan het kijken zijn. Als [slachtoffer 5] vervolgens met zijn auto van de McDonalds naar de Total rijdt en tankt, ziet hij dat diezelfde man ook het benzinestation oprijdt en gaat tanken. [209]
De politie heeft de beelden van de McDonalds en de Total van 18 januari 2014 bekeken. Op de beelden zijn zowel [slachtoffer 5] , die door de politie wordt herkend, als een man met een baard te zien. [210] Deze man blijkt de verdachte te zijn, zoals hij zelf ook op de zitting verklaart. [211]
De politie beschrijft op de camerabeelden op chronologische volgorde het volgende te zien.
Om 17:11 uur komt [slachtoffer 5] met anderen de McDonald’s ingelopen. [212] Om 17:14 uur verlaten zij de McDonalds weer. [213]
Om 17:45 uur loopt de verdachte de parkeerplaats van de McDonald’s op en gaat het restaurant in. Bij binnenkomst kijkt de verdachte om zich heen. Hij loopt vervolgens in de richting van de bestelbalie. [214] Daar stopt hij en kijkt hij naar de mensen voor de bestelbalie. Hij loopt naar het zitgedeelte van het restaurant en kijkt ook daar afwisselend om zich heen. Vervolgens staat de verdachte opnieuw ter hoogte van de bestelbalie stil en kijkt om zich heen en naar de mensen bij de balie. [215] Om 17:47 uur verlaat hij het restaurant. De verdachte is in totaal anderhalve minuut binnen geweest, zonder eten of drinken te bestellen. [216]
Om 17:53 uur staat de verdachte op de parkeerplaats van de McDonald’s en kijkt om zich heen. [217] De verdachte loopt kort hierop het parkeerterrein af. [218] 2 minuten later, om 17:55 uur, loopt [slachtoffer 5] het beeld in en stapt om 17:56 uur in zijn auto en rijdt weg. [219]
Op de beelden van de Total aan de Rondweg-Oost 2 in Amersfoort is te zien dat [slachtoffer 5] om 18:00 uur met zijn voertuig het terrein oprijdt. [220] [slachtoffer 5] loopt na het tanken de Total binnen, rekent af en loopt weer naar zijn voertuig. [221] Als [slachtoffer 5] nog bij het benzinestation geparkeerd staat, arriveert om 18:05 uur een ander voertuig, de Peugeot met kenteken [kenteken] . De bestuurder is de verdachte, zoals op de zitting door verdachte is bevestigd. De verdachte parkeert zijn voertuig bij een pomp, tankt, loopt de shop in en rekent af. [222] Om 18:09 uur verlaat de verdachte de shop. Rond diezelfde tijd verlaat [slachtoffer 5] met zijn voertuig het terrein van het benzinestation. [223]
Bakenapparatuur en VID-registraties van de Peugeot op 18 januari 2014
Op 18 januari 2014 zijn de bakens [IMEI-nummer 1] en [telefoonnummer 5] en de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] (waarmee de bakens communiceren), als ook de Peugeot, actief in Amersfoort. De politie relateert dat de VID-registraties van de Peugeot deze dag ‘passen’ bij de gebruikte zendmasten van de bakenapparatuur. [224] Volgens de verbalisant, die nader is gehoord bij de rechter-commissaris, betekent dit dat de bakenapparatuur en de Peugeot zich in dezelfde omgeving bevinden. [225]
Zo blijkt dat de bakens [IMEI-nummer 1] en [telefoonnummer 5] en de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] respectievelijk om 16:11 uur, 16:51 uur en 16:05 uur de zendmast op [adres] in Amersfoort gebruiken. Dit betreffen de eerste registraties van de bakenapparatuur. De McDonald’s en de Total vallen binnen het zendmastgebied van voornoemde zendmast. [226] De bakentelefoon straalt tot 17:02 uur deze zendmast aan. [227] De bakens komen respectievelijk tot 16:38 uur en 17:03 uur voor in de mastgegevens van de McDonald’s en de Total. [228]
Om 17:03 uur gebruiken het baken [telefoonnummer 5] en de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] de zendmast op de [adres] in [plaats] , om 17:06 uur gebruiken zij respectievelijk de zendmasten op de [adres] en de [adres] in [plaats] . [229] Rond deze tijdstippen zijn er
VID-registraties van de Peugeot voorhanden. Uit deze registraties blijkt dat de Peugeot om 17:05 uur en 17:06 uur op de N199 bij hectometerpaal 4.5 in Amersfoort rijdt. [230] Dat is dezelfde omgeving als de bakenapparatuur.
Uitstraling telefoonnummers van de medeverdachten op 18 januari 2014
Medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waren op 18 januari 2014 hoogstwaarschijnlijk niet de gebruikers van de bakenapparatuur, nu hun telefoons op andere plekken aanstraalden.
Zo gebruikt de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] om 16:05 uur de zendmast op [adres] , terwijl de telefoonnummers van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kort daarvoor, respectievelijk, om 15:39 uur bij Vleuten en om 15:51 uur bij Benschop uitstralen. [231]
Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] gebruikt om 16:33 uur zendmasten in IJsselstein en het telefoonnummer van [medeverdachte 2] gebruikt rond die tijd zendmasten in De Meern. Voor de bakens [IMEI-nummer 1] en [telefoonnummer 5] geldt dat deze, zoals uit voorgaande blijkt, dan al in Amersfoort uitstralen. [232]
Wel stralen de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] na zessen zendmasten in Amersfoort aan. Zo gebruikt de telefoon van [medeverdachte 3] om 18:14 uur tot 18:20 uur en om 21:05 uur de zendmast aan [straat] 20 en de telefoon van [medeverdachte 2] om 18:33 uur en van 21:01 uur tot 22:32 uur de zendmast aan [adres] . [233] Deze activiteiten zijn ook waar te nemen op 19 januari 2014, zoals hieronder uiteen is gezet.
De controle op [straat] in [woonplaats] om 00:30 uur
Op 19 januari 2014 omstreeks 00:30 uur ziet de politie de Peugeot met twee inzittenden geparkeerd staan op de [straat] in [woonplaats] . De [straat] ligt in de directe omgeving van de [straat] , waar de ouderlijke woning van [slachtoffer 4] gelegen is en hij regelmatig verbleef. De inzittenden zijn gecontroleerd. De bestuurder blijkt de verdachte te zijn en de bijrijder is [medeverdachte 3] . [234] Na toestemming van de verdachte te hebben verkregen is de Peugeot doorzocht. Op de achterbank treft de politie een bakenkoffer met daarin het lege doosje van de (in onderzoek Brand en Hendrick relevant gebleken) bakentelefoon [IMEI-nummer 2] aan. [235]
De actieve bakenapparatuur in de nacht van 18 op 19 januari 2014
De bakens [IMEI-nummer 1] en [telefoonnummer 5] , als ook bakentelefoon [IMEI-nummer 2] , zijn deze nacht (opnieuw) actief, in het zendmastgebied van de [straat] kort voor of tot voornoemde politiecontrole.
De bakentelefoon ontvangt berichten van baken [telefoonnummer 5] . De bakentelefoon gebruikt van 18 januari 2014 van 23:39 uur tot 19 januari 2014 00:30 uur, het moment van de politiecontrole, de zendmast op de [adres] in [woonplaats] . Deze zendmast wordt aangestraald vanaf de [straat] . Na voornoemd laatste tijdstip zijn er geen registraties meer. De eerstvolgende registratie van de bakentelefoon is (pas) op 19 januari 2014 om 7:21 uur, gebruikmakend van een zendmast in Zeist. Het baken [telefoonnummer 5] gebruikt van 18 januari 2014 van 23:39 uur tot 19 januari 2014 00:54 uur ook de zendmast op de [adres] in [woonplaats] . Daarna zijn er (ook) geen registraties meer tot 7:21 uur, waarbij het baken dezelfde zendmast als de bakentelefoon gebruikt in Zeist.
Het andere baken, baken [IMEI-nummer 1] , heeft ten tijde van de controle geen registraties. Wel gebruikt dit baken kort daarvoor, op 18 januari 2014 om 23:14 uur de zendmast op de [adres] in [woonplaats] . Deze zendmast wordt volgens de politie (ook) aangestraald vanaf de [straat] . Op 19 januari 2014 om 7:19 uur wordt het baken (pas) weer actief en straalt ook dan een zendmast in Zeist aan. [236]
Tussenconclusie ten aanzien van 18 januari en 19 januari (in de nacht)
De actieve bakens en bakentelefoon zijn, gelet op de overeenkomende (start)registraties, op 18 en 19 januari 2014 in handen geweest van dezelfde gebruiker. Deze persoon is naar het oordeel van de rechtbank de verdachte geweest. Vaststaat staat dat de verdachte op 18 en 19 januari 2014 de gebruiker is geweest van de Peugeot. Deze Peugeot is, net als de bakenapparatuur, op 18 januari 2014 kort voordat de verdachte in beeld komt in de omgeving van de McDonald’s en de Total. Daarbij komt dat vastgesteld is dat de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] deze dag niet de gebruikers van de bakenapparatuur zijn geweest. Ook op 19 januari 2014 is dezelfde bakenapparatuur, rond de politiecontrole, in het zendmastgebied van de [straat] actief en (kort) na deze controle de hele nacht inactief. Tot slot is het doosje van de actieve bakentelefoon in de Peugeot aangetroffen.
De alternatieve verklaring van de verdachte over 18 en 19 januari 2014
De verdachte erkent dat hij bij de McDonald’s en de Total was, maar ontkent dat hij daar was voor [slachtoffer 5] . Dat hij daar gelijktijdig met [slachtoffer 5] was, berust volgens de verdachte op toeval.
De verdachte verklaart op 18 januari 2014 bij de McDonald’s een druggerelateerde afspraak te hebben gehad met een persoon die hij niet goed kende. In de McDonald’s had hij sms-contact met deze persoon. De persoon zou de verdachte hebben bericht ter plaatse te zijn en de verdachte was in de McDonald’s op zoek naar diegene. Dit is de reden dat de verdachte op zijn telefoon en veelal om zich heen keek. Uiteindelijk bleek de persoon bij een andere McDonald’s in het centrum van Amersfoort te zijn en heeft er bij de McDonald’s, gelegen aan de Maanlander, geen ontmoeting plaatsgevonden. De verdachte wil niet verklaren wie de persoon was met wie hij de afspraak had. Dat hij bij de Total heeft getankt, kan hij zich niet meer herinneren. Over of de verdachte op 18 januari 2014 voornoemde bakenapparatuur bij zich had, wil hij niet verklaren.
De verdachte heeft op de zitting een (nadere) verklaring afgelegd over zijn aanwezigheid op de [straat] in de nacht van 18 op 19 januari 2014. De verdachte zegt in die tijd een garagebox te hebben gehad op de [straat] . De verdediging heeft dit onderbouwd met een bankoverschrijving van € 360,- op 9 januari 2015 naar de bankrekening van de heer [de verhuurder] (de verhuurder) met de omschrijving: ‘huur garagebox okt nov dec 2014 + jan 2015’. In de nacht van 18 op 19 januari 2014 zouden er volgens de verdachte illegale spullen worden geleverd. Er zou een voertuig met spullen (drugs) de garagebox in worden gereden. Op het moment van de politiecontrole was verdachte aan het wachten op deze levering. De verdachte verklaart ten tijde van de politiecontrole geen bakenapparatuur bij zich te hebben gehad. Andere mensen, die op dat moment ook in de buurt aanwezig waren, hadden dat bij zich. Het was de intentie peilbakens te plaatsen in het voertuig met de drugs, zodat zicht kon worden gehouden op de locatie daarvan. Volgens de verdachte is het puur toeval geweest dat de ouderlijke woning van [slachtoffer 4] zich in de buurt van de [straat] bevond.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij zich op 19 januari 2014 om 00:30 uur op de [straat] bevond in verband met een levering van verdovende middelen. De rechtbank vindt deze verklaring niet aannemelijk in het licht van de overige bevindingen op basis van het dossier. Zoals hiervoor door de rechtbank is vastgesteld, is de betrokken bakenapparatuur, waaronder baken [IMEI-nummer 1] en bakentelefoon [IMEI-nummer 2] , waar de verdachte op 18 en 19 januari over beschikte, voor observatiedoeleinden dan wel voorverkenningen gebruikt. Zoals hierna zal worden vastgesteld, geldt dit ook voor de volgende dag (op 19 januari 2014) aan het eind van de middag en in de avond. Het daadwerkelijk op basis van de inhoud van het dossier vastgestelde gebruik van de bakenapparatuur, is in strijd met de verder niet onderbouwde stelling van verdachte. Daarmee is het door hem geschetste scenario onvoldoende aannemelijk geworden. Dat op zichzelf wel aannemelijk is geworden dat verdachte in het verleden (eind 2014 en begin 2015) een garagebox huurde op de [straat] , maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dit enkele feit zegt immers weinig over de reden waarom de verdachte op dat moment daar op de [straat] was.
De rechtbank gelooft de verdachte niet dat het toeval was dat hij zowel bij de McDonald’s als de Total gelijktijdig met [slachtoffer 5] was. Het feit dat de verdachte kort voordat hij op de [straat] was, op 18 januari 2014 met voornoemde bakenapparatuur op plekken was waar [slachtoffer 5] zich bevond, terwijl de criminele organisatie waar hij deel van uitmaakte haar pijlen in die periode op beide slachtoffers had gericht, maakt temeer dat zijn alternatieve verklaringen over druggerelateerde afspraken, voor zowel 18 januari als 19 januari, niet aannemelijk zijn geworden.
De verdachte heeft zich dus - kort gezegd - (achtereenvolgens) twee keer naar dezelfde plek begeven en opgehouden als [slachtoffer 5] én heeft zich ook, samen met [medeverdachte 3] , begeven en opgehouden in de omgeving van de ouderlijke woning van [slachtoffer 4] , zodat gesproken kan worden van een observatie door de verdachte van [slachtoffer 5] en een voorverkenning door de verdachte gericht op [slachtoffer 4] .
De middag en avond van 19 januari 2014
Betrokkenheid [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]
De telefoonnummers van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] stralen op 19 januari 2014 meermaals (de) zendmast(en) op [straat] aan.
Uit de historische verkeersgegevens blijkt allereerst dat de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 19 januari 2014 diverse malen, vanaf 15:00 uur twaalf keer, telefonisch contact hebben met elkaar. Verder is op grond van deze gegevens bekend dat telefoons van [medeverdachte 3] van 19:10 uur tot 21:30 uur en van [medeverdachte 2] om 15:02 uur en 21:36 uur de zendmast [adres] aanstralen. [237]
Actieve bakenapparatuur
Eerder genoemde bakenapparatuur, te weten baken [IMEI-nummer 1] en bakentelefoon [IMEI-nummer 2] , is ook in de middag van 19 januari 2014 in Amersfoort actief en maakt meerdere keren gebruik van zendmasten op [straat] . De bakentelefoon is aan het einde van middag en in de avond niet op dezelfde locatie als de telefoons van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , zodat vastgesteld kan worden zij op dat moment niet de gebruikers van de bakentelefoon zijn geweest.
