ECLI:NL:RBMNE:2026:4004

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/1522T
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19aa ZWArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beëindiging Ziektewetuitkering na Covid-19 met medische deskundigenrapportage

Eiseres ontving een Ziektewetuitkering na ziekmelding wegens Covid-19. Het UWV beëindigde deze uitkering per 9 februari 2024, omdat eiseres volgens het UWV meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat de medische beoordeling onjuist was, mede vanwege post-Covid klachten en ziekenhuisopname.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die concludeerde dat eiseres meer arbeidsbeperkingen heeft dan het UWV aannam, waaronder concentratieproblemen, urenbeperkingen en fysieke beperkingen door Long Covid en PEM. De deskundige adviseerde een maximale werkweek van 16 uur met spreiding over de dag.

Het UWV bleef bij haar standpunt, maar de rechtbank volgde de deskundige en oordeelde dat het medische besluit onvoldoende gemotiveerd was. Hierdoor was ook het arbeidskundig onderzoek gebrekkig. De rechtbank gaf het UWV acht weken om het besluit te herstellen en stelde eiseres in de gelegenheid hierop te reageren. De uitspraak is een tussenuitspraak, verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het UWV de Ziektewetuitkering ten onrechte beëindigde vanwege een ontoereikende medische onderbouwing en stelt het UWV in de gelegenheid het besluit te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1522 T

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mw. mr. R.M.H. Rokebrand).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beëindigen van de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW-uitkering) die eiseres ontving, nadat zij zich eerder had ziekgemeld na een Covid-19 besmetting. Het Uwv heeft aan de beslissing ten grondslag gelegd dat eiseres meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd, waardoor de ZW-uitkering vanaf 9 februari 2024 is beëindigd. Eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank of het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
1.1
De rechtbank heeft in deze zaak voor de medische beoordeling een deskundige benoemd. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat eiseres meer beperkingen ten aanzien van arbeid heeft dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. De rechtbank volgt de conclusie van de deskundige. De rechtbank komt daarom in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het besluit, omdat de medische grondslag van het bestreden besluit ontoereikend is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres werkte als [functie] voor een uitzendbureau voor ongeveer 30,75 uur per week. Zij heeft zich op 14 juli 2022 ziekgemeld met Covid-19 klachten, waarna haar dienstverband is beëindigd. Aan eiseres is een ZW-uitkering toegekend per 18 juli 2022.
2.1 Het Uwv heeft bij de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) beoordeeld hoe de medische situatie van eiseres is op 4 december 2023. De primaire verzekeringsarts heeft op 15 december 2023 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgemaakt waarin beperkingen worden aangenomen in de rubriek persoonlijk functioneren. Op basis van deze FML heeft de primaire arbeidsdeskundige drie voorbeeldfuncties geselecteerd die eiseres zou kunnen verrichten. Eiseres kan in die functies meer dan 65%, namelijk 68,3%, verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd (het maatmanloon).
2.2
Met het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 9 februari 2024 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
2.3
De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft in de rapportage van 19 december 2024 aan dat er geen redenen zijn om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de maatgevende arbeid en het arbeidsverleden aangevuld, het opleidingsniveau aangepast en het maatmanloon bijgesteld. Hierdoor bestaat aanleiding om de primaire functieselectie te herzien. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep baseert het verdienvermogen in bezwaar uitsluitend op soortgelijke functies als geselecteerd bij de primaire arbeidsdeskundige beoordeling. Het verdienvermogen van eiseres wordt vastgesteld op meer dan 65% (66,64%) van het maatmaninkomen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.4
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
2.6
De rechtbank heeft vervolgens verzekeringsarts [naam] als deskundige benoemd (de deskundige). De deskundige heeft onderzoek verricht en de bevindingen vermeld in het rapport van 2 maart 2026 (het deskundigenrapport). Het Uwv heeft op het deskundigenrapport gereageerd met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 maart 2026. De deskundige heeft op 23 april 2026 weer gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
2.7
Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna op 11 juni 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Geheimhouding
3. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de ex-werkgeefster te verstrekken. De rechtbank zal daarom de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken om te voorkomen dat deze gegevens via deze uitspraak alsnog openbaar worden.
Toetsingskader
4. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt iemand zijn ZW-uitkering als hij na 52 weken nog steeds ongeschikt is tot werken als gevolg van ziekte en minder kan verdienen dan 65% van zijn laatst verdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. [1] Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, mits die rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan die zorgvuldigheidseisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar nodig.
