ECLI:NL:RBMNE:2026:4045

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/6957
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Participatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen verplichting medisch of arbeidskundig onderzoek Participatiewet

Eiser, die sinds 2019 een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, is het niet eens met het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere dat van hem wordt verlangd mee te werken aan medisch of arbeidskundig onderzoek. Dit onderzoek is bedoeld om zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling te beoordelen.

Het college had eerder een sollicitatieverplichting opgelegd, maar deze herroepen vanwege het ontbreken van een individuele afweging en onderzoek naar persoonlijke omstandigheden. Het college achtte een onafhankelijk medisch of arbeidskundig onderzoek noodzakelijk om objectief vast te stellen welke verplichtingen redelijk en haalbaar zijn.

Eiser vordert dat het college eerst zijn persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden onderzoekt en vastlegt in een rapport, en vreest oneigenlijk gebruik van onderzoeksgegevens. De rechtbank oordeelt dat het college op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet mag verlangen dat eiser meewerkt aan het onderzoek. Er is geen juridische grond om medewerking afhankelijk te stellen van een vooraf opgesteld rapport.

De rechtbank vindt geen aanwijzingen voor misbruik van gegevens en stelt dat het onderzoek juist maatwerk mogelijk maakt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgt.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de verplichting tot medewerking aan medisch of arbeidskundig onderzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6957

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Almere, het college

(gemachtigde: mr. J. de Feijter).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit van het college inhoudende dat van eiser wordt verlangd dat hij meewerkt aan medisch of arbeidskundig onderzoek in het kader van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college van eiser mag verlangen om mee te werken aan een medisch of arbeidskundig onderzoek in het kader van de Pw. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser ontvangt sinds 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Pw.
3. Naar aanleiding van een gesprek van eiser met een klantmanager in het kader van deelname aan het traject ‘Focus op Werk’, heeft het college vastgesteld dat eiser beschikt over kwaliteiten en mogelijkheden om werk te verkrijgen.
4. Met het besluit van 31 maart 2025 heeft het college besloten dat eiser twee keer per week moet solliciteren. Als hij dat niet doet, kan aan hem een maatregel worden opgelegd.
5. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
6. Het college heeft bij de beslissing op bezwaar van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) het besluit van 31 maart 2025 herroepen voor zover daarin de verplichting is opgenomen om twee keer per week te solliciteren. Het college heeft erkend dat het besluit van 31 maart 2025 deen individuele afweging mist, waaruit blijkt waarom de sollicitatieverplichting redelijk en uitvoerbaar zou zijn voor eiser, en dat er geen onderzoek is gedaan naar zijn persoonlijke en medische omstandigheden. Ook acht het college de gemaakte belangenafweging onevenwichtig. Wel acht het college het noodzakelijk dat er een onafhankelijk medisch of arbeidskundig onderzoek wordt uitgevoerd, nu alleen met een dergelijk onderzoek objectief kan worden vastgesteld welke verplichtingen in het kader van de Pw redelijk en haalbaar voor eiser zijn.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

10. Het college heeft in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat de verplichting om mee te werken aan medisch of arbeidskundig onderzoek rechtstreeks uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw voortvloeit en daarom geen zelfstandig rechtsgevolg heeft. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
10.1.
De verplichting tot deelname aan medisch of arbeidskundig onderzoek vormt een nadere concretisering van de uit de Pw voortvloeiende verplichtingen en is daarmee gericht op rechtsgevolg. De rechtbank verwijst in dit verband naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 november 2021. [1] Het beroep is ontvankelijk.
11. De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eiser aldus, mede gelet op diens toelichting ter zitting, dat hij wil dat het college eerst zijn persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden onderzoekt en vastlegt in een rapport, voordat hij aan medisch of arbeidskundig onderzoek meewerkt. Daarbij wenst eiser dat het college in dat rapport zijn situatie, zoals eiser die heeft toegelicht, expliciet erkent. Verder vreest eiser dat de uitkomsten van medisch of arbeidskundig onderzoek voor oneigenlijke doeleinden zullen worden gebruikt. Daarnaast voert eiser aan dat het college onvoldoende maatwerk levert bij de beoordeling van zijn situatie en dat geen sprake is van een op zijn omstandigheden toegesneden afweging.
11.1.
In geschil is uitsluitend of het college van eiser mag verlangen dat hij meewerkt aan medisch of arbeidskundig onderzoek om zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling in het kader van de Pw te beoordelen. Naar het oordeel van de rechtbank mag het college dit van eiser verlangen. De rechtbank legt dat hierna uit.
11.2.
Uit artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw volgt dat een belanghebbende verplicht is mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Volgens vaste rechtspraak is het niet aan de betrokkene, maar aan het bijstandverlenend orgaan om te bepalen welke reintegratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken. In dat kader mag het college van eiser verlangen dat hij meewerkt aan medisch of arbeidskundig onderzoek. [2]
11.3.
Eiser kan zijn medewerking niet afhankelijk stellen van het vooraf opstellen van een rapport door het college over zijn persoonlijke en maatschappelijke omstandigheden. Hiervoor bestaat geen juridische basis.
11.4.
Wat betreft de vrees van eiser dat de uitkomsten van het onderzoek voor oneigenlijke doeleinden zullen worden gebruikt, heeft het college zowel in het bestreden besluit als ter zitting toegelicht dat het onderzoek uitsluitend is gericht op het in kaart brengen van de mogelijkheden en beperkingen van eiser in relatie tot arbeid. Voor misbruik of oneigenlijk gebruik van de gegevens bestaan naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanwijzingen.
11.5.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat het college onvoldoende maatwerk levert, overweegt de rechtbank dat het verrichten van medisch of arbeidskundig onderzoek juist is bedoeld om inzicht te verkrijgen in de individuele mogelijkheden van eiser. Dat onderzoek vormt daarmee een instrument om maatwerk te kunnen leveren.
11.6.
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Vgl. de uitspraak van de CRvB van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3669.