Zo gebruiken het baken en de bakentelefoon van 16:05 uur tot 16:52 uur de zendmast op [adres] . Ook om respectievelijk 17:42 uur en 17:43 uur wordt de zendmast op [adres] aangestraald. [238] De telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gebruiken dan zendmasten op andere locaties, te weten een zendmast in Benschop om 17:28 uur en in Driebergen om 17:20 uur. [239]
Om 19:10 uur gebruiken de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] weer zendmasten in Amersfoort. De bakentelefoon, het baken en het telefoonnummer van [medeverdachte 3] zijn om 19:26 uur in de omgeving van [straat] in [plaats] . [240]
Vanaf 21:05 uur laten de gegevens zien dat de gebruikte zendmasten van de baken
telefoonverschillen van het baken en de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Zo gebruikt de bakentelefoon om 21:05 uur een zendmast in Baarn, terwijl het baken en [medeverdachte 3] (respectievelijk) om 21:05 uur en 21:06 uur zendmasten in Amersfoort aanstralen. Om 21:35 uur gebruikt het baken de zendmast [adres] , als de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] om 21:36 uur respectievelijk de zendmast [straat] 20 en [adres] gebruiken. [241] Dit terwijl de bakentelefoon om 21:35 in Lunetten uitstraalt. [242]
Vanaf 21:38 uur is te zien dat het baken en de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zendmasten langs de route van Amersfoort naar Nieuwegein gebruiken. De bakentelefoon bevindt zich rondt dat tijdstip niet in Amersfoort. Omstreeks 22:00 uur bevinden het baken en de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zich in dezelfde omgeving als de bakentelefoon, te weten Laagraven in Nieuwegein. [243]
Tussenconclusie
De rechtbank leidt uit voorgaande af dat een voorverkenning in de omgeving van [sportschool] heeft plaatsgevonden door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en de verdachte. In samenhang met de bevindingen op 18 en 19 januari, en omdat er geen aanwijzingen zijn dat de bakentelefoon (tussendoor) bij een ander in gebruik is geweest, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte in de middag van 19 januari 2014 nog steeds de gebruiker van de bakentelefoon [IMEI-nummer 2] was en zich heeft begeven en opgehouden in de omgeving van [straat] , waar [sportschool] gelegen is. Nu de telefoonnummers van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] ook in diezelfde omgeving in Amersfoort hebben uitgestraald, als ook eerder op 18 januari 2014 in het begin van de avond, en deze vervolgens (met het baken) samenkomen met de gebruiker van de bakentelefoon (de verdachte), gaat de rechtbank ook van hun betrokkenheid bij voorverkenningen uit. De rechtbank neemt hierbij ook de bevindingen op 20 januari 2014, zoals hieronder uitgewerkt, in aanmerking.
20 januari 2014
Op 20 januari 2014 gebruikt het telefoonnummer van [medeverdachte 2] , net als op voorgaande dagen, meerdere keren de zendmast bij [adres] , te weten om 11:18 uur, om 11:19 uur, van 14:40 uur tot 14:52 uur en 19:20 uur tot 19:43 uur. [244]
Eindconclusie
Het dossier geeft er geen blijk van dat de in onderzoek Brand actieve bakenapparatuur onder een van de voertuigen van [slachtoffer 4] of [slachtoffer 5] is geplakt en zij hiermee zijn gevolgd, zoals wel het geval is geweest in onderzoek IJsberg. Dit maakt, anders dan de verdediging stelt, niet dat geen sprake is van voorverkenningen en/of observaties. Zoals uit de tussenconclusies is gebleken, zijn vanuit de criminele organisatie, die betrokken is geweest bij de liquidaties op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , in de periode van 14 januari 2014 tot en met 20 januari 2014, een observatie en/of voorverkenningen uitgevoerd op plaatsen waar zij (vaak) kwamen, waaronder (de omgeving van) [sportschool] (plaats delict), [coffeeshop] en/of de ouderlijke woning van [slachtoffer 4] . De verdachte heeft hier, als deelnemer van de criminele organisatie, aan bijgedragen door op 18 januari 2014 [slachtoffer 5] te observeren en op 19 januari 2014 voorverkenningen in Amersfoort verrichten, waarbij onder andere de omgeving van de woning van [slachtoffer 4] is verkend.
3.4.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.4.3.1.Medeplegen of medeplichtigheid (feit 1, primair)
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verdachte samen met zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in wisselende samenstelling en mogelijk met hulp van onbekend gebleven derden voorverkenningen heeft verricht voor de moord op [slachtoffer 5] . Ook zorgde de verdachte voor de bakensets, de TomTom, de vluchtauto met valse kentekenplaten en heeft hij een deel van de bij de moord gebruikte munitie - direct of indirect - geleverd aan de schutters. Zijn bijdrage en de belangrijke positie die de verdachte binnen de criminele organisatie vervulde, maken dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.
Het standpunt van de verdediging
Medeplegen van moord (feit 1, primair)
Volgens de verdediging is er geen bewijs dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 4] . Van een grote of zelfs doorslaggevende rol in de totstandkoming van het delict dan wel de afwikkeling daarvan, ter compensatie van zijn afwezigheid bij de uitvoering, is ook niet gebleken. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] .
(Medeplegen van) de medeplichtigheid van moord (feit 1, subsidiair)
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat [slachtoffer 4] is gevolgd dan wel is geobserveerd, kan dit niet tot een bewezenverklaring leiden van medeplichtigheid, aangezien niets is vastgesteld over de overdracht van informatie die zou zijn verkregen en hoe deze een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de moord. Daarnaast maakt het enkele gegeven dat de verdachte op enig onbepaald moment in tijd patronen voorhanden heeft gehad die zijn gebruikt bij de moord op [slachtoffer 4] , niet dat hij deze, laat staan de vuurwapens, met opzet ter beschikking heeft gesteld.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak medeplegen
Vaststaat dat de criminele organisatie, waar de verdachte ook begin 2014 onderdeel van uitmaakte, betrokken is bij de moord op [slachtoffer 4] . Samen met anderen heeft de verdachte, als deelnemer van de criminele organisatie, voorverkenningen verricht (bij of in de omgeving van [sportschool] , [coffeeshop] en de ouderlijke woning) mede gericht op [slachtoffer 4] . In het algemeen geldt dat met voorverkenningen zicht wordt verkregen op de omgeving en bewegingen van een beoogd slachtoffer, waarbij zo een geschikte locatie en een geschikt tijdstip voor een liquidatie kan worden gevonden. Anders dan de verdediging bepleit, is met de verrichte voorverkenningen door de verdachte (en mensen uit de criminele organisatie) wel degelijk informatie (of wel inlichtingen) ten behoeve van de moord op [slachtoffer 4] verkregen en ook verschaft. Dit blijkt uit het gegeven dat [slachtoffer 4] op de parkeerplaats bij [sportschool] ( [straat] ) is doodgeschoten, een plek waar [slachtoffer 4] in die periode vaker kwam, en door de organisatie meerdere keren is verkend. Dat er geen concreet bewijs is voor het daadwerkelijk verschaffen van informatie aan de uiteindelijk schutter doet aan deze conclusies dus niets af. Aangenomen mag worden dat voorverkenningen niet zonder enig doel worden verricht en bevindingen dus zullen worden gedeeld.
De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier niet bewezen is dat de verdachte een of meer vuurwapen(s) en/of kogelpatronen ter beschikking heeft gesteld aan de schutters of andere derden. Dat de verdachte, gelet op de DNA-matches, op enig moment heeft kunnen beschikken over kogelpatronen die zijn gebruikt bij de moord op [slachtoffer 4] , maakt nog niet dat hij deze ter beschikking heeft of moet hebben gesteld aan de schutters dan wel (een) derde(n) met het doel om deze te gebruiken bij de moord op [slachtoffer 4] .
De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat de verdachte aanwezig was bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 4] . Nu het verrichten van voorverkenningen in beginsel een gedraging is die met medeplichtigheid in verband wordt gebracht, zal de rechtbank de vervolgvraag moeten beantwoorden of de rol van de verdachte in de voorbereiding (ter compensatie van zijn afwezigheid bij de uitvoering van de moord) van voldoende gewicht is geweest om hem toch als medepleger aan te merken. Van een grotere bijdrage, dan het verrichten van voorverkenningen, geeft het dossier geen blijk. Zoals al in het kader van onderzoek IJsberg door de rechtbank is overwogen blijkt uit de stukken niet dat de verdachte een leidende rol heeft gehad binnen de criminele organisatie en alle facetten van de voorverkenningen gericht op [slachtoffer 4] regelde. De stelling dat de verdachte de bakenapparatuur en TomTom heeft geregeld, volgt de rechtbank dus ook in deze zaak niet. Hetzelfde geldt voor de vluchtauto en de kentekenplaten; vast staat dat deze vanuit de organisatie komen, maar van concrete betrokkenheid van verdachte daarbij is niet gebleken. De partij gestolen kentekenplaten is niet aangetroffen op een plek die uitsluitend met verdachte in verband kan worden gebracht. De kentekenplaten zijn weliswaar aangetroffen in het huis van zijn schoonouders, maar zij zijn tevens de ouders van de medeverdachte [medeverdachte 3] . De vastgestelde bijdrage van de verdachte in de voorbereidende fase is daarmee van onvoldoende gewicht om hem als medepleger aan te merken, zodat hij wordt vrijgesproken van feit 1, primair.
Bewezenverklaring medeplichtigheid
Nu de verdachte, zoals vastgesteld, met anderen voorverkenningen heeft verricht en de hierbij verkregen informatie moet zijn verschaft aan (in ieder geval) de schutters, maakt dat hij zich wel schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) de medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 4] .
Opzet en voorbedachten rade
Dat de verdachte met zijn handelen ook opzet op de moord van [slachtoffer 4] heeft gehad, volgt uit de aard van zijn bijdrage en het doel dat met het uitvoeren van de voorverkenningen (voor de criminele organisatie) werd gediend. Gelet op zijn lidmaatschap aan de criminele organisatie, (onder andere) gebaseerd op de administratie waarin meerdere betalingen te zien zijn op de naam van de verdachte, die niet slechts met drugshandel maar ook met liquidaties te maken lijken te hebben, kan het niet anders dan dat de verdachte wist met welk doel de voorverkenningen plaatsvonden. De verdachte heeft ook geen andere verklaring voor zijn handelen gegeven. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte zowel opzet had op zijn eigen gedragingen als op de dood van [slachtoffer 4] . Uit de wijze waarop de moord is voorbereid en uitgevoerd, blijkt dat de daders met voorbedachten rade hebben gehandeld.
Motief
De rechtbank kan niet vaststellen wat het motief van de moord op [slachtoffer 4] is geweest. Hoewel dit voor de nabestaanden uiterst onbevredigend moet zijn, staat dit niet in de weg aan een bewezenverklaring.
3.4.3.2.Voorbereidingshandelingen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de verdachte in het kader van de voorbereiding van de moorden op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] samen met anderen opzettelijk voorwerpen voorhanden heeft gehad, die waren bestemd tot het begaan van moord.
Zoals benoemd, gaat het Openbaar Ministerie uit van een ruime interpretatie van het bestemmingsvereiste, in die zin dat elk voorwerp dat enige betekenis heeft voor de voorbereiding of uitvoering van het misdrijf hieronder valt.
Het Openbaar Ministerie onderbouwt haar standpunt ten aanzien van de tenlastegelegde voorwerpen - kort gezegd - als volgt.
Ten aanzien van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] : De bakensets, de Peugeot, de TomTom en de PGP-telefoons
Uit de voorverkenningen en/of observaties gericht op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] is informatie verkregen over hun uiterlijk, hun verblijflocaties en/of aanrijd- en vluchtroutes, relevant voor de uitvoering van de liquidaties. Dit blijkt onder andere uit het feit dat beide slachtoffers zijn doodgeschoten op plaatsen die zijn verkend. Bij deze voorverkenningen en/of observaties is het gebruik van bakensets (de peilbakens, bakentelefoons en simkaarten die hiermee correspondeerden), de Peugeot en de TomTom essentieel geweest. PGP-telefoons, waarover de criminele organisatie en de verdachte beschikten, zijn vervolgens nodig geweest om verkregen locaties van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] aan de schutter(s) door te geven. Voornoemde voorwerpen zijn volgens het Openbaar Ministerie dan ook dienstig geweest aan het misdadige doel. Dat niet is vastgesteld dat deze voorwerpen bij de daadwerkelijke uitvoering van de liquidaties zijn gebruikt, doet daar wat het Openbaar Ministerie niet aan af.
Ten aanzien van [slachtoffer 4] : De BMW met valse/gestolen kentekenplaten (ten aanzien van [slachtoffer 4] )
Volgens het Openbaar Ministerie regelde de verdachte (met zijn medeverdachten) de vluchtauto met gestolen kentekenplaten voor de moord op [slachtoffer 4] .
Ten aanzien van [slachtoffer 4] : de kogelpatronen
Uit het DNA-onderzoek en naar de hulzen op de plaats delict en de gevonden DNA-matches, kan worden geconcludeerd dat de verdachte in elk geval een deel van de gebruikte munitie bij de moord op [slachtoffer 4] ter beschikking heeft gesteld.
Ten aanzien van [slachtoffer 5] : de vuurwapens
Het Openbaar Ministerie gaat ervan uit dat het op 1 november 2014 overhandigde vuurwapen bij een ontmoeting tussen (onder andere) [medeverdachte 2] en [I] , enkele uren nadat die [I] de verdachte als contact in zijn PGP-telefoon heeft opgeslagen, bestemd was voor het gebruik bij de liquidatie op [slachtoffer 5] .
Het standpunt van de verdediging
Dat de bakensets bestemd waren voor het plegen van (de) moord op [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] blijkt niet uit de stukken. Te meer nu niet is vastgesteld dat deze bij de daadwerkelijke uitvoering van de liquidaties zijn gebruikt. Hetzelfde geldt voor de Peugeot, de TomTom (in januari) en de PGP-telefoons, als al vastgesteld zou kunnen worden dat de verdachte laatstgenoemde op enig moment voorhanden heeft gehad.
De BMW, de kentekenplaten, de vuurwapens en de kogelpatronen zijn voorhanden geweest bij de drie onbekend gebleven personen die de liquidatie van [slachtoffer 4] in januari hebben uitgevoerd. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte (voorafgaand) samen met (deze) anderen voornoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad. Daarvoor is vereist dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de voorwerpen en (samen met anderen) hierover feitelijke macht heeft kunnen uitoefenen. Dit kan niet worden vastgesteld.
Tot slot bepleit de verdediging dat uit het dossier geen enkele informatie beschikbaar is gekomen waaruit volgt dat het vuurwapen dat [I] op 1 november 2014 overhandigd heeft gekregen, bestemd was tot het plegen van een moord, laat staan de moord op [slachtoffer 5] . Ook is van enige rol van de verdachte bij deze overdracht en het vuurwapen niet gebleken.
Het oordeel van de rechtbank
Zoals in paragraaf 2.2.3. uiteen is gezet moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen bestemd waren tot - met andere woorden: gebruikt zouden worden tijdens - het begaan van het grondfeit, te weten de moord op [slachtoffer 4] in januari 2014 en/of [slachtoffer 5] in december 2014.
3.4.3.2.1 Bewezenverklaring voorbereidingsmiddelen ten aanzien van de moord op [slachtoffer 4]
De rechtbank zal bewezen verklaren dat de verdachte in de periode van 3 januari 2014 tot en met 20 januari 2014 samen met (een) ander(en) kogelpatronen voorhanden heeft gehad, bestemd tot het begaan van de moord op [slachtoffer 4] . De rechtbank zal de verdachte voor de overige tenlastegelegde voorwerpen vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De bakensets (peilbakens, telefoons en simkaarten die hiermee corresponderen), PGP-telefoons, de Peugeot en de TomTom
Vaststaat dat de bakensets, de Peugeot en de TomTom een rol hebben gespeeld bij de verrichte voorverkenningen gericht op [slachtoffer 4] . Dat deze voorwerpen gebruikt (zouden) zijn bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 4] blijkt echter niet uit het dossier. Op de dag van de liquidatie zijn geen gegevens bekend over enige activiteit van bakensets, de Peugeot en de TomTom. De middelen zijn bestemd geweest tot het verzamelen van informatie voorafgaand aan de moord. De middelen zijn dus wel gebruikt ten behoeve van de moord, maar niet blijkt dat deze gebruikt (zouden) zijn bij het daadwerkelijk begaan (dus de uitvoering) van de moord.