6. De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiseres op de zogenaamde datum in geding, de beoordelingsdatum. Deze datum is 9 februari 2024, de datum waarop aan het eind van de uitlooptermijn de uitkering wordt beëindigd. [2]
De inhoudelijke medische beoordeling
7. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is. Het is geen representatieve momentopname. Er is ten onrechte geen urenbeperking aangenomen en er wordt geen rekening gehouden met recuperatietijd, concentratie- en ademhalingsproblemen. Eiseres verwijst naar rapporten van het [zorginstelling] naar aanleiding van onderzoek naar post-Covid. Eiseres heeft zelf meegedaan aan dit onderzoek. Ook verwijst zij naar medische informatie waaruit blijkt dat zij in januari 2024 is opgenomen in het ziekenhuis en een brief van haar partner die beschrijft hoe eiseres haar klachten doormaakt. Deze informatie is onvoldoende meegewogen, aldus eiseres.
7.1
In de standpunten van partijen en in wat naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vragen door partijen naar voren is gebracht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om een verzekeringsarts als onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank heeft de deskundige onder meer gevraagd de gezondheidssituatie van eiseres per datum in geding te beoordelen en een oordeel te geven over de op eiseres van toepassing zijnde arbeidsbeperkingen. Met name wordt de deskundige gevraagd of zij zich met het standpunt van de verzekeringsarts van het Uwv kan verenigen dat per datum in geding voldoende rekening is gehouden met de restverschijnselen van de doorgemaakte Covid-19 infectie, dat eiseres in staat was om 40 uur per week te werken, dat zij in staat was om ’s avonds en ‘s nachts te werken en in ploegen/wisseldienst te werken. En voor het geval de deskundige de door het Uwv aangenomen belastbaarheid niet volgt; dan inzichtelijk te maken welke beperking wel passend is voor eiseres. Daarbij wordt gevraagd expliciet het standpunt van eiseres te betrekken over haar energetische beperkingen en verhoogde recuperatiebehoefte waarmee volgens haar het ziektebeeld gepaard gaat en de gestelde concentratieproblemen.
Het deskundigenrapport
8. De deskundige heeft eiseres gezien op 5 november 2025 en zij heeft eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht. De deskundige heeft ook dossieronderzoek verricht. De deskundige is tot de conclusie gekomen dat het klachtencomplex en het beloop van de klachten en symptomen op het bestaan van PCS met PEM wijzen. Volgens de deskundige wordt dit ook bevestigd door het onderzoek van de neuroloog en internist. De deskundige motiveert dat in de anamnese en gedocumenteerde anamneses bij de behandelaren voldoende aanwijzingen zijn voor de klachten die eiseres claimde, waaronder klachten van terugvallen met dagen van forse vermoeidheid en een beschrijving van een terugval in januari 2024.
Volgens de deskundige is geen sprake van geen benutbare mogelijkheden. Eiseres is op de datum in geding belastbaar in arbeid met vrij forse beperkingen en een urenbeperking. De beperking die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen in de rubriek persoonlijk functioneren (item 1.8 werken met cijfers) vindt de deskundige medisch gezien passend bij de belastbaarheid van eiseres. Maar de deskundige is van mening dat eiseres meer klachten beschreef die volgens de deskundige gekaderd en beoordeeld moeten worden onder het breder begrip van mogelijke concentratieproblemen bij Long Covid. Volgens de deskundige is eiseres daarom aanvullend beperkt in persoonlijk functioneren in arbeid, in taken die een intensieve mate van aandacht vasthouden en verdelen nodig hebben. Verder is eiseres aangewezen op een rustige werkomgeving. In de primaire beoordeling staat vermeld dat de stem terugkomt, maar gelet op de terugval in januari 2024 acht de deskundige het aannemelijk dat er op de datum in geding een beperking is op taken waarbij zeer langdurig gesproken moet worden. Eiseres beschrijft koude intolerantie. Volgens de deskundige geeft langdurige of frequente extreme kou impact op de fysieke belasting, waardoor eiseres ook hierin beperkt is. Verder is eiseres volgens de deskundige beperkt voor fysiek zware belasting, dus niet alleen de aanmerkelijk boven normale belasting. Dit vanuit de energetische klachten, vermoeidheid en PEM en om overbelasting te voorkomen. Verder benoemt eiseres aan haar linkerschouder een lange bestaande (sinds ongeveer 10 jaar) frozen shoulder. Bij lichamelijk onderzoek is een minimaal verminderd bewegingspatroon van de linker (dominante) schouder te zien. De eventuele beperkingen die dit klachtenbeeld zouden geven, vallen binnen de beperkingen voor fysiek zware belasting vanuit Long Covid. Gezien de extra recuperatietijd die eiseres na elke activiteit nodig heeft en die ook past bij de gerapporteerde PEM, kan eiseres volgens de deskundige maximaal 4 uur per dag werken, waarbij zij deze uren moet kunnen verdelen over de werkdag. Volgens de deskundige is een urenbeperking van maximaal 16 uur werk week aangewezen, omdat eiseres na twee werkdagen één dag niet belastbaar moet zijn. De deskundige heeft bij haar rapport een aangepaste FML bijgevoegd, die recht doet aan de klachten van eiseres. De conclusie van de deskundige is dan ook dat eiseres op meerdere vlakken meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.