Aannemende dat de criminele organisatie en de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode beschikten over PGP-telefoons, maakt niet dat deze als voorbereidingsmiddel kunnen worden aangemerkt. Ook van deze voorwerpen is niet gebleken dat deze enige rol (zouden) hebben bij de uitvoering van de liquidatie.
Een personenauto van het merk BMW en gestolen kentekenplaten
Op de zitting heeft het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt dat de in de tenlastelegging genoemde BMW ziet op de in brand gestoken vluchtauto na de moord op [slachtoffer 4] .
Vaststaat dat de vluchtauto met daarop de (gestolen) kentekenplaten gebruikt is bij de liquidatie op [slachtoffer 4] . Met de kentekenplaten kon de werkelijke identiteit van het voertuig worden verhuld. De rol van de voorwerpen bij de uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 4] maken dat aan het bestemmingsvereiste is voldaan.
De criminele organisatie, waar de verdachte onderdeel van uitmaakte, is betrokken geweest bij de feitelijke uitvoering van de moord op [slachtoffer 4] . De BMW en de gestolen kentekenplaten behoren dan ook toe aan de criminele organisatie. Dat de verdachte (op enig moment) beschikkingsmacht heeft gehad over de kentekenplaten en over de vluchtauto, blijkt echter niet uit het dossier.
Kogelpatronen en vuurwapens
Evident is dat vuurwapens en kogelpatronen zijn gebruikt om [slachtoffer 4] om het leven te brengen. Naast de BMW en gestolen kentekenplaten heeft de criminele organisatie dus ook beschikt over deze voorwerpen.
Dat op de hulzen van de kogelpatronen DNA van de verdachte is aangetroffen en de verdachte op de zitting verklaart in 2014 kogelpatronen voorhanden te hebben gehad [245] , mede in het licht van zijn deelname aan de criminele organisatie en zijn bijdrage aan de voorverkenningen, maakt dat de rechtbank het bewezen acht dat de verdachte, samen met de onbekend gebleven schutters, (op enig moment) beschikkingsmacht heeft gehad over de kogelpatronen gebruikt bij de moord van [slachtoffer 4] .
De vuurwapens gebruikt bij de moord op [slachtoffer 4] zijn niet gevonden en onderzocht. Niet gebleken is dan ook dat de verdachte op enig moment heeft beschikt over deze vuurwapens. De rechtbank overweegt dat de enkele vaststelling dat de verdachte zich in 2014 al bezighield met vuurwapens, onvoldoende is om te concluderen dat hij deze beschikkingsmacht wel had.
Opzet
Dat de verdachte onderdeel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie betrokken bij de liquidatie van [slachtoffer 4] en de verdachte ten behoeve daarvan, samen met anderen, voorverkenningen heeft verricht, maakt dat hij wetenschap moet hebben gehad dat de voorhanden kogelpatronen bedoeld waren om te gebruiken bij moord.
3.4.3.2.2. Vrijspraak voorbereidingsmiddelen ten aanzien van de moord op [slachtoffer 5]
De rechtbank zal de verdachte voor alle tenlastegelegde voorwerpen in relatie tot (de) moord op [slachtoffer 5] vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De bakensets
Het dossier bevat geen bewijs dat bakensets een rol zouden spelen bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] . Ook is niet gebleken dat bakensets bij de daadwerkelijke moord op 1 december 2014 zijn gebruikt.
De Peugeot en de TomTom
Op 21 februari 2014 is de Peugeot verkocht en de TomTom is op 7 augustus 2014 inbeslaggenomen, zodat deze voorwerpen niet (mede) van betekenis hebben kunnen zijn bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] .
Een personenauto van het merk BMW
Nu dit onderdeel uit de tenlastelegging slechts ziet op de betrokken vluchtauto bij de moord op [slachtoffer 4] , speelt dit bestanddeel geen rol bij de beoordeling van de vermeende voorbereiding van de moord op [slachtoffer 5] .
Gestolen kentekenplaten
De rechtbank overweegt dat de gestolen kentekenplaten op 7 augustus 2014 in de woning in [woonplaats] in beslag zijn genomen. Dit maakt dat deze niet van betekenis hebben kunnen zijn bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] . Ten overvloede merkt de rechtbank op dat niet gebleken is dat op het in de brand gestoken voertuig, aangetroffen op 1 december 2014 kort na de liquidatie van [slachtoffer 5] (als dit al de vluchtauto zou zijn), kentekenplaten waren bevestigd die afkomstig zijn uit de gestolen partij uit de Meern.
Vuurwapens en kogelpatronen
Het vuurwapen gebruikt bij de moord op [slachtoffer 5] is niet gevonden en onderzocht. Uit het dossier is niet gebleken dat de verdachte op enig moment beschikt heeft over het vuurwapen.
Anders dan het Openbaar Ministerie legt de rechtbank de omstandigheid dat [I] op 1 november 2014 tijdens een ontmoeting met (onder andere) [medeverdachte 2] een vuurwapen overhandigd krijgt, enkele uren nadat [I] de verdachte als contact in zijn PGP-telefoon heeft opgeslagen, niet belastend uit voor verdachte in deze zaak. Er is geen enkele aanwijzing dat dit overgelegde vuurwapen bestemd was voor, dan wel gebruikt is bij, de liquidatie van [slachtoffer 5] op 1 december 2014. Zelfs in het geval de rechtbank zou aannemen dat dit vuurwapen daarvoor bestemd was, kan niet bewezen worden dat de verdachte dit wapen voorhanden heeft gehad. Dat de verdachte diezelfde dag als contact is toegevoegd, is daarvoor onvoldoende redengevend. Ook ten aanzien van dit onderdeel geldt dat het dossier er geen blijk van geeft dat de verdachte op enig moment heeft beschikt over de kogelpatronen gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 5] .
De rechtbank overweegt tot slot (opnieuw) dat, de enkele vaststelling dat de verdachte zich in 2014 al bezighield met vuurwapens, onvoldoende is om te concluderen dat hij beschikking heeft gehad over de bij de uitvoering gebruikte vuurwapen en kogelpatronen.
PGP-telefoons
De rechtbank herhaalt (ook) bovengenoemde overweging ten aanzien van het onderdeel dat ziet op het voorhanden hebben van PGP-telefoons. Aannemende dat de criminele organisatie en de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde periode beschikten over PGP-telefoons, maakt niet dat deze als voorbereidingsmiddel kunnen worden aangemerkt. Ook van deze voorwerpen is niet gebleken dat deze enige rol (zouden) hebben bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] .
Eindconclusie
De rechtbank neemt, zoals eerder in dit vonnis is overwogen, aan dat de criminele organisatie, waar de verdachte deel van uitmaakte, zich in januari 2014 bezighield met voorverkenningen en observaties gericht op [slachtoffer 5] , dat de verdachte hierbij een rol heeft gehad en dat diezelfde organisatie ook betrokken is bij zijn moord op 1 december 2014. Deze vaststellingen maken echter niet dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen voor de moord op [slachtoffer 5] komt. Dit - kort gezegd - omdat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat de te beoordelen tenlastegelegde voorwerpen een rol (zouden) hebben gespeeld bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 5] (in december), dan wel dat de verdachte deze voorhanden heeft gehad.
De verdachte wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van voorbereidingsmiddelen bestemd tot het begaan van de moord op [slachtoffer 5] .
4.
Zaakdossier Veste (feit 6): vrijspraak
4.1
De standpunten
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het primaire feit (medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) bewezen kan worden verklaard.
De verdediging verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken van het feit, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte bij het feit betrokken is geweest.
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.2.
4.2
Het oordeel van de rechtbank: vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als medepleger of medeplichtige betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het onder feit 6 tenlastegelegde en overweegt daartoe als volgt.
De rol van verdachte binnen het criminele samenwerkingsverband
In het voorgaande is door de rechtbank overwogen dat verdachte in de periode waarvoor hij is veroordeeld in onderzoek 26Koper en het jaar daar aan voorafgaand onderdeel was van een criminele organisatie die onder meer was gericht op het voorbereiden en plegen van liquidaties. De moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vond twee jaar eerder plaats, in december 2011. Gelet op dat tijdsverloop, kan de rechtbank niet zondermeer aannemen dat de verdachte ook toen al op eenzelfde wijze deelnam aan deze criminele organisatie. Concreet bewijs voor de deelname van verdachte in of voor december 2011 ontbreekt in het dossier. Zo is er voor die periode geen administratie aangetroffen van de criminele organisatie en is er ook geen vertrouwelijke communicatie teruggevonden. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie dan ook niet in het standpunt dat verdachte al in 2011 een (sleutel)rol had binnen de organisatie. De enkele verklaring van verdachte zelf dat hij zich in 2011 ook al bezig hield met drugs is daarvoor onvoldoende, omdat dit ook in een andere context kan zijn geweest. De rechtbank betrekt bij de weging van de concrete gedragingen die de verdachte in deze zaak verweten worden dan ook niet dat deze plaats gevonden hebben tegen de achtergrond van een door verdachte beklede (sleutel)positie binnen de organisatie.
De bijdrage van verdachte
De rechtbank overweegt dat het dossier geen bewijs bevat om aan te nemen dat de verdachte als uitvoerder betrokken was bij de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] of dat hij daar fysiek bij aanwezig was. Ook het Openbaar Ministerie stelt zich niet op dat standpunt. De vraag is of de verdachte op andere wijze een zodanige rol heeft gespeeld bij deze moord, dat hij als medepleger of medeplichtige kan worden aangemerkt, zoals hiervoor onder paragraaf 2.2.1 en 2.2.2. uiteen is gezet.
Volgens het Openbaar Ministerie bestaat de wezenlijke bijdrage van verdachte aan de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kort gezegd uit het (i.) onderhouden van intensief contact met één van de schutters, (ii) het regelen van kentekenplaten voor de vluchtauto van de schutters, (iii) het verschaffen van informatie over een plek om de vluchtauto achter te laten en (iv) het helpen bij het in brand steken van die vluchtauto.
Het Openbaar Ministerie baseert haar standpunt in belangrijke mate op het uitgangspunt dat [J] een van de schutters was. De rechtbank heeft voor die conclusie geen wettig en overtuigend bewijs in het dossier aangetroffen. De voor [J] belastende stukken in het dossier bestaan uit TCI-informatie, informatie op zogenoemde ‘dodenlijsten’ en informatie in reacties op nieuwsberichten op websites. Voor al deze informatie geldt dat de bron van de informatie en de reden van wetenschap onbekend is, zodat de betrouwbaarheid van de informatie door de rechtbank niet valt te beoordelen, terwijl ook niet valt uit te sluiten dat de bron van deze informatie telkens dezelfde is. Bovendien kan het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend of in beslissende mate worden gegrond op schriftelijke bescheiden houdende verklaringen van personen van wie de identiteit niet blijkt. Belangrijk steunbewijs uit andersoortige, controleerbare bronnen ontbreekt.
Maar ook als de rechtbank er veronderstellende wijs vanuit zou gaan dat [J] wel één van de schutters is geweest, bevat het dossier onvoldoende bewijs voor een strafbare betrokkenheid van de verdachte. Daarvoor is het volgende van belang.
i. het contact met [J]Uit het dossier kan worden opgemaakt dat een telefoon die aan de verdachte wordt toegeschreven, in de weken en dagen voorafgaand aan de dubbele liquidatie veelvuldig contact heeft met een telefoon die aan [J] kan worden toegeschreven. Ook lijken de gebruikers van de telefoons, gelet op de inhoud van verzonden berichten, twee keer een ontmoeting te hebben gehad. Over de inhoud van de telefoongesprekken is niets bekend, datzelfde geldt voor wat besproken is bij de ontmoetingen. In de wel aangetroffen chatberichten tussen beide telefoons staat niets dat direct in verband gebracht kan worden met de dubbele liquidatie. Nu over de aard en inhoud van de telefonische en fysieke contacten niets bekend is, kan niet de conclusie worden getrokken dat dat in relevant verband moet staan tot de gepleegde moord. Daarvoor is ook van belang dat uit het dossier blijkt dat de verdachte en [J] ook al ruim voor deze liquidaties vriendschappelijk met elkaar omgingen en er voor beiden dus andere redenen kunnen bestaan contact te hebben. Daarnaast is relevant dat van de verdachte geen goed zicht is gekregen op zijn telecommunicatie in de periode voor en na december 2011, zodat niet duidelijk is of het veelvuldige contact in december 2011 afwijkend is. Daarnaast bevat het dossier aanwijzingen dat [J] ook een nauw contact was van [A] . Er is dus geen sprake van een situatie waarin de verdachte een noodzakelijk schakel zou moeten zijn tussen [A] als (in de ogen van het Openbaar Ministerie) vermeende opdrachtgever en [J] als vermeende uitvoerder.
ii. het regelen van kentekenplatenIn een computer waarvan vastgesteld kan worden dat de verdachte die eind 2011 heeft gebruikt, is teruggevonden dat daarmee is gezocht naar auto’s gelijk aan de auto die is gebruikt bij de liquidatie op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Op 19 december 2011 is in de ochtend en de avond naar soortgelijke auto’s gezocht en (in de avond) is ook een specifieke advertentie bekeken. De vluchtauto was al ruim hiervoor gestolen. Het Openbaar Ministerie meent dat de verdachte deze zoekslagen heeft gemaakt om geschikte auto’s te zoeken waarvan de kentekenplaten weggenomen konden worden voor op de vluchtauto. Als dat al het geval is geweest, stelt de rechtbank vast dat deze zoekslagen niet hebben geleid tot het wegnemen van de daadwerkelijk gebruikte gestolen kentekenplaten. Ook de daarbij behorende auto stond namelijk op marktplaats, maar deze advertentie lijkt niet door de computer te zijn bezocht.
De rechtbank overweegt dat op basis van het dossier hoogstens zou kunnen worden aangenomen dat de verdachte heeft geprobeerd te helpen bij het zoeken naar kentekenplaten, maar dat zijn bijdrage niet tot iets concreets heeft geleid. Dan zou nog wel moeten worden aangenomen dat de verdachte degene is geweest die tijdens de zoekslagen achter de computer zat. Dat telefonische contacten tussen de hiervoor besproken telefoons van [J] en de verdachte verband houden met de gemaakte zoekslagen op de computer, kan verder ook niet worden vastgesteld. In de ochtend belde de telefoon van [J] namelijk uit naar de telefoon van de verdachte in plaats van andersom, terwijl in de avond het contact slechts 9 seconden bedroeg en dus ook een voicemailcontact kan zijn geweest.