De reactie van partijen
9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullende rapportage van 19 maart 2026 gereageerd op het deskundigenrapport en geconcludeerd dat dit deskundigenrapport geen aanleiding geeft om het standpunt over de belastbaarheid van eiseres te wijzigen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou eiseres bij de hoorzitting hebben aangegeven dat zij 24 uur per week werkte. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst in dit kader ook naar het dagverhaal van eiseres waaruit blijkt dat zij de hond uitlaat en haar dochter met de auto naar school brengt. Tot slot voert de verzekeringsarts aan dat Richtlijnen inzake Long Covid en NHG-standaarden een hulpmiddel en niet leidend zijn.
9.1 Eiseres is in de gelegenheid gesteld om te reageren op het deskundigenrapport, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Wat de rechtbank ervan vindt
10. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige volgt als deze deskundige het standpunt inzichtelijk heeft gemotiveerd. Dit uitgangspunt volgt uit vaste rechtspraak. [3] Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken en heeft haar standpunt inzichtelijk gemotiveerd.
10.1
De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingebrachte standpunten leiden niet tot een ander oordeel. De verzekeringsarts baseert haar standpunten op het primaire onderzoek en de hoorzitting in bezwaar, daar heeft eiseres gemeld dat zij 24 uur per week werkte en hoe haar dagverhaal eruit zag. Het primaire onderzoek heeft plaatsgevonden op 4 december 2023. Dit was dus voordat eiseres op de SEH is opgenomen (8 januari 2024) en voordat een extreme terugval wordt beschreven. De datum in geding is gelegen na de SEH opname en na de beschreven terugval. De hoorzitting in bezwaar vond plaats op 29 oktober 2024, dus ruim 8 maanden na de datum in geding. De deskundige overweegt in het deskundigenrapport dat zij bij eiseres de diagnose heeft omschreven als: Long Covid sinds 2022 met in januari 2024 extreme vermoeidheid en terugval Long Covid, mentale klachten als gevolg van Long Covid, waarvoor zij in de periode april tot juli 2023 gesprekken bij de POH GGZ had. De deskundige heeft deze diagnose mede gebaseerd op het schrijven van de internist van 21 februari 2023, waarbij een terugval is beschreven rondom de datum in geding. Eiseres werd op 8 januari 2024 gezien op de spoedeisende hulp. De internist heeft eiseres gevolgd op de polikliniek en de deskundige heeft geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de internist. Nu deze terugval beschreven staat, is de conclusie van de internist naar mening van de deskundige relevant. De deskundige concludeert daarom dat er fors meer beperkingen aangenomen moeten worden dan door het Uwv zijn aangenomen op de datum in geding. De rechtbank kan de motivering van de deskundige volgen en volgt daarom de conclusies van de door haar ingeschakelde deskundige.
10.2
Gezien het vorenstaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de medische beoordeling de beperkingen ten aan zien van arbeid van eiseres ten tijde van de datum in geding niet juist vastgesteld. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond van eiseres slaagt.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank volgt dus de conclusie van de deskundige. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat eiseres meer beperkingen ten aanzien van arbeid heeft dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 10.2 heeft geoordeeld, is de medische grondslag van het bestreden besluit ontoereikend en daarom onvoldoende gemotiveerd. Dat maakt dat het arbeidskundig onderzoek ook gebrekkig is, omdat het arbeidskundig onderzoek gebaseerd is op dat medisch onderzoek.
11.1
Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het Uwv in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan het Uwv doen door de (aanvullende) beperkingen die de deskundige heeft aangenomen, over te nemen in een nieuwe FML. Op basis van de nieuwe FML zal het Uwv vervolgens nader arbeidskundig onderzoek moeten doen. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
11.2
Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid en het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
11.3
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiseres in de gelegenheid om binnen vier weken na de herstelpoging van het Uwv, schriftelijk hierop te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2459 en 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920.
2.Zie onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3925 waarin is bepaald dat de aanzegjurisprudentie ook van toepassing is bij een EZWb.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2456