Voor zover de verdachte daadwerkelijk geprobeerd heeft te helpen bij het zoeken naar kentekenplaten voor op de vluchtauto (wat medeplichtigheid zou kunnen opleveren), concludeert de rechtbank dat zijn zoekslagen nergens toe hebben geleid, en de verdachte ook op dat punt dus niet daadwerkelijk behulpzaam geweest. Een poging tot medeplichtigheid is niet strafbaar. Daarnaast biedt het dossier geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de verdachte nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt om kentekenplaten te zoeken voor de vluchtauto.
iii. informatie over een plek voor de vluchtautoUit de hiervoor ook aan de orde gekomen contacten tussen telefoons die aan de verdachte en [J] worden toegeschreven, blijkt dat de telefoon van de verdachte op de middag voor de moord heeft aangestraald in de buurt van de plek waar die avond de vluchtauto is achter gelaten en later in brand is gestoken. Het Openbaar Ministerie trekt daaruit de conclusie dat de verdachte die middag een plek heeft gezocht waar de vluchtauto kon worden achtergelaten en informatie daarover met [J] heeft gedeeld. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie hierin niet. Ten eerste blijkt uit het dossier dat het de telefoon van [J] was die tweemaal kort uitbelde naar de telefoon die aan de verdachte wordt toegeschreven. Als de verdachte [J] wilde informeren, ligt het meer voor de hand dat hij naar [J] uitbelt op het moment dat een plek gevonden is. Ten tweede kan, gelet op de korte gespreksduur, niet worden vastgesteld dat er daadwerkelijk contact is geweest (het kan ook zijn dat de telefoon van de verdachte op voicemail is over gegaan). Ten derde blijkt uit de telefoongegevens dat de telefoon van [J] 27 minuten eerder ook twee keer uitbelt naar de telefoon die aan de verdachte wordt toegeschreven, terwijl die telefoon dan in Vleuten uitstraalt. Het scenario dat [J] de telefoon van de verdachte probeerde te bereiken maar er niet werd opgenomen, en dat die telefoon bij poging drie en vier toevallig in de buurt was van de plek waar die avond de vluchtauto werd achtergelaten, acht de rechtbank (mede gelet op de gebruikelijke verblijfplaatsen van de verdachte in die periode) daarmee aannemelijker dan dat deze contacten duiden op actieve informatieverschaffing door de verdachte aan een mededader.
iv. hulp bij in brand steken vluchtautoDe politie heeft in de buurt van de in brand gestoken auto een aansteker gevonden met daarop onder andere het DNA van de verdachte. Die aansteker kan daar zijn achtergelaten door de persoon die de vluchtauto in brand heeft gestoken. Hieruit kan echter nog niet worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het in brand steken van de vluchtauto en dat hij de aansteker met dat doel ter beschikking heeft gesteld. Aanstekers zijn bij uitstek voorwerpen die van hand tot hand gaan, zodat er veel andere verklaringen mogelijk zijn voor de aanwezigheid van het DNA van de verdachte op de aansteker. In dat verband wijst de rechtbank bijvoorbeeld op het feit dat op de aansteker ook DNA is aangetroffen van een persoon die door de politie op geen enkele wijze met deze moord in verband gebracht kan worden. Gelet op de alledaagsheid van het voorwerp, de kringen waarin de verdachte zich begaf en het tijdsverloop, kan van de verdachte niet verlangd worden dat hij een sluitende verklaring geeft voor de aanwezigheid van zijn DNA op de aansteker.
Conclusies
Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de dubbele liquidatie op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ook als de rechtbank de hiervoor besproken omstandigheden in onderling verband en samenhang beziet, kan daaruit niet de conclusie worden getrokken dat deze aanwijzingen wel moeten duiden op een (nauwe) betrokkenheid van de verdachte bij de liquidaties. Medeplegen of medeplichtigheid aan deze liquidaties kan daarom niet worden bewezen.
5.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat:
Zaaksdossier Brand
Feit 1, subsidiair:
onbekend gebleven personen op 20 januari 2014 te Amersfoort, tezamen en in vereniging, [slachtoffer 4] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven hebben beroofd, door meermalen met vuurwapens op het lichaam van die [slachtoffer 4] te schieten,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 3 januari 2014 tot en met 20 januari 2014 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, inlichtingen heeft verschaft, door:
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van een coffeeshop
die [slachtoffer 4] pleegde te bezoeken ( [coffeeshop] , [straat] te [plaats] ),
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van een sportschool die [slachtoffer 4] pleegde te bezoeken ( [sportschool] , [straat] te [plaats] ),
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van de ouders en de feitelijke verblijfplaats van die [slachtoffer 4] (omgeving [straat] te [woonplaats] ), en
- vervolgens de middels de observatie(s) verkregen informatie over die [slachtoffer 4] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer 4] aan de schutter(s) en/of (een) derde(n) te verschaffen.
Feit 2:
in de periode van 3 januari 2014 tot en met 20 januari 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht op een persoon (te weten [slachtoffer 4] ), opzettelijk voorwerpen, te weten: kogelpatronen (9mm Luger), bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.
Zaaksdossier IJsberg
Feit 3, meest subsidiair:
een onbekend gebleven persoon op 11 januari 2014 te Steenbergen ter uitvoering van het door die onbekend gebleven persoon voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte omstreeks de periode van 16 december 2013 tot en met 11 januari 2014 te Steenbergen en/of Tiel en/of Nieuwegein en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, door:
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ),
- ( aldaar) die [slachtoffer 3] te volgen en te observeren (met behulp van peilbakens en telefoons die corresponderen met die peilbakens, en
- ( vervolgens) de middels de observaties verkregen informatie over die [slachtoffer 3] , de verblijfplaats van die [slachtoffer 3] , aan (een) derde(n) te verschaffen.
Feit 4, subsidiair:
een onbekend gebleven persoon op 14 april 2014 te Steenbergen, [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen op het hoofd en de romp van die [slachtoffer 3] te schieten,
tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 11 februari 2014 tot en met 18 februari 2014 te Steenbergen en/of Tiel en/of Nieuwegein en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, door:
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van
die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ),
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van het bedrijfspand
van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [plaats] ),
- zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de
ruitersportwinkel van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [plaats] ),
- ( aldaar) die [slachtoffer 3] te volgen en te observeren (met behulp van een peilbaken en
telefoon die corresponderen met dat peilbaken, en
- ( vervolgens) de middels de observaties verkregen informatie over die [slachtoffer 3] ,de verblijfplaats van die [slachtoffer 3] en een mogelijke vluchtroute, aan (een) derde(n) te verschaffen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
6.
Kwalificatie en strafbaarheid
6.1
Kwalificatie
De bewezenverklaarde feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1, subsidiair en feit 4, subsidiair: medeplegen van de medeplichtigheid aan moord;
feit 2: medeplegen van voorbereiding van moord;
feit 3, meest subsidiair:medeplegen van de medeplichtigheid van de poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.
6.2
Strafbaarheid verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
7.
Motivering van de straf
7.1
Eis van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie eist dat de verdachte (voor de door hem bewezen geachte feiten) wordt veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
7.2
Standpunt van de verdediging
Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen van enige vorm van betrokkenheid van verdachte bij de feiten, verzoekt de verdediging om geen levenslange gevangenisstraf, maar een tijdelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich, als onderdeel van een criminele organisatie die zich mede bezighield met het uitvoeren van liquidaties, schuldig gemaakt aan de medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 4] (en de voorbereiding daarvan) en de medeplichtigheid van zowel de poging tot zware mishandeling als de moord op [slachtoffer 3] . Hierbij heeft de verdachte voorverkenningen verricht en observaties uitgevoerd, waardoor informatie is verkregen over de (regelmatige) verblijfplaatsen, de dagelijkse routine van de slachtoffers en potentiële vluchtroutes. Met behulp van deze informatie zijn geschikte locaties en tijdstippen gevonden om de slachtoffers te liquideren.
De liquidaties zijn op zeer gewelddadige manier uitgevoerd. Zo zijn [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] , op de openbare weg, met gebruik van (semi-)automatische wapens, om het leven gebracht. Meerdere buurtbewoners zijn daar getuige van geweest en de (meerdere) schoten waarmee de slachtoffers om het leven werden gebracht, zijn ook door de vrouw van [slachtoffer 3] en de broers van [slachtoffer 4] gehoord. Meerdere nabestaanden en omwonenden hebben de slachtoffers ook met schotverwondingen zien liggen. Daarbij hebben de broers en zwager van [slachtoffer 4] nog geprobeerd om [slachtoffer 4] te reanimeren, hetgeen niet meer mocht baten.
Hiermee zijn twee mensenlevens beëindigd. [slachtoffer 3] was een vader, opa, broer, partner en vriend, [slachtoffer 4] een zoon, broer, oom en vriend. Beiden laten een blijvende leegte achter in de levens van de nabestaanden. Hiervan hebben de benadeelden op indrukwekkende wijze getuigd in hun spreekrechtverklaringen: het gemis is er, ondanks de jaren, nog steeds. De wijze waarop [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn vermoord, maakt dat het verlies over de jaren nog veel moeilijker te dragen is, bijvoorbeeld door de nog veel onbeantwoorde vragen over waarom hun geliefde vader, zoon of broer dood moest en wie daarvoor nog meer verantwoordelijk zijn.
Moord behoort tot de ernstigste feiten die in onze strafwetgeving strafbaar zijn gesteld. Een moord in de vorm van een liquidatie door een georganiseerde criminele organisatie geeft aan die ernst een extra lading. De verdachte wordt in deze zaak niet vervolgd voor het lidmaatschap van een criminele organisatie, maar dit lidmaatschap weegt wel strafverzwarend bij het bepalen van de op te leggen straf. De verdachte heeft er immers kennelijk welbewust voor gekozen om deel uit te maken van een organisatie die zich mede bezig houdt met het uitvoeren van liquidaties, en heeft ook aan meerdere liquidaties een concrete en essentiële bijdrage geleverd. Daarbij heeft hij zich op geen enkele wijze bekommerd over de slachtoffers en hun nabestaanden. Hiermee heeft hij bijgedragen aan de publieke onrust en verontwaardiging die bij dit soort ernstige geweldsdelicten ontstaat. Ook dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden zoals de verdachte die op de zitting naar voren heeft gebracht. De rechtbank ziet geen omstandigheden die van invloed zouden moeten zijn op de hoogte van de op te leggen straf.
Uit het Uittreksel Justitiële documentatie van 3 april 2024 blijkt dat de verdachte, zoals in dit vonnis meermaals aan de orde is gekomen, op 11 maart 2019 in de zaak 26Koper is veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaren.
Samenloop
De verdachte wordt schuldig verklaard aan misdrijven die hij voor de strafoplegging in onderzoek 26Koper heeft gepleegd. Dat betekent dat artikel 63 Sr Pro van toepassing is. Daarin staat dat indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf die hij voor die strafoplegging heeft gepleegd, dat de (samenloop)bepalingen uit titel VI van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn, waaronder artikel 57 Sr Pro.
Artikel 57 Sr Pro bepaalt dat de rechtbank bij een samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, één straf dient op te leggen.
De duur van de op te leggen (gevangenis)straf wordt beperkt door het tweede lid van artikel 57 Sr Pro. Voor feiten gepleegd vóór 1 juli 2026 geldt dat de totale straf niet hoger mag uitkomen dan één derde boven het hoogste strafmaximum. Voor moord geldt als strafmaximum een tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaren of een levenslange gevangenisstraf. Echter, bij medeplichtigheid aan moord, zoals in deze zaak bewezen is verklaard, kan geen levenslange gevangenisstraf worden opgelegd, maar slechts een maximale tijdelijke gevangenisstraf van twintig jaren. Dit staat in het derde lid van artikel 45 Sr Pro. Dit is het hoogste strafmaximum voor de bewezenverklaarde feiten in deze zaak èn in 26Koper. Wanneer daar (vanwege de samenloop) één derde bij wordt opgeteld, geldt als strafmaximum een tijdelijke gevangenisstraf voor de duur van zesentwintig jaar en acht maanden.
Bij gelijktijdige berechting en gevoegde behandeling van 26Koper en Lucifer had dus maximaal een gevangenisstraf van zesentwintig jaar en acht maanden opgelegd kunnen worden bij deze bewezenverklaringen. Omdat de verdachte in 26Koper al tot een gevangenisstraf van dertien jaren is veroordeeld en deze van de maximaal op te leggen gevangenisstraf dient te worden afgetrokken, betekent dit dat de maximale gevangenisstraf die de rechtbank in deze zaak (nog) kan opleggen dertien jaren en acht maanden bedraagt.
Gelet op de ernst van de feiten, acht de rechtbank de maximaal op te leggen straf ook passend en geboden. Een kortere straf doet geen recht aan de ernst van de feiten. Daarbij is voor de rechtbank met name van belang dat de verdachte in de zaak 26Koper weliswaar is veroordeeld voor (onder meer) feiten die raken aan de voorbereiding van liquidaties, maar dat hij in die zaak niet verantwoordelijk is gehouden voor de daadwerkelijke dood van slachtoffers. In deze zaak heeft de rechtbank wel een concrete rol vastgesteld van de verdachte bij het overlijden van twee personen. Dat rechtvaardigt het opleggen van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur naast de straf die in 26Koper al is opgelegd.
De redelijke termijn
Nu de verdachte in deze zaak meer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, heeft als uitgangspunt te gelden dat een behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden. De rechtbank neemt het bevel van inverzekeringstelling op 13 februari 2024 als aanvang van deze periode omdat de verdachte vanaf dat moment wist dat hij voor deze feiten zou worden vervolgd. Dit betekent dat berechting in totaal 29 maanden heeft geduurd. Van het uitgangspunt dat de berechting binnen zestien maanden moet zijn afgerond, kan echter worden afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze bijzondere omstandigheden kunnen zijn gelegen in de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn advocaten op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De grootte en complexiteit van het einddossier en de tijd die nodig is geweest voor de aanvullende onderzoeken maken dat in deze zaak sprake is van bijzondere omstandigheden, zodat van het voornoemde uitgangspunt wordt afgeweken. Alles afwegende, oordeelt de rechtbank dat in deze zaak geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zodat hier in het kader van de strafoplegging geen rekening mee wordt gehouden.
Conclusie
Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor duur van dertien jaren en acht maanden, met aftrek van het voorarrest passend en geboden.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
8.
Vorderingen van de benadeelde partijen
8.1.
Deelonderzoek Brand
De vorderingen tot schadevergoeding van de nabestaanden van [slachtoffer 4]
8.1.1.
Inleiding
De ouders, broers, zussen en (destijds) zwager van [slachtoffer 4] hebben zich als benadeelde partij gesteld en vorderen als gevolg van de moord op [slachtoffer 4] de verdachte te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, bestaande uit materiële schade en immateriële schade in de vorm van schokschade.
De rechtbank stelt voorop dat alle nabestaanden zich op grond van artikel 51f, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in samenhang met artikel 6:108, eerste lid, sub b en c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als benadeelde partij kunnen voegen in het strafproces.
De gevorderde schadeposten en -bedragen die ter beoordeling voorliggen zijn hieronder in paragraaf 8.1.4. per benadeelde uiteengezet.
8.1.2.
De standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schade
In het kader van de materiële schade voert de verdediging aan dat de kosten voor de afscheidsceremonie van [slachtoffer 4] in Marokko, gevorderd door de moeder, de vader en de zus ( [nabestaande 4] ), niet kunnen worden toegewezen. Zonder enige onderbouwing blijkt niet eenduidig waar deze kosten uit hebben bestaan en of de schade in rechtstreeks verband staat met het handelen van de verdachte. De verdediging verzoekt deze schadeposten dan ook niet-ontvankelijk te verklaren.
Ten aanzien van de immateriële schade
Uit de vorderingen van de moeder, de zus ( [nabestaande 4] ) en de zwager blijkt dat eerder in hun leven een traumatische gebeurtenis heeft plaatsgevonden. In het geval dit trauma gezorgd heeft voor (een deel van) de psychische schade, dient hiermee rekening te worden gehouden in de hoogte van het schadebedrag.
Ten aanzien van de wettelijke rente
De verdediging vraagt de rechtbank een andere startdatum voor de wettelijke rente te bepalen dan de pleegdatum. Het tijdsverloop in deze zaak zal leiden tot een aanzienlijke verhoging van het schadebedrag. Dit, terwijl het gros van de informatie in TGO Brand ten tijde van onderzoek 26Koper al bekend was, maar het Openbaar Ministerie er destijds voor heeft gekozen om de verdachte niet te vervolgen voor de moord op [slachtoffer 4] .
Voor het overige zijn de vorderingen niet door de verdediging betwist.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van de materiële schade
De benadeelden hebben de materiële schadeposten voldoende onderbouwd. Voor zover geen onderliggende facturen of nota’s beschikbaar zijn, zoals geldt voor de uitvaartkosten in Marokko, hebben de benadeelden deze toch aannemelijk gemaakt. Dit door middel van hun toelichting en verwijzing naar referentiebedragen.
Ten aanzien van de immateriële schade
Wat betreft de gevorderde immateriële schade komen de vorderingen van alle benadeelden, met uitzondering van de vordering van de vader van [slachtoffer 4] , voor volledige toewijzing in aanmerking. Uit de vorderingen blijkt de indringende confrontatie met de gevolgen van de schietpartij als ook de psychische klachten die hierdoor zijn ontstaan bij de benadeelden.
In tegenstelling tot de andere vorderingen is het geestelijk letsel van de vader van [slachtoffer 4] niet aannemelijk gemaakt, aangezien (medische) stukken ter onderbouwing ontbreken.
Dat de moeder, de zwager en de zus ( [nabestaande 4] ) voor de moord al eerder een traumatische gebeurtenis hebben meegemaakt, staat wat het Openbaar Ministerie niet aan toewijzing van het gehele bedrag aan schokschade in de weg. Vaststaat dat de ingezette behandeltrajecten en voorgeschreven medicatie primair zagen op posttraumatische stressklachten ten gevolge van (de confrontatie met) de moord.
Het Openbaar Ministerie merkt tot slot op dat de vorderingen - voor zover deze toewijsbaar worden geacht - moeten worden vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.1.3.
Juridisch kader: materiële en immateriële schade in de vorm van schokschade
De benadeelden vorderen vergoeding van schokschade. Schokschade (ook wel shockschade genoemd) komt voor toewijzing in aanmerking als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van een hevige emotionele schok door (i) het waarnemen van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958) blijkt dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot vergoeding van schokschade het volgende moet meewegen:
  • de aard, de toedracht en de gevolgen van het tegen het slachtoffer gepleegde feit, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het slachtoffer toegebrachte leed;
  • de wijze waarop de benadeelde partij wordt geconfronteerd met de tegen het slachtoffer gepleegde feit en de gevolgen daarvan;
  • de aard en hechtheid van de relatie tussen het slachtoffer en de benadeelde partij.
Het bestaan van geestelijk letsel kan in het algemeen alleen worden aangenomen als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Een diagnose is daarvoor niet vereist, maar het bestaan van geestelijk letsel moet wel kunnen worden vastgesteld op grond van een rapportage van een bevoegde en bekwame deskundige, zoals een psychiater, huisarts of psycholoog. Als sprake is van geestelijk letsel, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.
Bij schokschade gelden de algemene regels voor de vaststelling van de hoogte van immateriële schadevergoeding. De rechtbank zal daarnaast de Rotterdamse schaal als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schokschade. De Rotterdamse schaal noemt in paragraaf 14.2 de volgende categorieën voor geestelijk letsel in de vorm van post traumatische stressstoornis:
Zeer ernstig: Er zijn blijvende gevolgen, die maken dat de benadeelde in het geheel niet in staat is om arbeid te verrichten of ervoor zorgen dat de benadeelde op een veel lager niveau functioneert dan voor het trauma. Alle facetten van het leven van de benadeelde zijn ernstig geraakt.
Ernstig: Deze categorie onderscheidt zich van de categorie ‘ernstig’ (a) wat betreft de prognose: met professionele hulp kan een bepaalde mate van herstel worden bereikt. In de nabije toekomst blijven aanzienlijke beperkingen bestaan.
Middelzwaar: In deze gevallen is de benadeelde grotendeels hersteld en leiden de resterende klachten niet tot ernstige beperkingen.
Minder ernstig: In deze gevallen is de benadeelde binnen ongeveer één tot twee jaar nagenoeg volledig hersteld en houden alleen geringe klachten langere tijd aan.
Voor zover bij de benadeelde partijen geestelijk letsel wordt vastgesteld, merkt de rechtbank dit letsel, afhankelijk van de mate van herstel dat heeft plaatsgevonden, aan als ernstig (categorie b) of als middelzwaar (categorie c). De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schade ook gelet op de verhouding tussen de verschillende benadeelde partijen. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank de schaal met 25% verhogen.
Bij de beoordeling van de gevorderde schokschade neemt de rechtbank het volgende (op voorhand) in aanmerking.
[slachtoffer 4] is op een openbare plek veelvuldig beschoten. Hij heeft hierdoor dusdanig ernstige schotverwondingen opgelopen, dat hij ter plaatse, in het bijzijn van naaste familie, is overleden. Er kan dan ook gesproken worden van een zeer gewelddadige en schokkende gebeurtenis.
De benadeelden zijn eerste- en tweedegraadse familieleden en een zwager met wie [slachtoffer 4] regelmatig contact had en in wiens huis hij ook regelmatig verbleef. Voor alle benadeelden geldt dan ook dat sprake is geweest van een nauwe en affectieve relatie met [slachtoffer 4] .
8.1.4
De toe te wijzen schadevergoeding en de wettelijke rente
8.1.4.1 De materiële schadeposten
De benadeelden hebben meerdere materiële schadeposten opgevoerd. De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting vast dat alle materiële schadeposten in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde.
Een aantal van de gevorderde schadeposten van de benadeelden komt qua aard overeen, zodat de rechtbank voordat zij op de specifieke vorderingen ingaat, hiertoe het volgende overweegt.
De reiskosten naar Marokko in het kader van kosten lijkbezorging
Uit artikel 6:108, tweede lid, BW blijkt dat kosten van lijkbezorging, voor zover in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene, voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Onder lijkbezorging worden alle handelingen verstaan met betrekking tot het geven van een eindbestemming aan de overledene.
De benadeelden vorderen allen de kosten gemaakt voor de reis naar Marokko (per vliegtuig en/of auto en boot) in verband met de begrafenis van [slachtoffer 4] . Deze reiskosten zijn niet betwist en (onder andere door middel van overgelegde facturen) voldoende onderbouwd, zodat deze zullen worden toegewezen.
De materiële schade in het kader van schokschade
De benadeelden hebben schokschade gevorderd en daarmee ook samenhangende materiële schade.
De broer ( [nabestaande 2] ), de broer ( [nabestaande 4] ), de zus ( [nabestaande 5] ) en de zwager vorderen op grond van artikel 6:96, tweede lid, sub b BW de vergoeding van door hen gemaakte kosten ter vaststelling van schade met betrekking tot het geestelijk letsel. Deze kosten zijn niet betwist en zijn onderbouwd met een factuur van de huisarts of psycholoog, zodat vergoeding daarvan kan worden toegewezen.
Vanwege (aanhoudend) geestelijk letsel, zoals uit de uiteenzetting van de vorderingen zal blijken, hebben de benadeelden (trauma)therapie ondergaan en/of medicatie voor PTSS-klachten voorgeschreven gekregen. De moeder, de broer ( [nabestaande 2] ), de broer ( [nabestaande 6] ), de zus ( [nabestaande 1] ), de zus ( [nabestaande 4] ) en de zwager hebben hierdoor in de jaren na het incident (voor enkelen tot en met 2026) hun eigen risico moeten aanwenden. De benadeelden voeren het betaalde bedrag aan eigen risico als schade op.
De benadeelden, met uitzondering van de zus [nabestaande 1] , hebben geen verzekeringsoverzicht overgelegd waaruit het aanwenden van het eigen risico blijkt. De rechtbank overweegt dat uit de onderbouwing van de vorderingen wel blijkt dat zij de betreffende jaren (waarin zij hun eigen risico zouden hebben aangewend) (trauma)therapie hebben ondergaan en/of medicatie voorgeschreven hebben gekregen voor PTSS-klachten, zodat het aannemelijk is dat deze kosten zijn gemaakt. De schadeposten zijn ook niet betwist en zullen worden toegewezen.
8.1.4.2. Ten aanzien van de moeder ( [nabestaande 7] )
De moeder van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.905,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.905,- voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
 lijkbezorging € 2.530,-
- de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van [slachtoffer 4] : € 605,-;
- de helft van de kosten voor de grafsteen van [slachtoffer 4] : € 300,-;
- de helft van de kosten voor het rouwproces: € 1500,-;
- de helft van de kosten voor het vervoer van het lichaam van [slachtoffer 4] naar zijn begraafplaats: € 125,-;
 het eigen risico: € 375,-.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen de kosten van het vliegticket en het eigen risico worden toegewezen.
De grafsteen en het vervoer van het lichaam van [slachtoffer 4] betreffen kosten van lijkbezorging. De verdediging heeft deze posten niet betwist en de kosten (en de hoogte daarvan) zijn naar het oordeel van de rechtbank voorstelbaar en aannemelijk, zodat deze, ook zonder verdere onderbouwing, zullen worden toegewezen.
Ook de kosten voor het rouwproces, bestaande uit de afscheidsceremonie met catering, komen als kosten van lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. De benadeelde voert aan dat de uitgaven horen bij de sociale rituelen rond een afscheid binnen de islamitische gemeenschap. Zowel moeder als vader geven in hun vordering aan de helft van de totale kosten voor het rouwproces (€ 3.000,- totaal) te hebben betaald. De benadeelden hebben destijds contant betaald en kunnen daarom geen facturen of bonnen overleggen. Ook voor deze schadepost geldt dat de rechtbank het voorstelbaar en aannemelijk vindt dat kosten voor een afscheidsceremonie (met catering) voor familie en vrienden van [slachtoffer 4] zijn gemaakt. De kosten komen de rechtbank, gelet op referentiebedragen, ook niet onredelijk over, zodat zij de (totale) schade begroot op een bedrag van € 3.000,- en een bedrag van € 1.500,- toewijst voor de benadeelde.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen.
In tegenstelling tot de andere benadeelden, zoals uit dit vonnis zal blijken, is de moeder van [slachtoffer 4] niet geconfronteerd met het lichaam van haar overleden zoon. Zij ligt op 20 januari 2014 in bed als een van haar zonen haar onverhoeds, met bebloede kleding en volledig in shock, vertelt dat [slachtoffer 4] is doodgeschoten. Na het horen van het nieuws heeft zij een geklapte hartspier opgelopen en moest zij direct met spoed naar het ziekenhuis worden gebracht. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank aan het confrontatievereiste voldaan. Dat de benadeelde niet op plaats delict is geweest doet daar niet aan af.
De benadeelde heeft de vordering tot vergoeding van shockschade onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is in 2015 gediagnostiseerd met PTSS. Hiervoor heeft zij EMDR-therapie gevolgd. Beschreven is dat de benadeelde kampte met angstgevoelens, slaapproblemen, herbelevingen dat haar zoon met bebloede kleding in haar kamer stond en ernstige depressieve klachten. Niet is bekend is of de benadeelde op dit moment nog met dergelijke klachten kampt.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c (middelzwaar) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. De rechtbank houdt er hierbij ook rekening mee dat de hevige emotionele shock directe medische gevolgen voor de benadeelde heeft gehad. De rechtbank acht een bedrag van € 20.000,- billijk.
De rechtbank ziet geen reden een lager bedrag toe te kennen vanwege eerder opgelopen trauma. Vaststaat dat bij de benadeelde door de moord op [slachtoffer 4] geestelijk letsel is ontstaan en het toe te wijzen bedrag komt de rechtbank, gelet op de bedragen toegewezen ten aanzien van de andere benadeelden, niet onbillijk voor.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 22.905,-, bestaande uit € 2.905,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Voor zover dit niet bekend is, gaat de rechtbank ervan uit dat de kosten van de begrafenis binnen een maand na het overlijden zijn betaald. Omdat de benadeelde partij het eigen risico over een periode van één jaar heeft gevorderd, stelt de rechtbank, conform vast beleid, de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op (ongeveer) het midden van de periode.
Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 300,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 1.500,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 125,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 375,- met ingang van 1 juli 2015.
Nu de rechtbank de immateriële schade heeft vastgesteld op basis van alle (op dit moment) beschikbare feiten en omstandigheden en zij gebruikmaakt van naar actuele maatstaven billijke bedragen, zal de rechtbank de datum van het vonnis als begrotingsmoment nemen, te weten 13 juli 2026. Dit betekent dat de wettelijke rente over de immateriële schade vanaf heden ingaat.
8.1.4.3 Ten aanzien van de vader van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 8] )
De vader van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 37.905,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.530,- voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
 lijkbezorging € 2.530,-
- de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van [slachtoffer 4] : € 605,-;
- de helft van de kosten voor de grafsteen van [slachtoffer 4] : € 300,-;
- de helft van de kosten voor het rouwproces: € 1500,-;
- de helft van de kosten voor vervoer van het lichaam van [slachtoffer 4] naar zijn begraafplaats: € 125,-.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit 8.1.4.1 en hetgeen bij moeder overwogene blijkt, zullen bovengenoemde alle materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
Aangevoerd is dat de benadeelde objectiveerbare symptomen, zoals angstgevoelens, nachtmerries, stress en concentratieproblemen, heeft van geestelijk letsel. De rechtbank overweegt dat een formele diagnose niet is vereist, maar bij het ontbreken van enige (medische) stukken kan zij niet vaststellen of sprake is (geweest) van geestelijk letsel. De enkele verklaring van de advocaat dat dit het geval is, is onvoldoende. De benadeelde zal voor dit onderdeel van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.530,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Voor zover dit niet bekend is, gaat de rechtbank ervan uit dat de kosten van de begrafenis binnen een maand na het overlijden zijn betaald. Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 300,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 1500,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 125,- met ingang van 20 februari 2014.
8.1.4.4. Ten aanzien van de broer van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 2] )
De broer van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 36.679,54, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.704,54 voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
 lijkbezorging, te weten reiskosten naar Marokko voor de begrafenis van [slachtoffer 4] :
€ 756,15;
  • het eigen risico: € 821,99;
  • de kosten voor de vaststelling van geestelijk letsel: € 101,40.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen alle materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen.
De benadeelde is op 20 januari 2014 door zijn broer in paniek opgebeld over de schietpartij. De benadeelde is ter plaatste gegaan en ziet daar [slachtoffer 4] op de grond liggen, levenloos en onder het bloed. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is in 2015 en ook nog in 2018 gediagnostiseerd met PTSS. Hiervoor heeft hij meermaals EMDR-therapie gevolgd. Beschreven is dat de benadeelde kampte met slapenloosheid, en somberheid, als ook suïcidaliteit en middelengebruik, waarvoor hij in 2018 in een kliniek is opgenomen. De PTSS-klachten duren tot op heden voort.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken en de langdurige aanhoudende ernstige psychische klachten, categorie 14.2 onder b (ernstig) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 16.000 tot € 41.000. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan het midden van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 30.000,- billijk
.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 31.704,54, bestaande uit € 1.704,54 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Omdat de benadeelde partij het eigen risico (€ 821,99) over meerdere jaren heeft gevorderd, stelt de rechtbank, conform vast beleid, de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op (ongeveer) het midden van de periode.
Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 756,15, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 821,99 met ingang van 1 juli 2020;
- over een bedrag van € 101,40 met ingang van 16 maart 2026.
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.4.5. Ten aanzien van de broer van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 6] )
De broer van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 40.939,97, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 939,97 voor vergoeding van materiële schade en € 40.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van schokschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
  • lijkbezorging, te weten de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van [slachtoffer 4] : € 554,97;
  • Het eigen risico: € 385,-.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen beide bovengenoemde materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De benadeelde is op 20 januari 2014 op de avond van de schietpartij ook aanwezig bij de sportschool. De benadeelde merkt op enig moment dat er chaos ontstaat. Hij rent naar buiten en ziet daar [slachtoffer 4] bewegingloos op de grond liggen. De benadeelde krijgt geen reactie van [slachtoffer 4] . Hij trekt het shirt van [slachtoffer 4] omhoog en ziet in zijn lichaam meerdere gaten. Samen met anderen probeert hij [slachtoffer 4] te reanimeren. Hij beschrijft tijdens de mond-op-mondbeademing het geluid van de lucht te horen die hij in de mond van [slachtoffer 4] blaast en via zijn buik naar buiten komt. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie.
De benadeelde is in 2021 gediagnostiseerd met PTSS en heeft hiervoor EMDR-therapie gevolgd. Beschreven is dat de benadeelde kampte met herbelevingen, slaapproblemen, angst en weinig levenslust. In de aanloop naar de inhoudelijke behandeling zijn de klachten in ernstige mate toegenomen. Dit leidt tot verdere beperkingen in zijn dagelijks functioneren, waaronder sociale terugtrekking en slaapproblemen.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken en de aanhoudende psychische klachten, categorie 14.2 onder b (ernstig) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 16.000,- tot € 41.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan het midden van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 25.000,- billijk
.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 25.939,97, bestaande uit € 939,97 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Omdat de benadeelde partij het eigen risico over een periode van één jaar heeft gevorderd, stelt de rechtbank, conform vast beleid, de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op (ongeveer) het midden van de periode.
Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 385,- met ingang van 1 juli 2021.
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.4.6 Ten aanzien van de broer van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 9] )
De broer van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 35.601,57, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 601,57 voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
 lijkbezorging,
- de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van [slachtoffer 4] : € 554,97;
- de spoedaanvraag van een paspoort ten behoeve van de reis naar Marokko: € 46,60.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen de kosten van het vliegticket worden toegewezen.
Dat de benadeelde ten behoeve van de vlucht naar Marokko in verband met de naderende verloopdatum met spoed een nieuw paspoort heeft moeten aanvragen is voldoende onderbouwd. Zo blijkt uit de vordering dat de benadeelde op 28 januari 2014 naar Marokko is gevlogen en op grond van de overgelegde factuur heeft hij op 22 januari 2014 de spoedtoeslag betaald. De gevorderde materiële schade is dan ook geheel toewijsbaar.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De benadeelde heeft tot op heden geen medische hulp gezocht. Hierdoor zijn geen rapportages opgesteld. Aangevoerd is dat de benadeelde wel objectiveerbare symptomen, zoals herbelevingen, slaapproblemen, angst, concentratieproblemen en het onderdrukken van emoties, heeft van geestelijk letsel. Deze symptomen zijn voorgelegd aan een psycholoog en de psycholoog zegt dat dit symptomen zijn van PTSS. De psycholoog heeft de benadeelde echter niet gesproken. De rechtbank overweegt, zoals eerder benoemd, dat een formele diagnose niet vereist is, maar bij het ontbreken van enige (medische) stukken kan zij niet vaststellen of sprake is (geweest) van geestelijk letsel. Een enkele beoordeling van door de benadeelde zelf gerapporteerde klachten, zonder eigen onderzoek, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing. De benadeelde zal voor dit onderdeel van de vordering daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het toe te wijzen bedrag
Kort gezegd zal de rechtbank de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 601,57, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 46,60 met ingang van 22 januari 2014;
8.1.4.7 Ten aanzien van de broer van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 4] )
De broer van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 40.804,97, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 804,97 voor vergoeding van materiële schade en € 40.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
  • lijkbezorging, te weten de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van [slachtoffer 4] : € 554,97;
  • de kosten voor de vaststelling van geestelijk letsel: € 250,-;
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen beide bovengenoemde materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen.
De benadeelde is op 20 januari 2014 op de avond van de schietpartij ook aanwezig bij de sportschool. De benadeelde merkt op enig moment dat er chaos ontstaat. Hij rent naar buiten en ziet daar [slachtoffer 4] bewegingloos en onder het bloed op de grond liggen. Samen met anderen probeert hij [slachtoffer 4] te reanimeren. De benadeelde blaast lucht in de longen, maar ziet dit uit het lichaam van [slachtoffer 4] ontsnappen. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is in 2016 gediagnostiseerd met PTSS. Beschreven is dat de benadeelde kampt met slaapproblemen, herbelevingen en depressieve klachten. De klachten houden tot heden aan.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder b (ernstig) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 16.000 tot € 41.000. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief aanhoudend vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de onderkant van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 20.000,- billijk
.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 20.804,97 bestaande € 804,97 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 250,- met ingang van 27 februari 2026;
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.4.8 Ten aanzien van de zus van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 5] )
De zus van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 35.805,- , vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 805,- voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van schokschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
  • lijkbezorging, te weten de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van € 605,-;
  • de kosten voor de vaststelling van geestelijk letsel: € 200,-.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen beide bovengenoemde materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen.
De benadeelde ligt op 20 januari 2014 in bed als zij in paniek wordt opgebeld door haar broer. Na het nieuws is zij direct naar [sportschool] gegaan. Hier treft zij het bebloede lichaam van [slachtoffer 4] aan. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is in 2019 gediagnostiseerd met PTSS en een depressieve stoornis. Hiervoor heeft zij EMDR-therapie gevolgd. Beschreven is dat de benadeelde kampt met stressklachten, slaapproblemen, concentratieproblemen en minder levensvreugde. De klachten houden tot op heden aan.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder b (ernstig) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 16.000 tot € 41.000. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief aanhoudend vastgestelde letsel tot een toewijzing aan het midden van de schaal leidt. Gelet op het bij de benadeelde partij objectief aanhoudend vastgesteld letsel acht de rechtbank een bedrag van € 25.000,- billijk
.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 20.805,- bestaande € 805,- aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 200,- met ingang van 25 maart 2026;
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.4.9 Ten aanzien van de zus van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 1] )
De zus van [slachtoffer 4] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 36.664,69, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1.664,69 voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
  • lijkbezorging, te weten de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van € 554,97;
  • het eigen risico: € 1.109,72.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen beide bovengenoemde materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen.
De benadeelde ligt in bed als zij in paniek wordt opgebeld door haar broer over de schietpartij. Zij is direct naar [sportschool] gegaan. Zij zag daar een wit laken over het lichaam van [slachtoffer 4] . Bij het optillen van [slachtoffer 4] is het laken gebroken, waardoor zij zijn levenloze lichaam op de grond heeft zien vallen. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is in 2023 gediagnostiseerd met PTSS. Hiervoor heeft zij EMDR-therapie gevolgd. Beschreven is dat de benadeelde kampt met nachtmerries, slaapproblemen, herbelevingen en een vlak gevoel. De klachten houden tot op heden aan.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder b (ernstig) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 16.000 tot € 41.000. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief aanhoudend vastgestelde letsel tot een toewijzing aan het midden van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 25.000,- billijk
.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 26.664,69, bestaande € 1.664,69 aan materiële schade en € 25.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Omdat de benadeelde partij het eigen risico over het jaar 2014 en over de jaren 2024 tot en met 2026 heeft gevorderd, stelt de rechtbank, conform vast beleid, de ingangsdatum van de wettelijke rente (telkens) vast op (ongeveer) het midden van die periodes.
Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 35,00 met ingang van 1 juli 2014;
- over een bedrag van € 1.074,72 met ingang van 1 januari 2025.
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.4.10. Ten aanzien van de zus van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 4] )
De zus van [slachtoffer 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 42.477,24, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 7.477,24 voor vergoeding van materiële schade en € 35.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van shockschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
 lijkbezorging € 2.530,-
- de kosten van het vliegticket naar Marokko voor de begrafenis van: € 605,-;
- de financiële bijdrage voor de uitvaart van [slachtoffer 4] : € 3.000,-;
  • de reparatie van haar auto: € 607,24 en de waardevermindering van de auto: € 2,500,-;
  • het eigen risico: € 765,-.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen de kosten van het vliegticket en het eigen risico worden toegewezen.
De benadeelde zegt een financiële bijdrage te hebben geleverd aan de uitvaart van [slachtoffer 4] . Dit bedrag is gebruikt voor eten, drinken, het vlees dat na de uitvaart werd genuttigd, gebedsmatjes, de inzet van uitvaartpersoneel en de huur van stoelen en tafels. Deze schadepost komt als kosten van lijkbezorging in beginsel voor vergoeding in aanmerking. De verdediging heeft echter het uitdrukkelijke verweer gevoerd dat deze schadepost niet is onderbouwd. De rechtbank overweegt, nu de benadeelde geen bonnen of facturen heeft overgelegd en de ouders van [slachtoffer 4] zeggen samen voor de uitvaart (waaronder de ceremonie en catering) van [slachtoffer 4] te hebben betaald, dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde deze kosten heeft gemaakt.
[slachtoffer 4] maakte op 20 januari 2014 gebruik van het voertuig van de benadeelde, een Audi A3. Ten tijde van de moord op [slachtoffer 4] stond het voertuig op de parkeerplaats van [sportschool] geparkeerd. Deze is toen beschadigd geraakt. Op 4 april 2024 heeft de benadeelde de autoruit van de auto gerepareerd en vergoeding voor deze gemaakte kosten wordt dan ook gevorderd. Verdere reparatie van de auto, waaronder een niet hersteld kogelgat, was voor de benadeelde financieel niet mogelijk. De auto is uiteindelijk niet (verder) gerepareerd en verkocht. Door het niet herstelde kogelgat, is de auto aanzienlijk in waarde verminderd en deze is uiteindelijk voor een lager bedrag dan gebruikelijk voor dit soort auto’s, verkocht. De uiteindelijke waardevermindering wordt gevorderd.
De rechtbank oordeelt, gelet op het voorgaande, dat sprake is van rechtstreekse schade. In het procesdossier vindt de rechtbank ook bevestiging dat de voorruit van het voertuig beschadigd is geraakt en dat er in het voertuig meerdere schotbeschadigingen zijn aangetroffen. De reparatie van de voorruit is middels een factuur voldoende onderbouwd. Ten aanzien van de waardevermindering van het voertuig zijn geen nadere stukken ter onderbouwing overgelegd, maar deze schadepost is inhoudelijk niet door de verdediging weersproken en komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Beide schadeposten zullen worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen.
De benadeelde ligt in bed als zij in paniek wordt opgebeld door haar broer. Zij is direct naar [sportschool] gegaan. Zij zag daar een wit laken met daaronder het lichaam van [slachtoffer 4] . Bij het optillen van [slachtoffer 4] is het laken gebroken, waardoor zij zijn levenloze lichaam van [slachtoffer 4] zag. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is gediagnostiseerd met PTSS. Hiervoor heeft zij EMDR-therapie gevolgd. Beschreven is dat de benadeelde kampte met nachtmerries, slaapproblemen, herbelevingen en depressieve klachten. Niet is toegelicht dat zij nu nog deze klachten ervaart.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c (middelzwaar) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Gelet op het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel acht de rechtbank een bedrag van € 20.000,- billijk
.
De rechtbank ziet geen reden een lager bedrag toe te kennen vanwege eerder opgelopen trauma. Vaststaat dat bij de benadeelde door de moord op [slachtoffer 4] geestelijk letsel is ontstaan en het toe te wijzen bedrag acht de rechtbank billijk, mede gelet op de bedragen toegewezen ten aanzien van de andere benadeelden.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 24.477,24 bestaande € 4.477,24 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Omdat de benadeelde partij het eigen risico (€765,-) over meerdere jaren heeft gevorderd, stelt de rechtbank, conform vast beleid, de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op (ongeveer) het midden van de periode.
Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 607,24 met ingang van 4 april 2014;
- over een bedrag van € 2.500,- met ingang van 4 april 2014;
- over een bedrag van € 765,- met ingang van 1 januari 2016.
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.4.11. De zwager van [slachtoffer 4] ( [nabestaande 10] )
De zwager van [slachtoffer 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 45.054,50, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 5.054,50 voor vergoeding van materiële schade en € 40.000,- voor vergoeding van immateriële schade in de vorm van schokschade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
  • het eigen risico: € 4.970,-;
  • de kosten voor de vaststelling van geestelijk letsel: € 84,50.
Ten aanzien van de materiële schade:
Zoals uit paragraaf 8.1.4.1 blijkt, zullen beide bovengenoemde materiële schadeposten worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade (schokschade)
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank (mede) het volgende in aanmerking genomen
De benadeelde is op 20 januari 2014 op de avond van de schietpartij ook aanwezig bij de sportschool. De benadeelde merkt op enig moment dat er chaos ontstaat. Hij rent naar buiten en ziet daar [slachtoffer 4] bewegingloos op de grond liggen met gaten in zijn lichaam. Samen met anderen probeert hij [slachtoffer 4] te reanimeren. Ook heeft hij geprobeerd de kogels uit het lichaam [slachtoffer 4] te halen. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering onderbouwd met medische stukken. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie. De benadeelde is in 2017 gediagnostiseerd met PTSS. Hiervoor heeft hij EMDR-therapie gevolgd. Dit is niet succesvol gebleken en de klachten zijn na behandeling verergerd. Beschreven is dat de benadeelde kampt met nachtmerries, herbelevingen en slaapproblemen. De klachten houden tot op heden aan.
De rechtbank neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder b (ernstig) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 16.000 tot € 41.000. Gelet op de aard en ernst van het bewezen opzettelijke handelen van de verdachte zal de rechtbank deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde aanhoudend letsel tot een toewijzing aan het midden van de schaal leidt. De rechtbank acht een bedrag van € 30.000,- billijk
.
De rechtbank ziet geen reden een lager bedrag toe te kennen vanwege eerder opgelopen trauma. Vaststaat dat bij de benadeelde door de moord op [slachtoffer 4] geestelijk letsel is ontstaan en het toe te wijzen bedrag acht de rechtbank billijk, mede gelet op de bedragen toegewezen ten aanzien van de andere benadeelden.
Het toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 35.045,50 bestaande € 5.054,50 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de verschillende schadeposten van de materiële schade bepaalt de rechtbank de ingangsdatum van de wettelijke rente telkens op het moment van ontstaan, dus de betaaldatum van de desbetreffende factuur. Omdat de benadeelde partij het eigen risico (€ 4.970,-) over meerdere jaren heeft gevorderd, stelt de rechtbank, conform vast beleid, de ingangsdatum van de wettelijke rente vast op (ongeveer) het midden van de periode.
Het gaat dus om de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 4.970,- met ingang van 1 juli 2020;
- over een bedrag van € 84,50 met ingang van 30 maart 2026;
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.1.5.
Niet-ontvankelijkheid
Voor het overige zal de rechtbank de vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Voor dat deel van de vorderingen bepaalt zij dat deze kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
8.2
Deelonderzoek IJsberg (feit 4, subsidiair)
De dochter van [slachtoffer 3] vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat geheel uit immateriële schade in de vorm van schokschade.
8.2.1
De standpunten van de verdediging en het Openbaar Minsiterie
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de vordering van de benadeelde partij.
8.2.2
De toe te wijzen schadevergoeding en de wettelijke rente
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vergoeding van schokschade voldoende onderbouwd is. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Uit de spreekrechtverklaring volgt dat de benadeelde op 14 april 2014 door haar moeder in paniek is opgebeld over de schietpartij, waarna zij naar de woning van haar ouders is gegaan. Daar heeft zij haar vader (met schotverwondingen) zien liggen. Nu de benadeelde op ingrijpende wijze geconfronteerd is met het misdrijf en de omstandigheden waaronder het heeft plaatsgevonden, is aan het confrontatievereiste voldaan.
De benadeelde heeft de vordering schokschade niet onderbouwd met medische stukken. Toch oordeelt de rechtbank dat op grond van de spreekrechtverklaring en de vordering van de benadeelde partij in voldoende (objectieve) mate is komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de voornoemde confrontatie.
In haar spreekrechtverklaring beschrijft de benadeelde namelijk dat er, nadat zij haar vader heeft zien liggen, een trauma is begonnen dat nooit meer is weggegaan. Uit de vordering leidt de rechtbank af dat dit trauma ook bij de benadeelde is vastgesteld. Zo heeft de benadeelde, blijkens haar vordering, EMDR-therapie gevolgd voor traumaverwerking, psychische klachten en paniekaanvallen. Dit maakt dat naar objectieve maatstaven voldoende vaststaat dat er sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde én dat dit geestelijk letsel door de confrontatie met schotverwondingen bij haar vader is ontstaan.
Gelet op gestelde psychische klachten en de gevolgen die de benadeelde partij blijkens haar vordering heeft ondervonden, neemt de rechtbank categorie 14.1 onder c (middelzwaar) van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 4.000,- tot € 13.000,-. Het gevorderde bedrag van € 5.000,- acht de rechtbank dan ook billijk.
Het toe te wijzen bedrag
Kort gezegd zal de rechtbank de vordering geheel toewijzen tot een bedrag van € 5.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
Wettelijke rente
Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum van de wettelijke rente het begrotingsmoment. Dat is de datum van het vonnis, te weten 13 juli 2026.
8.3
Schadevergoedingsmaatregel en gijzeling
De rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem of haar doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Overschrijding gijzeling 360 dagen
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Met betrekking tot het bepalen van de duur van de gijzeling geldt dat voor misdrijven die voor 25 juli 2020 zijn gepleegd in totaal niet meer dan 360 dagen gijzeling mag worden opgelegd. In deze zaak moet de verdachte (grote) geldbedragen aan meerdere benadeelde partijen betalen. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in deze zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling (opgeteld per maatregel) het maximum van 360 dagen overschrijden. De rechtbank heeft het aantal dagen gijzeling daarom naar evenredigheid berekend. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
8.4
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het bewezenverklaarde samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk).
8.5
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding (gedeeltelijk) worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelden hebben gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
8.6
Deelonderzoek Hendrick (feit 2)
De moeder, zus [nabestaande 11] , zus [nabestaande 12] , broer [nabestaande 13] , broer [nabestaande 12] en nicht [nabestaande 14] hebben zich als benadeelde partij gevoegd en een verzoek tot schadevergoeding ingediend.
De verdachte wordt vrijgesproken van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 5] . Uit de wet volgt dat de rechtbank dan geen schadevergoeding kan toekennen aan een benadeelde partij, ook niet indien - zoals in deze zaak - vastgesteld kan worden dat de verdachte eerder wel betrokken was bij het observeren van het slachtoffer. De rechtbank heeft in dit vonnis immers vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 5] bijna een jaar eerder heeft geobserveerd. Maar omdat de schade van de benadeelde partijen het gevolg is van de moord, en niet van het volgen van [slachtoffer 5] in januari 2014, is er geen grond voor het toekennen van schadevergoeding. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen.
Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk wordt verklaard in hun vorderingen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
9.
Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 46, 47, 48, 49, 57, 63, 289 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.
10.
De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de volgende feiten niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

feit 1, primair(medeplegen van de moord op [slachtoffer 4] );

feit 3, primair(medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 3] );

feit 3, subsidiair(medeplichtigheid aan de poging tot moord op [slachtoffer 3] );

feit 3, meer subsidiair(medeplegen van de poging tot zware mishandeling op [slachtoffer 3] );

feit 4,
primair(medeplegen van de moord op [slachtoffer 3] );

feit 5(medeplegen van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 3] );

feit 6, primair en subsidiair(medeplegen van en medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] );
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de volgende feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in hoofdstuk 5 is omschreven;

feit 1, subsidiair(medeplegen van de medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 4] );

feit 2(medeplegen van de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 4] );

feit 3, meest subsidiair(medeplegen van de medeplichtigheid van poging zware mishandeling op [slachtoffer 3] );

(medeplegen van de medeplichtigheid aan de moord op [slachtoffer 3] );
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 6.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor
  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 7] ) (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 7] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 22.905,-, bestaande uit € 2.905,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 300,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 1500,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 125,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 375,- met ingang van 1 juli 2015;
- over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 7] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 7] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 7] aan de Staat € 22.905,- te betalen, bestaande uit € 2.905,- aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 300,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 1500,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 125,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 375,- met ingang van 1 juli 2015;
- over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 38 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 1)
- wijst de vordering van [slachtoffer 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.530,-, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 300,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 1500,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 125,- met ingang van 20 februari 2014,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 4] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [slachtoffer 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 2.530,- te betalen, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 300,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 1500,- met ingang van 20 februari 2014;
- over een bedrag van € 125,- met ingang van 20 februari 2014,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 4 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 31.704,54, bestaande uit € 1.704,54 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 756,15, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 821,99 met ingang van 1 juli 2020;
- over een bedrag van € 101,40 met ingang van 16 maart 2026;
- over een bedrag van € 30.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 2] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 2] aan de Staat € 31.704,54, bestaande uit € 1.704,54 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 756,15, met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 821,99 met ingang van 1 juli 2020;
- over een bedrag van € 101,40 met ingang van 16 maart 2026;
- over een bedrag van € 30.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 53 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 6] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 6] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 25.939,97, bestaande uit € 939,97 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 385,-. met ingang van 1 juli 2021;
- over een bedrag van € 25.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 6] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 6] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 6] aan de Staat € 25.939,97, bestaande uit € 939,97 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 385,-. met ingang van 1 juli 2021;
- over een bedrag van € 25.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 43 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 9] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 9] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 601,57, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 46,60 met ingang van 22 januari 2014;
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 9] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 9] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 9] aan de Staat € 601,57, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 46,60 met ingang van 22 januari 2014;
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 1 dag gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 4] (de broer) (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.804,97, bestaande uit € 804,97 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 250,- met ingang van 27 februari 2026;
- over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 4] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 4] aan de € 20.804,97, bestaande uit € 804,97 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 250,-. met ingang van 27 februari 2026;
- over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 35 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 5] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.805,- bestaande uit € 805,- aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 200,-. met ingang van 25 maart 2026;
- over een bedrag van € 25.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 5] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 5] aan de van € 20.805, bestaande uit € 805,- aan materiële schade en € 25.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 200,-. met ingang van 25 maart 2026;
- over een bedrag van € 25.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 35 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 26.664,69, bestaande € uit 1.664,69 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 35,00 met ingang van 1 juli 2014;
- over een bedrag van € 1.074,72 met ingang van 1 januari 2025;
- over een bedrag van € 25.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 1] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] aan de van € 26.664,69, bestaande uit € 1.664,69 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 554,97 met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 35,00 met ingang van 1 juli 2014;
- over een bedrag van € 1.074,72 met ingang van 1 januari 2025;
- over een bedrag van € 25.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 43 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 4] (de zus) (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 24.477,24, bestaande uit € 4.477,24 aan materiële schade en € 20.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 607,24 met ingang van 4 april 2014;
- over een bedrag van € 2.500,- met ingang van 4 april 2014;
- over een bedrag van € 765,- met ingang van 1 januari 2016;
- over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 4] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 4] aan de van € 24.477,24, bestaande uit € 4.477,24 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 605,- met ingang van 25 januari 2014;
- over een bedrag van € 607,24 met ingang van 4 april 2014;
- over een bedrag van € 2.500,- met ingang van 4 april 2014;
- over een bedrag van € 765,- met ingang van 1 januari 2016;
- over een bedrag van € 20.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 41 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 10] (feit 1)
- wijst de vordering van [nabestaande 10] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 35.045,50, bestaande uit € 5.054,50 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente:
- over een bedrag van € 4.970 met ingang van 1 juli 2020;
- over een bedrag van € 84,50 met ingang van 30 maart 2026;
- over een bedrag van € 30.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 10] van het toegewezen bedrag;
  • verklaart [nabestaande 10] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 10] aan de van € 35.045,50, bestaande uit € 5.054,50 aan materiële schade en € 30.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag van volledige betaling.
- over een bedrag van € 4.970 met ingang van 1 juli 2020;
- over een bedrag van € 84,50 met ingang van 30 maart 2026;
- over een bedrag van € 30.000,- met ingang van 13 juli 2026,
telkens tot de dag van volledige betaling;
  • indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 58 dagen gijzeling;
  • legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 11] (feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [nabestaande 11] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 12] (de zus) (feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [nabestaande 12] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 13] (feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [nabestaande 13] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 12] (de broer) (feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [nabestaande 12] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 14] (feit 2)
- verklaart de benadeelde partij [nabestaande 14] niet-ontvankelijk in de vordering;
- compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;
De vordering van de benadeelde partij [nabestaande 3] (feit 4, subsidiair)
- wijst de vordering van [nabestaande 3] toe voor een bedrag van € 5.000,-, geheel bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juli 2026 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [nabestaande 3] van het toegewezen bedrag;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil;
- legt de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [nabestaande 3] aan de Staat € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 juli 2026 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 9 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft/hebben vergoed.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. S.M. Schothorst en
mr. G. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker en
mr. E.J. van Bergeijk als griffiers en is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.
Bijlage: de gewijzigde tenlastelegging
feit 1 (zaaksdossier Brand: moord [slachtoffer 4] )
primair
hij op of omstreeks 20 januari 2014 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 4] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen met een of meer vuurwapens op het lichaam van die [slachtoffer 4] te schieten;
subsidiair
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 20 januari 2014 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, [slachtoffer 4] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft/hebben beroofd, door meermalen met een of meer vuurwapens op het lichaam van die [slachtoffer 4] te schieten,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 3 januari 2014 tot en met 20 januari 2014 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van een coffeeshop die [slachtoffer 4] pleegde te bezoeken ( [coffeeshop] , [straat] te [plaats] ); en/of
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van een sportschool die [slachtoffer 4] pleegde te bezoeken ( [sportschool] , [straat] te [plaats] ); en/of
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van de ouders en/of de feitelijke verblijfplaats van die [slachtoffer 4] (omgeving [straat] te [plaats] ); en/of
  • (telkens) (aldaar) die [slachtoffer 4] te volgen en te observeren (al dan niet met behulp van peilbaken(s)); en/of
  • (vervolgens) de middels de observatie(s) verkregen informatie over die [slachtoffer 4] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer 4] aan de opdrachtgever(s) en/of de schutter(s) en/of (een) derde(n) te verschaffen en/of
  • een (of meer) vuurwapen(s) en/of kogelpatro(o)(n)(en) (9mm Luger) ter beschikking te stellen aan die onbekend gebleven perso(o)n(en);
feit 2 (zaaksdossier Brand en Hendrick: voorbereiding moord [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] )
hij in of omstreeks de periode van 3 januari 2014 tot en met 20 januari 2014 en/of 1 november 2014 tot en met 29 november 2014 te Amersfoort, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van
het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of
meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht
op een of meer perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 4] en/of [nabestaande 11] ), opzettelijk een of meer
voorwerp(en) en/of een of meer informatiedrager(s) en/of een of meer vervoermiddel(en),
te weten (onder meer):
  • een of meer peilbaken(s) en/of plaatsbepalingsapparatuur en/of
  • een of meer telefoon(s) en/of een (of meer) simkaart(en) die corresponderen met voornoemde peilbaken(s) en/of
  • een personenauto van het merk BMW en/of
  • een personenauto van het merk Peugeot, type 508, voorzien van het kenteken [kenteken] en/of
  • een satellietnavigatieapparaat van het merk TomTom; en/of
  • een of meer vuurwapen(s) en/of kogelpatro(o)(n)(en) (9mm Luger) en/of
  • een of meer (valse en/of gestolen) kentekenplaten en/of;
  • een of meer PGP-telefoon(s),
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigd en/of
ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
feit 3 (zaaksdossier IJsberg: poging moord [slachtoffer 3] )
primair
hij op of omstreeks 11 januari 2014 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 11 januari 2014 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 16 december 2013 tot en met 11 januari 2014 te Steenbergen en/of Tiel en/of Nieuwegein en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ); en/of
  • (aldaar) die [slachtoffer 3] te volgen en te observeren (met behulp van peilbaken(s) en/of telefoon(s) die corresponderen met die peilbaken(s); en/of
  • (vervolgens) de middels de observatie(s) verkregen informatie over die [slachtoffer 3] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer 3] en/of een mogelijke vluchtroute, aan de opdrachtgever(s) en/of de schutter(s) en/of (een) derde(n) te verschaffen;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 11 januari 2014 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en
in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 11 januari 2014 te Steenbergen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 3] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 16 december 2013 tot en met 11 januari 2014 te Steenbergen en/of Tiel en/of Nieuwegein
en/of IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ); en/of
  • (aldaar) die [slachtoffer 3] te volgen en te observeren (met behulp van peilbaken(s) en/of telefoon(s) die corresponderen met die peilbaken(s); en/of
  • (vervolgens) de middels de observatie(s) verkregen informatie over die [slachtoffer 3] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer 3] en/of een mogelijke vluchtroute, aan de opdrachtgever(s) en/of de schutter(s) en/of (een) derde(n) te verschaffen;
feit 4 (zaaksdossier IJsberg: moord [slachtoffer 3] )
primair
hij op of omstreeks 14 april 2014 te Steenbergen, in elk geval in Nederland, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen op
het hoofd en/of de romp, althans het lichaam van die [slachtoffer 3] te schieten;
subsidiair
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 14 april 2014 te Steenbergen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 3] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft/hebben beroofd, door meermalen met een vuurwapen op het hoofd en/of de romp, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] te schieten,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 16 december 2013 tot en met 14 april 2014 te Steenbergen en/of Tiel en/of Nieuwegein en/of
IJsselstein, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen
en/of inlichtingen heeft verschaft, door:
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de woning van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ); en/of
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van het bedrijfspand van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ); en/of
  • zich te begeven naar en/of zich op te houden in de omgeving van de ruitersportwinkel van die [slachtoffer 3] (aan de [adres] te [woonplaats] ); en/of
  • (aldaar) die [slachtoffer 3] te volgen en te observeren (met behulp van peilbaken(s) en/of telefoon(s) die corresponderen met die peilbaken(s); en/of
  • (vervolgens) de middels de observatie(s) verkregen informatie over die [slachtoffer 3] en/of de verblijfplaats van die [slachtoffer 3] en/of een mogelijke vluchtroute, aan de opdrachtgever(s) en/of de schutter(s) en/of (een) derde(n) te verschaffen;
feit 5 (zaaksdossier Ijsberg: voorbereiding moord [slachtoffer 3] )
hij in of omstreeks de periode van 16 december 2013 tot en met 14 april 2014 te Steenbergen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord als bedoeld in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht op een persoon, te weten op [slachtoffer 3] , opzettelijk een of meer voorwerp(en) en/of een of meer informatiedrager(s) en/of een of meer vervoermiddel(en), té weten (onder meer):
  • een of meer peilbaken(s) en/of plaatsbepalingsapparatuur; en/of
  • een of meer telefoon(s) en/of een (of meer) simkaart(en) die corresponderen met voornoemde peilbaken(s); en/of
  • een personenauto van het merk Peugeot, type 508, voorzien van het kenteken [kenteken] ; en/of
  • een satellietnavigatieapparaat van het merk TomTom; en/of
  • een of meer vuurwapen(s); en/of
  • een of meer (PGP-)telefoon(s),
bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
feit 6 (zaaksdossier Veste: moord [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] )
primair
hij op of omstreeks 23 december 2011 te Houten, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door meermalen met een of meer vuurwapens op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te schieten;
subsidiair
een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 23 december 2011 te Houten, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , opzettelijk en niet voorbedachten rade van het leven heeft/hebben beroofd, door meermalen met een of meer vuurwapens op het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te schieten;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode van 11 december 2011 tot en met 23 december 2011 te IJsselstein, Tiel en/of Utrecht, althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft
verschaft:
  • door het regelen van kentekenplaten en/of door informatie te vergaren en/of te verschaffen over kentekenplaten (met kenteken [kenteken] ), die passen bij een bij de moorden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te gebruiken voertuig van het merk Volkswagen, type Passat, teneinde het bij die moorden te gebruiken voertuig van het merk Volkswagen, type Passat, van valse/gestolen kentekenplaten te (kunnen) voorzien; en/of
  • door meermaals (telefonisch) contact te hebben met een of meer mededader(s); en/of
  • door in de nacht van 22 op 23 december 2011 een ontmoeting te hebben met een of meer mededader(s); en/of
  • door een voorverkenning te verrichten en/of inlichtingen te vergaren en/of te verschaffen over een geschikte locatie waar het bij de moorden gebruikte voertuig achtergelaten en/of in brand gestoken kon worden; en/of
  • door behulpzaam te zijn bij het wegmaken en/of in brand steken van het bij de moorden gebruikte voertuig.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte procesdossier in onderzoek Lucifer, (onder andere) bestaande uit onderzoek Brand (aangeduid met BRA1 tot en met BRA5), onderzoek IJsberg (aangeduid met IJS1 tot en met IJS4), onderzoek Hendrick (aangeduid met HEN1 en HEN3) en het algemene (overkoepelende) dossier (ALG2, ALG5 tot en met ALG7). Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een in de wettelijke vorm opgemaakt arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2019, ALG7, pagina 213.
3.Een in de wettelijke vorm opgemaakt arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2019, ALG7, pagina 213 & een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina’s 783-785, 787, 789, 799-800.
4.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 783.
5.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 782.
6.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 788.
7.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 800.
8.BRA2, pagina 298 en 1669.
9.BRA2, pagina 298.
10.IJS2, pagina 285.
11.BRA2, pagina 1574.
12.BRA2, pagina’s 1573 en 1580 & IJS2, pagina’s 264, 296 en 328.
13.BRA2, pagina’s 1574.
14.BRA2, pagina 1573.
15.IJS2, pagina 286 & BRA2, pagina’s 1573 en 1574.
16.IJS2, pagina 285.
17.BRA2, pagina’s 578 en 582 & de verklaring van de verdachte op de zitting van 2 april 2026.
18.ALG2, pagina 81.
19.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 782.
20.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 784.
21.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 785.
22.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 787.
23.Een in de wettelijke vorm opgemaakt arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 11 maart 2019, ALG7, pagina’s 200, 206 en 212.
24.De verklaring van de verdachte op de zittingen van 2 april 2026 en 9 april 2026.
25.IJS2, pagina’s 4 en 5.
26.IJS3, pagina’s 4 tot en met 6.
27.IJS2, pagina 16.
28.Een geschrift, te weten het forensisch pathologisch onderzoek van 16 mei 2014, IJS4, pagina’s 69, 71 en 74.
29.ALG5, pagina’s 1172 en 1174.
30.IJS2, pagina’s 666 en 667 & BRA2, pagina 457.
31.BRA2, pagina 424.
32.BRA2, pagina’s 408, 411 en 412.
33.De verklaring van de verdachte op de zitting van 2 april 2026.
34.BRA2, pagina 457.
35.ALG6, pagina 1186.
36.IJS2, pagina 662.
37.IJS2, pagina 662.
38.ALG6, pagina’s 1191 en 1192.
39.ALG6, pagina 1193.
40.IJS2, pagina 693.
41.IJS2, pagina 660.
42.IJS3, pagina’s 231 en 232 & IJS2, pagina 662.
43.IJS2, pagina 705.
44.ALG5, pagina 1376.
45.De verklaring van verdachte op de zitting van 2 april 2026.
46.IJS2, pagina 693 & een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 785.
47.IJS2, pagina’s 264, 296 en 328.
48.IJS2, pagina 297, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijke afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 36.
49.IJS2, pagina 298, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 37.
50.IJS2, pagina’s 298 en 299, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 37 en 38.
51.IJS2, pagina’s 299 en 300, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 38 en 39.
52.IJS2, pagina 273.
53.IJS2, pagina 300.
54.IJS2, pagina 301, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 40.
55.IJS2, pagina 302, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 41.
56.IJS2, pagina 302, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 41.
57.IJS2, pagina 303, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 42.
58.IJS2, pagina 303, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 42.
59.IJS2, pagina 304, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 43.
60.IJS2, pagina 305, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 44.
61.IJS2, pagina 307, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 46.
62.IJS2, pagina 308, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 47.
63.IJS2, pagina 309, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 48.
64.IJS2, pagina’s 310 en 311, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 49 en 50.
65.IJS1, pagina’s 89 en 90 & IJS2, pagina 335.
66.IJS2, pagina 109.
67.IJS2, pagina 123.
68.IJS2, pagina’s 123 en 321, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 60.
69.IJS2, pagina 321.
70.IJS3, pagina 4.
71.IJS3, pagina 4 & IJS1, pagina 75.
72.IJS2, pagina 123.
73.IJS1, pagina 76.
74.IJS2, pagina 110.
75.IJS4, pagina 53.
76.IJS3, pagina’s 170 en 171.
77.IJS3, pagina 225.
78.IJS2, pagina’s 650 en 651.
79.IJS2, pagina’s 651 en 653.
80.IJS2, pagina’s 122 en 320.
81.IJS2, pagina 123.
82.IJS2, pagina 335.
83.IJS2, pagina 125.
84.IJS2, pagina 126.
85.IJS2, pagina 126.
86.IJS2, pagina 126.
87.IJS1, pagina 91.
88.IJS1, pagina 92.
89.IJS2, pagina 126.
90.IJS2, pagina 127.
91.IJS2, pagina 128.
92.IJS1, pagina 94.
93.IJS2, pagina 129 & IJS1, pagina 95.
94.Een geschrift, te weten het handgeschreven notitieboekje aangetroffen in de woning van [medeverdachte 1] , ALG5, pagina 785.
95.ALG5, pagina 722.
96.IJS2, pagina 331, BRA2, pagina’s 549 tot en met 554 & een in de wettelijke vorm opgemaakt vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2024, ALG7, pagina 346.
97.IJS1, pagina 68, IJS2, pagina 313 & ALG5, pagina 1364.
98.IJS1, pagina 68 & IJS2, pagina 314.
99.IJS1, pagina 69 & IJS2, pagina 315.
100.IJS1, pagina’s 69 en 70 & IJS2, pagina 315.
101.IJS1, pagina 70, IJS2, pagina 315 & ALG5, pagina 1365.
102.IJS1, pagina 71 & IJS2, pagina 315.
103.IJS2, pagina 315 & ALG5, pagina 1365.
104.IJS1, pagina 73 & ALG5, pagina 1366.
105.ALG5, pagina 1366.
106.IJS2, pagina 319, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 58.
107.IJS2, pagina 705.
108.IJS2, pagina 319.
109.ALG5, pagina 1366.
110.IJS1, pagina’s 73 en 74 & IJS2, pagina’s 320 en 321.
111.IJS2, pagina’s 123 en 321.
112.IJS2, pagina 123.
113.IJS1, pagina 77, IJS2, pagina 322 & ALG5, pagina 1366..
114.IJS2, pagina 324 & ALG5, pagina 1372.
115.IJS1, pagina 79.
116.IJS2, pagina 329, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 68.
117.IJS2, pagina 330, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 69.
118.IJS1, pagina 86, IJS2, pagina 333 & ALG5, pagina 1373.
119.IJS2, pagina 333.
120.IJS1, pagina 87 & IJS2, pagina 334.
121.IJS2, pagina’s 310 tot en met 312, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 49 tot en met 51.
122.IJS1, pagina 88 & IJS2, pagina 335.
123.ALG5, pagina’s 1373 en 1374.
124.IJS1, pagina 90.
125.ALG5, pagina 1373.
126.IJS2, pagina’s 286 en 287.
127.IJS2, pagina 288, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 27.
128.IJS2, pagina 289, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 28.
129.IJS2, pagina 290.
130.IJS2, pagina 291.
131.IJS2, pagina 292.
132.IJS2, pagina 293.
133.IJS1, pagina 66.
134.IJS2, pagina’s 265 en 855.
135.IJS2, pagina’s 266 en 267.
136.IJS2, pagina’s 267 tot en met 270, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 6 tot en met 9.
137.ALG5, pagina 1349.
138.IJS1, pagina 52 & IJS2, pagina 267 tot en met 270, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 6 tot en met 9.
139.IJS2, pagina 272.
140.IJS2, pagina 277.
141.IJS2, pagina 274.
142.IJS2, pagina’s 274 en 275, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina’s 13 en 14.
143.IJS2, pagina 276, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 15.
144.IJS2, pagina 277, in combinatie met het (losse) Proces-verbaal van bevindingen ‘Analyse bakens in relatie tot IJsberg’, waarin duidelijkere afbeeldingen zijn opgenomen, zodat de genoemde tijdstippen beter zichtbaar zijn, pagina 16.
145.ALG5, pagina 1349 & IJS1, pagina 54.
146.IJS2, pagina’s 278 en 283.
147.IJS2, pagina’s 855 en 857.
148.IJS2, pagina’s 654 en 655.
149.BRA2, pagina 1617.
150.ALG5, pagina 519.
151.IJS2, pagina’s 280 en 282.
152.IJS2, pagina 282.
153.IJS2, pagina’s 281 en 283.
154.IJS2, pagina 282.
155.IJS2, pagina’s 281 en 283 & ALG5, pagina 1350.
156.IJS2, pagina 280.
157.IJS2, pagina’s 347 en 348.
158.IJS2, pagina 348.
159.ALG5, pagina 1181.
160.BRA3, pagina’s 8, 9 en 17.
161.BRA2, pagina 19.
162.Een geschrift, te weten het forensisch pathologisch onderzoek van 24 januari 2014, BRA4, pagina’s 190, 191 en 192.
163.BRA3, pagina 5.
164.BRA3, pagina 17.
165.BRA2, pagina’s 75 en 95.
166.BRA3, pagina’s 17 en 27.
167.BRA3, pagina’s 787 en 788.
168.BRA3, pagina 36.
169.BRA3, pagina’s 787 en 788.
170.BRA2, pagina 88.
171.BRA2, pagina 38.
172.BRA2, pagina 1723.
173.BRA2, pagina 38.
174.BRA2, pagina 35.
175.BRA3, pagina 103.
176.BRA2, pagina 40 & BRA4, pagina’s 246 en 253.
177.BRA2, pagina 1614 & BRA5, pagina 6.
178.BRA2, pagina’s 472, 473, 478 en 479.
179.BRA2, pagina 472.
180.BRA4, pagina 59.
181.BRA2, pagina 866 & een geschrift, te weten een NFI-rapportage van 15 mei 2014, BRA4, pagina's 378 en 379.
182.Ten aanzien van [slachtoffer 4] : BRA3, pagina’s 697, 698, 794 en 797 & ten aanzien van [slachtoffer 5] : BRA3, pagina’s 488 en 489.
183.Ten aanzien van [slachtoffer 5] : BRA3, pagina’s 540 en 545.
184.Ten aanzien van [slachtoffer 4] : BRA3, pagina’s 64, 65, 72 & BRA2, pagina 1688 & ten aanzien van [slachtoffer 5] : BRA3, pagina’s 64 en 73 & HEN3, pagina’s 66 en 71.
185.Ten aanzien van [slachtoffer 4] : BRA3, pagina’s 129, 137 en 181 & ten aanzien van [slachtoffer 5] : HEN1, pagina 7 & HEN3, pagina 141.
186.BRA2, pagina’s 837 en 838.
187.BRA2, pagina 853.
188.BRA2, pagina 835 & BRA3, pagina’s 286, 287, 288, 289.
189.BRA2, pagina 854.
190.BRA3, pagina’s 24, 28, 286, 287, 753 en 754.
191.Ten aanzien van [medeverdachte 3] , BRA2, pagina 289 en 690 & ten aanzien van [medeverdachte 2] BRA2 pagina’s 469-470.
192.BRA2, pagina’s 1575 en 1576.
193.BRA2, pagina’s 303 en 304
194.BRA2, pagina’s 303 en 306.
195.BRA2, pagina 63.
196.BRA2, pagina 303.
197.BRA2, pagina’s 63, 303 en 306.
198.BRA2, pagina’s 63, 303 en 307.
199.BRA2, pagina’s 303 en 308.
200.BRA2, pagina’s 303 en 310.
201.BRA2, pagina’s 63, 303 en 312.
202.BRA2, pagina’s 303 en 312.
203.BRA2, pagina’s 1682.
204.BRA2, pagina’s 1682 en 1683.
205.BRA2, pagina’s 1682 en 1684.
206.BRA2, pagina’s 1682 en 1685.
207.BRA2, pagina’s 1682 en 1686.
208.BRA2, pagina 63.
209.BRA3, pagina 480.
210.BRA2, pagina 339.
211.De verklaring van de verdachte op de zitting van 2 april 2026.
212.BRA2, pagina 345.
213.BRA2, pagina 347.
214.BRA3, pagina 353 en 355.
215.BRA2, pagina’s 256, 357 en 358.
216.BRA2, pagina 359 & BRA1, pagina 77.
217.BRA2, pagina 361.
218.BRA2, pagina 362.
219.BRA2, pagina’s 363 en 364.
220.BRA2, pagina’s 371 en 404.
221.BRA2, pagina’s 405, 406 en 407.
222.BRA2, pagina’s 408, 409, 411, 412 en 414 & de verklaring van de verdachte op de zitting van 2 april 2026.
223.BRA2, pagina 415.
224.BRA2, pagina 68.
225.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2025, pagina 13.
226.BRA2, pagina 67.
227.BRA2, pagina 1580.
228.BRA2, pagina 67.
229.BRA2, pagina 68.
230.BRA2, pagina 368.
231.BRA2, pagina 1581.
232.BRA2, pagina 1582.
233.BRA2, pagina’s 68 en 69.
234.BRA2, pagina 457.
235.BRA2, pagina’s 458, 1746 en 1747.
236.BRA2, pagina 70.
237.BRA2, pagina 70 en 71.
238.BRA2, pagina’s 71 en 72.
239.BRA2, pagina 1585.
240.BRA2, pagina 72.
241.BRA2, pagina’s 71 en 72.
242.BRA2, pagina 1586.
243.BRA2, pagina’s 72, 73 en 1586.
244.BRA2, pagina’s 74 en 75.
245.De verklaring van de verdachte op de zitting van 2 april 2026.